In zijn proefschrift over de Haagse samenleving in de 19e eeuw beschrijft Furneé de gehechtheid aan identificaties. Het vergt inspanning om de sociale kringen van Den Haag daaruit los te weken. Het Kurhaus, voor de echte chic, wordt wel toegankelijk gemaakt voor de beetje chique, maar arme referendarissen, maar niet voor de rijke ondernemers. Voor hen wordt de Seinpost opgericht. Het Kurhaus biedt zo op vreedzame wijze, al gaf het lokale onrust, een plek voor nieuwe identificatie. En het moest wel, want het Kurhaus had omzet nodig. De opkomst van de arbeidersklasse deed rond diezelfde tijd het geloof in één natie wankelen, en de integratie daarvan vergde meer. Argumenten alleen van de emanciperende klasse die tot wijziging van de machtsverhoudingen zouden leiden, zijn op het moment zelf zelden voldoende overtuigend. Het doorvoeren van veranderingen gebeurt vaak ook omdat het moet. Nu worden bepleite veranderingen tegengehouden met een beroep op nationaliteit. Maar is dat overtuigend?
Zoeken in de geschiedenis naar een identiteit van Nederland, levert geen argumenten voor een unaniem aanvaarde visie daarop. Nationale binding wordt wel gezocht in kennis van de Nederlandse geschiedenis of in de verbinding tussen trots en vaderlandse geschiedenis, maar dat spreekt ook niet iedereen aan. Het jonge vrouwelijke deel van de bevolking is, blijkens de voorstudie van Grever en Ribbens bij het recente rapport van de WRR, van de vaderlandse geschiedenis maar weinig gecharmeerd.
Iedereen heeft recht op zijn eigen identiteit. De grondrechten staan daar borg voor. De staat is gehouden grondrechten te respecteren en dat betekent onder andere dat mensen met elkaar van mening mogen verschillen, bijvoorbeeld over het begrip nationale identiteit. Opleggen van een door de overheid gekozen nationale identiteit zou daartegen ingaan.
De WRR stelt voor het begrip Nederlandse identiteit maar even te laten voor wat het is en pleit voor dynamische en meervoudige routes voor identificatie met Nederland. Daarbij spelen drie begrippen van identificatie: functionele, normatieve en emotionele. Vooral de functionele identificatie, via het werk en de school, acht de raad een goed uitgangspunt voor beleid. Identificatie als uitgangspunt biedt een frisse blik op de mogelijkheden om je Nederlander – in je eigen opvatting – te voelen.
Onder de identificaties lijkt de hechting aan het gebied waar men woont een eigen rol te spelen, die tot uitdrukking komt in ‘nationaliteit’, waarvan weer het paspoort de waarneembare erkenning is. De emotionele betekenis lijkt wel een andere te zijn dan vaak wordt aangenomen. Slechts 58% van de autochtone jongeren noemt zich in de eerste plaats Nederlander, anderen stellen bijvoorbeeld de woonplaats of de religie op de eerste plaats. Bij Marokkaanse, Turkse en Surinaamse jonge Nederlanders staat in overwegende mate de religie voorop.
Nationale identiteit is onvermijdelijk verbonden met wat de raad ‘normatieve identificatie’ noemt. ‘Normen en waarden’ plegen door de nationale wetgever te worden vastgesteld. In de kort door de bocht redenering kiezen de houders van Nederlandse paspoorten het Nederlandse parlement dat vervolgens de Nederlandse normen vaststelt. Tot het constitutionele recht behoort dat met opvattingen van minderheden door de meerderheid rekening wordt gehouden, al is dat niet in de Grondwet vastgelegd. In de discussie van allen met allen blijken nieuwkomers maar schaars aan het woord te komen. Voor een goede vertegenwoordiging van het volk, verdeeld als het is, moet het openbare debat voor meer mensen toegankelijk worden gemaakt. Het gaat immers niet alleen om het articuleren van opvattingen van de meerderheid. ‘De’ Nederlandse normen zijn minder vanzelfsprekend geworden volgens de raad.
En hoewel veranderen van normen niet eenvoudig is, vindt de WRR dat de normen zelf aan de orde moeten komen. Dat stuit op weerstand. Elke eenvoudige poging, als bijvoorbeeld wat soepeler omgaan met feestdagen, levert moeilijkheden op. Is het dé Nederlandse norm dat de huidige feestdagen moeten worden gehandhaafd, of is dé Nederlandse norm dat met opvattingen van grote minderheden bij het vaststellen van de feestdagen rekening wordt gehouden, mede gelet op het feit dat religie zo’n belangrijke bron van identificatie is?
In deze arena van lastigheden heeft het kabinet op 12 oktober aangekondigd een nieuw wetsvoorstel inzake de beperking van meervoudige nationaliteit naar de Tweede Kamer te sturen, onder intrekking van het liggende voorstel. De motivering van de brief waarin dit voornemen wordt aangekondigd, is bescheiden genoeg. De beperkingen van een meervoudige nationaliteit worden ingegeven door juridische en praktische motieven, niet principiële. Maar toch gaat het kabinet in op het rapport van de WRR. Doordat de nationaliteit deel uitmaakt van de persoonlijke identiteit, kan Nederlanderschap de deelname aan het maatschappelijk verkeer bevorderen. Meervoudige nationaliteit hoeft daaraan niet in de weg te staan. Dat is maar gelukkig ook, gezien het feit dat volgens de voorstudie van Grever en Ribbens er meer dan 1 miljoen mensen met 2 paspoorten in Nederland leven.
Bovendien is de wetgever gebonden door een Europese norm. Ingevolge artikel 16 van het Europees Nationaliteitsverdrag mag niet worden gevergd dat iemand de nationaliteit van het land van herkomst opgeeft indien hij daardoor onevenredig nadeel lijdt.
Het kabinet stelt onder andere voor een dubbele nationaliteit niet langer te vermelden bij de uittreksels uit het bevolkingsregister, tenzij de burger daarom uitdrukkelijk vraagt. Burgers die niet de hele tijd op hun dubbele nationaliteit in technische zin willen worden aangesproken, krijgen daardoor een steuntje in de rug.
Verder wil het kabinet de dubbele nationaliteit niet tegen de klippen op onmogelijk maken. Het Nederlanderschap wordt beschreven in termen die recht doen aan het begrip. Mensen hebben recht op een paspoort. Het belang van het Nederlanderschap wordt niet overdreven: je kunt je Nederlander voelen met een meervoudige nationaliteit. Het wordt ook niet onderschat: het Nederlanderschap kan een aanknopingspunt zijn voor verdere emotionele identificatie. De beperkingen op de meervoudige nationaliteit worden dan ook niet opgeklopt, terwijl ontneming van de nationaliteit alleen aan de orde is bij schending van de staatsbelangen.
Te hopen is dat het debat over het voorstel zo verloopt dat het het zoeken naar gemeenschappelijke identificaties binnen Nederland niet schendt en de blik eindelijk kan worden gevestigd op de ontwikkeling van basiscondities voor grensoverstijgende vormen van identificatie.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2007/40.
Bron afbeelding: LucasTheExperience
{ 1 reactie }


{ 1 trackback }