Op initiatief van de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten vond in juni 2007 in Den Haag een internationaal congres plaats over ‘The Accountability of Intelligence and Security Agencies and Human Rights’. Eurocommissaris Frattini, EHRM-raadsheer Myjer, minister-president Balkenende, onderkoning Tjeenk Willink – ze waren het allemaal eens over het belang van toezicht op diensten als de AIVD en de MIVD. Drie maanden later, tijdens een congres over Informatie en Opsporing met veel deelnemers van de Criminele Inlichtingen Eenheden (CIE) van de politie moest ik eraan terugdenken. Niemand had het toen over het belang van toezicht.
Een geheime dienst als de AIVD houdt zich bezig met het heimelijk vergaren, en vervolgens evalueren, analyseren en met elkaar in verband brengen van ruwe gegevens om bruikbare informatie aan te leveren ten bate van (politieke) besluitvorming op het vlak van de nationale veiligheid. De CIE’s houden zich op vergelijkbare wijze bezig met het heimelijk vergaren en vervolgens verwerken van ruwe gegevens maar dan met het doel om voor de opsporing bruikbare start- en sturingsinformatie aan te leveren.
Diensten die in het geheim optreden beschikken over een intern mechanisme om de rechtmatigÂheid van hun optreden te bevorderen. Binnen de AIVD is een aparte stafafdeling met die taak belast. Het politiële intelligence-werk wordt gecontroleerd door een speciale Officier van Justitie. Hoewel dergelijke CIE-officieren uiteraard geen politiefunctionarissen zijn, zijn zij ook geen buitenstaanders. Zij delen met de politiemensen de betrokkenheid bij een concrete zaak en – zeker met betrekking tot georganiseerde misdaad – ook het perspectief op opsporing. Aan het belang van de CIE-officieren wordt niet afgedaan, als we dat eerder zoeken in hun sturende dan in hun controlerende functie.
In het congres over de geheime diensten werden diverse vormen van externe toetsing besproken. De Inspecteur-Generaal voor de CIA noemde zichzelf de ogen en oren en het geweten van de opperbevelhebber. Dergelijke inspecteurs (die niet werken als bestuurlijke handhavers) zijn er vooral voor bemiddeling en advies. Te kritisch onderzoek is niet de bedoeling. Parlementaire commissies voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben een rol bij de sturing op grote lijnen, maar het ontbreekt politici aan tijd en deskundigheid om ook op details van de uitvoering van het inlichtingenwerk in te gaan. En rechters bieden weliswaar de ‘domestic remedy’ om inbreuken op mensenrechten te beoordelen, maar zij kunnen dat toezicht pas uitoefenen als kwesties aan hen worden voorgelegd. Vanwege deze beperkingen bestaan in diverse landen aparte commissies van toezicht om met gezag, onafhankelijkheid en deskundigheid de professionele praktijk op zijn rechtmatigheid te onderzoeken.
Voor de CIE’s hebben we geen inspecties, parlementaire of speciale commissies en het toezicht van de rechter is ook geringer dan menigeen denkt. Omdat CIE-materiaal volgens de systematiek van de CIE-officieren geen bewijsmateriaal is, lijkt het in rechte hooguit van belang om de rechtmatigheid te toetsen van de start van een opsporingsonderzoek. Soms gaat de rechter verder en laat hij zich diepgaand over de voorfase voorlichten. Dat gebeurt bijvoorbeeld als een informant lijkt te beschikken over belangrijke, de verdachte ontlastende informatie. Een goede officier zal in zo’n geval wel proberen de waarheid te achterhalen, maar het komt voor dat ontlastend materiaal niet aan de rechter (en daarmee aan de verdediging) wordt voorgelegd.1 In het beste geval is dat om de veiligheid van de informant en de belangen van de verdere opsporing te waarborgen. Ook onderzoek of een undercover operatie gepaard ging met de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en onze wet verboden provocatie (Tallon-criterium) is door de rechter lastig uit te voeren.
Daar komt bij dat de inlichtingenfase niet alleen lastig toetsbaar is, maar ook niet altijd rechterlijke toetsing vergt. Of het nu gaat om politiek gevoelige doorlatingen van drugs of het dito gebruik van criminele burgerinfiltranten, de rechter hoeft dat naar geldend recht niet uit te zoeken omdat hij er in de concrete strafzaak toch weinig of geen gevolg aan kan verbinden. Er ontstaan dan lastige discussies. Men bedenke dat de AIVD een gestuurde (al dan niet criminele) informant juist wel kwalificeert als een agent, om te garanderen dat de betrouwbaarheid van zo’n persoon driemaandelijks wordt getoetst. De CIE noemt een gestuurde informant echter gewoon informant, tenzij de opdracht wordt gegeven een strafbaar feit te plegen. Dat laatste wil de politiek niet: criminele burgerinfiltratie. Gevolg is dat men officieel zo weinig mogelijk wil weten over de informant uit angst ervoor aangezien te worden een criminele burgerinfiltrant te runnen. Je wilt dan niet weten of je een huurmoordenaar runt als informant, als hij maar betrouwbare informatie geeft.
Juist als we begrip hebben voor de dilemma’s van de CIE-officier moeten we onder ogen zien dat de zittingsrechter geen sys-tematische controle uitvoert op geheime opsporingstrajecten. Een ervaren CIE-officier sprak tijdens het congres in september van ‘een ongebreideld – ja zelfs onterecht – vertrouwen in de CIE’ bij de Raad van State2. Maar diezelfde officier sprak van gebrek aan kennis en wantrouwen jegens de CIE die zouden blijken uit twee arresten van het Hof Arnhem3. Deze scherpe (en onterechte) toonzetting die ik ook wel bij anderen hoor bij kritiek op de CIE, is op zich al een argument om de controle op de CIE te heroverwegen. Ik weet dat menig CIE’er niet onwelwillend staat tegenover een belangrijker rol voor de rechter-commissaris. Of men daaraan de voorkeur moet geven, of aan de invoering van een Commissie van Toezicht, kan hier in het midden blijven. Maar dat we ons opnieuw moeten verdiepen in de manier waarop de activiteiten van de politie in de inlichtingenfase worden gecontroleerd, staat voor mij vast. Juist ook om nodeloze schandaaltjes over doorlatingen en burgerinfiltranten te voorkomen.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2007/39.
Bron afbeelding: Tony the Misfit
- Hof Den Haag 5 juli 2007, NJFS 2007, 218. ↩
- Raad van State 18 juli 2007, zaak 200606025/1 (BIBOB-zaak). ↩
- Hof Den Haag (te Arnhem) 25 juni 2007, NJFS 2007, 232-233 (Goudsnip). (uitspraak 1 en uitspraak 2) ↩
{ 0 reacties }

