Discussie bij ‘Levensbeëindiging bij pasgeborenen: de uitdaging voor de centrale deskundigencommissie’, NJB 36/07
De nieuwe deskundigencommissie voor levensbeëindiging in de neonatologie: een levensvatbaar orgaan?
Sinds kort kent Nederland een deskundigencommissie die moet beoordelen of artsen in concrete gevallen juist hebben gehandeld in de actieve of passieve beëindiging van late zwangerschappen en levens van pasgeborenen. Het advies van deze commissie wordt door het OM betrokken bij de beslissing of vervolging zal plaatsvinden.
Volgens Bood, staflid van het wetenschappelijk bureau van het OM, zal het vertrouwen van artsen in deze commissie slechts aanwezig zijn als zij beslissingen neemt gebaseerd op de algemene consensus binnen de medische wereld. Maar omdat deze consensus beperkt is, zal de commissie ook op eigen gezag beslissingen moeten nemen. Dit kan morele en juridische problemen opleveren, vooral in de grijze gebieden waar het gaat om pasgeborenen met een geringe te verwachten levenskwaliteit en om de afbakening van stervenshulp ten opzichte van levensbeëindiging. Bood anticipeert dat de commissie voor deze gevallen zelf richtlijnen zal moeten opstellen, waarbij zowel de artsengemeenschap als het OM tevreden moet worden gehouden. Het is belangrijk om hierin een balans te vinden. Als artsen niet kunnen vertrouwen op de expertise en het inlevingsvermogen van de commissie, zal de meldingsbereidheid laag zijn. Omgekeerd verwacht het OM een gerede mate van integriteit en objectiviteit van de commissie, anders zal het OM de adviezen van de commissie terzijde schuiven.
Bood stelt dat het werk van de commissie overbodig zal worden als de artsen of het OM niet tevreden kunnen worden gesteld. Maar zouden artsen, ongeacht de consequenties, niet verplicht moeten worden om elk geval van levensbeëindiging te melden, zeker als het kinderen betreft? En zouden de adviezen van de commissie wellicht een meer bindend karakter moeten hebben?
Discussieer mee!





Het heikele punt is, mijns inziens, dat de commissie altijd achteraf zal beslissen over een afweging die in de ogen van een arts gerechtvaardigd was en werd uitgevoerd met medeweten en goedkeuring van de ouders. Het werpt de vraag op of de procedure wel de goede volgorde kent. Zou de beoordeling van de commissie niet voor beëindiging van behandeling of leven moeten gebeuren? En: is de toestemming van de ouders gecombineerd met de integriteit en medische kennis van de arts niet voldoende om vervolging door het OM uit te sluiten?
Om een goed zicht te hebben op het handelen van artsen in het geval van levensbeëindiging lijkt het mij dat beide vragen bevestigend beantwoorden dienen te worden.