Stelling bij NJB 37/07

Stelling bij NJB 2007/37

Serieuze rechtsgeleerdheid is niet mogelijk zonder kennis van Frans en Duits.

In het NJB van deze week pleit Nieuwenhuis voor het aanbieden van Frans en Duits op rechtenfaculteiten. De beheersing van deze talen is volgens hem onontbeerlijk om de student in te wijden in de tradities van de rechtsgeleerdheid. Een andere zorg van Nieuwenhuis betreft het rechtsvergelijkend perspectief binnen de rechtsgeleerdheid. Vanwege de achteruitgaande kennis van het Frans en Duits zouden studenten de toegang tot authentieke Franse en Duitse rechtsbronnen verliezen, waardoor hun blikveld beperkt zou raken tot die bronnen waar vertalingen van beschikbaar zijn en tot Engelstalige bronnen.

De redactie van dit weblog ziet het minder somber in. Zij meent dat beter gefocust kan worden op het Nederlands en Engels nu zich reeds daar taaldeficiënties voordoen. Voor wat betreft bronnen in andere talen heeft de hedendaagse student door de opkomst van het Internet toegang tot veel meer bronnen dan voorheen en de huidige studenten beschikken over de vaardigheden om deze bronnen te raadplegen.

Heeft Nieuwenhuis gelijk en zal het rechtsvergelijkend perspectief van de Nederlandse rechtstraditie verschrompelen tot parafrase van Engelstalige compilatiewerken als faculteiten nu niet overgaan tot het aanbieden van Frans en Duits taalonderwijs? Of zijn er urgentere problemen en is de hedendaagse student juist meer gebaat bij het investeren in goede vertalingen van vreemde talen? Discussieer mee!

9 reacties op “Stelling bij NJB 37/07”

  1. Lotte (redactie NJBlog):

    Namens de heer C.W. Claassen:

    Geachte NJB-log-redactie,

    Als advocaat houd ik mij meer dan 40 jaar bezig met onteigeningsrecht. Bij uitstek een rechtsgebied dat zeer nationaal bepaald lijkt ? (voor ouderen: lex rei sitae). Maar de wetenschappelijke beoefening van dit rechtsgebied – toch ook nuttig voor de praktijk; de belangen zijn niet gering – zou aanzienlijk gebaat zijn met kennisneming van niet alleen het Engelse recht maar ook van het Franse en Duitse recht. Vaststelling van schade(vergoeding) is niet een probleem dat aan de andere kant van de grens geheel anders opgelost wordt. De uitgebreide buitenlandse litteratuur – per land veel omvangrijker dan die in Nederland – is niet in vertaling beschikbaar; evenmin de buitenlandse rechtspraak die men thans per internet kan raadplegen. Aan kennisneming van Russisch en/of Arabisch onteigenings(recht?) lijkt mij geen verantwoorde behoefte te bestaan.
    Ik acht Uw visie niet juist voor de opleiding van goede (praktijk)juristen.

    Eindhoven, 23 oktober 2007

  2. Jan Visscher:

    Laten de universiteiten eerst maar eens beginnen met het meer aandacht geven aan de Engelse (en misschien ook wel de Nederlandse) taal.
    Voor we met Frans en Duits beginnen valt daar nog een hoop te ‘focussen’ want in mijn ervaring wordt er aan Engels al amper aandacht gegeven (na 1,5 jaar UU rechtsgeleerdheid).

  3. Lotte (redactie NJBlog):

    Daarover kan men van mening verschillen. De Van Dale vermeldt bij ‘kunnen’ als één van de betekenissen ‘kennen’ (met als voorbeeld: ‘zij kon geen woord Nederlands’), maar wel met het predicaat ‘volkstaal’.

    Toegegeven: in de bovenstaande zin is het gebruik op zijn minst ironisch te noemen.

  4. Stammend uit een generatie juristen, voor wie zelfs kennis van latijn nog wel degelijk nodig was om candidaatsexamen Nederlands Recht te kunnen afleggen (tekstverklaring Corpus Juris), deel ik graag de visie van Nieuwenhuis.
    In de reactie van de NJBlog-redactie spreekt mij inhoudelijk de zin ‘Dat een jurist foutloos Nederlands moet kunnen, behoeft geen betoog….’het meeste aan, maar de formulering hiervan deed bij mij de vraag rijzen waarom dit niet voor de NJBlog-redactie geldt. Of is mijn visie op het correcte gebruik van het werkwoord KUNNEN ook al verouderd ?

  5. Ben het van harte eens met Nieuwenhuis. Rechtswetenschap krijgt pas perspectief in een confrontatie met vreemde wetgeving, vreemde rechtspraak en vreemde juridische literatuur. Franse en Duitse wetgeving, rechtspraak en doctrine hebben heel veel invloed gehad op alle hoofdgebieden van het Nederlandse positieve recht. Onderzoek daarnaar is esentieel en laat zich onmogelijk vervangen door een Engelstalige samenvatting daarvan door een willekeurige jurist, die juist door zijn wel aanwezige talenkennis niet meer gecontroleerd kan worden. Neem iemand als de bekende Duitse jurist Reinhard Zimmermann. Deze is juist belangrijk geworden door zijn vermogen tot synthese van Latijnse, Duitse en Franse rechtsbronnen. Maar zo iemand blijft een soort voorwetenschappelijke goeroe als hij niet meer kan worden gecontroleerd.

  6. Dat ik (meestal) in staat ben aanvaardbaar Nederlands te schrijven, is voor een aanmerkelijk deel te danken aan de studie van andere talen op het gymnasium. Alleen al daarom verdient het betoog van Hans Nieuwenhuis steun.Maar er is meer.Diegenen die enige ervaring hebben met het vertalen van juridische teksten en commentaren, zullen weten hoe lastig dat is en hoe vaak er fouten worden gemaakt.Als wij voortaan alleen op Engels (en Amerikaans) zijn aangewezen, kunnen wij er zeker van zijn dat wij herhaaldelijk verkeerd worden voorgelicht over het recht van allerlei andere dan ‘Engels sprekende staten’, zelfs over ons eigen land.
    Ik hoef niet terug naar 1964, maar ben wel blij dat ik toen niet hoefde op te groeien als een eenzame, slecht(s) Engels lezende fool on the hill.

  7. Martijn Hesselink:

    Hans Nieuwenhuis heeft natuurlijk gelijk dat het mooi zou zijn als iedereen zoveel mogelijk talen beheerste. Zojuist las ik toevalling in Richard Rorty, Philosophical Papers, de volgende passage: ‘I should like to think that English-speaking philosophy in the twenty-first Century will have put the representationalist problematic behind it, as most French- or German-speaking philosophy already has.’ Na de Toren van Babel is het natuurlijk nooit meer echt goed gekomen. De enige realistische oplossing ligt echter inderdaad, zoals de NJBlog-redactie betoogt, in nog veel beter onderwijs in het Engels voor iedereen en overal (te beginnen in Frankrijk), zodat iedereen zich rechtstreeks (dwz zonder vertalingen!) in het Engels kan uitdrukken wanneer zij of hij zoveel mogelijk mensen wil bereiken.

    Het probleem van cultureel imperialisme is overigens wel reëel. Het is naïef te denken dat je met het Amerikaans niet ook iets van de Amerikaanse manier van denken over allerlei dingen overneemt. Daarin hebben de Fransen groot gelijk. Alleen brengen ze het meestal niet erg gelukkig. Bovendien is ook hier het Engels niet alleen het probleem maar ook de oplossing: de rest van de wereld moet het Engels overnemen en zo verbasteren en volstoppen met neologismen ontleend aan de eigen taal dat het Engels een echte wereldtaal wordt en niet langer vooral de taal is van de Amerikaanse way of life.

  8. Raymond Schlossels:

    Nieuwenhuis slaat de spijker op zijn kop! Taal en recht zijn zeer nauw met elkaar verbonden. Wie gelooft in een “verengelsing” van de rechtswetenschap heeft een wel erg simplistische voorstelling van de problematiek. Voor het bestuursrecht blijft het bijvoorbeeld van groot belang om kennis te nemen van Franse en Duitse literatuur en rechtspraak (en die zal heus niet integraal in het Engels beschikbaar komen). Iedere bestudering van Frans en Duits bestuursrecht – welk recht belangrijke bouwstenen heeft geleverd voor het Nederlandse bestuursrecht – via het Engels (of wat hiervoor moet doorgaan) leidt tot een verschraling van de inzichten. Sommige begrippen zijn vrijwel onvertaalbaar. Leg een Brit maar eens uit wat een Aufopferungsanspruch is. Tegen deze achtergrond is het onvoorstelbaar dat aan bepaalde Nederlandse rechtenfaculteiten (’law schools’) beleid (’policy’) is dat het voorschrijven van Duitse (en Franse) literatuur niet aan de orde is omdat studenten dat niet kunnen lezen. Een fraaie Europese en academische gedachte. Wel german administrative law maar geen Verwaltungsrecht of droit administratif. Wat een armoede…

  9. [...] http://www.njblog.nl/?p=54 [...]

Reageer