De Nederlandse Mededingingsautoriteit bestaat 10 jaar. Ter gelegenheid van dit heuglijke feit vond onder de titel “Trust and Antitrust” onlangs een congres plaats waar een bundel met dezelfde titel werd aangeboden. 16 Miljoen Nederlanders zouden de NMa dankbaar moeten zijn voor de geboden bescherming van de markt vormde de kern van de feestredes. Euro-commissaris Kroes profileerde zich als econoom en prees uitvoerig de founding fathers van Europa, die vijftig jaar geleden zo vooruitziend waren geweest om enerzijds het vrije verkeer – de vrije markt – en anderzijds de mededinging – de marktwerking – als basis voor de Europese vast te leggen. Deze klemtoon op de economische grondslag van het Europese gedachtegoed is gerechtvaardigd. Europa heeft steeds een sterk economische invalshoek gekend en de sociale kant is van latere datum: het was december 2007 dat het Hof van Justitie heeft uitgesproken dat het economische en het sociale doel van Europa gelijkwaardig zijn.
Wat ook van de sociale kant van Europa zij, de ontwikkeling van Europese markt en de marktwerking is voor een belangrijk deel afhankelijk geweest van een krachtig juridisch kader. Het Hof van Justitie heeft de handhaving van de vrije markt en de bescherming van de marktwerking versterkt. Voor de NMa vormt het juridische kader van het mededingingsrecht een belangrijk steunpilaar. Deze verbinding tussen ‘economie’ en ‘recht’ kwam tijdens het congres aan de orde toen aan de voorzitter van de Raad van Bestuur van de NMa Pieter Kalbfleisch de vraag werd gesteld hoe hij zich als jurist voelde in – en ik parafraseer – de tempel van het economische denken die de NMa is. Zijn antwoord luidde dat hij gelukkig was met zijn achtergrond als rechter. Hij stelde dat juist die achtergrond hem hielp om zaken van alle kanten te bekijken. Deze relativering vind ik om meerdere redenen van belang.
De NMa heeft als doel om verstoring van de markt tegen te gaan. Preventief toezicht op fusies en het waken tegen marktbederf door kartelafspraken vormen daarbij belangrijke taken. De filosofie is dat op een vrije markt een optimaal aanbod ontstaat en de afnemers tegen de laagste prijzen kunnen kiezen: Pareto-optimaliteit.
De markt is echter onderworpen aan verstorende krachten. Marktwerking vooronderstelt concurrentie, maar monopolievorming en samenwerking kunnen concurrentie teniet doen. De media-aandacht gaat uit naar de rol van Microsoft en naar spraakmakende kartelzaken, zoals het bierkartel. Daarbij blijft echter onzichtbaar dat beperking van de concurrentie door samenwerking niet alléén berust op kartelvorming. Onlangs lekten notulen uit waaruit bleek dat de Rijksgebouwendienst vindt dat de prijzen waarop aannemers intekenen op bouwprojecten onevenredig hoog zijn. Ook op de mobiele telefoonmarkt heeft de Europese commissie ingegrepen tegen hoge prijzen, zonder dat gesproken werd over marktbedervende afspraken. De prijs die alle individuele aanbieders op de markt vroegen was gewoon te hoog. Het gaat hier om impliciete onderlinge afstemming van gedragingen waardoor het Pareto-optimum niet haalbaar is. Voor wie inzicht wil krijgen in de mechanismes die ondanks concurrentie tot samenwerking leiden, vormt het boek “The Evolution of Co-operation” van Axelrod een interessante studie. Tot in de loopgraven van de Eerste wereldoorlog bleken strijdende partijen ook zonder expliciete afspraken hun gedrag op elkaar af te stemmen. Cooperatie vormt diep in onze evolutie geworteld menselijk gedrag.
Ook de stelling van de public choice theorie dat mensen in hun handelen primair gericht zijn op economisch gewin en om die reden steeds voor de laagste prijs kiezen, heeft een zwakke empirische basis. Onderzoek heeft aangetoond dat bij veel economische keuzes bij voorbeeld rechtvaardigheidsbeleving minstens zo belangrijk is als geldelijk gewin. Onderzoek naar gedrag van mensen wijst uit dat irrationele factoren een niet te onderschatten rol spelen bij het maken van keuzes. Beide factoren – samenwerking tussen concurrenten en de niet puur-economische bepaalde keuze van consumenten – relativeren de zekerheid die wij kunnen hebben over de effecten van marktwerking.
Met deze relativeringen wordt het werkterrein van de NMa er alleen maar interessanter op. De totstandkoming van de Mededinginswet tien jaar geleden en de oprichting van de NMa hebben voor consumenten voordelen gebracht. Maar is dat effect voldoende meetbaar? Duidelijk is dat de krachten die werkzaam zijn op de markt – zowel Europees als nationaal – veel complexer zijn dan de economische theorie zichtbaar maakt. De Paretoverbetering valt moeilijk in de praktijk te implementeren. Het wekt dan ook geen verwondering dat het blijkens de bijdrage van Cees van Gent aan de bundel Trust and Antitrust moeilijk is om de effecten van het marktwerkingsbeleid over de laatste 10 à 15 jaar met harde cijfers zichtbaar te maken. Volgens hem treden naast de beoogde effecten conflicterende effecten van de marktwerking op. Ook Jules Theeuwes concludeert dat we maar bar weinig weten over de effecten van een betere ordening van de markt.
Met deze relativering in het achterhoofd is het belangrijk dat het mededingingsrecht niet al te rechtlijnig wordt toegepast. Bij de redengeving voor interventies van de NMa is het van groot belang dat de relatieve waarde van de economische fundering van interventies afgewogen wordt tegen andere belangen, zoals rechtszekerheid en handelingsvrijheid. Het is om die reden dat niet alleen de NMa een felicitatie verdient met 10 jaar mededingingsrecht, maar ook met een voorzitter die bereid is om de zaken niet alleen van een economische kant maar van alle kanten te bekijken.
Maar er blijft nog wel wat te wensen. In de afweging van de NMa mag het milieu geen enkele rol spelen en ook waarden als duurzaamheid blijven buiten de deur bij de sectorale economische afweging die de NMa moet maken. Hoe kijken we tegen die beperkingen over tien jaar aan?
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/11.
Bron afbeelding: wallyg
{ 1 reactie }



{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }
In de eerste paragraaf van het Vooraf over Mededinging staat dat 16 miljoen Nederlanders de NMa dankbaar moeten zijn voor de geboden bescherming van de markt.
Het is toch vreemd dat deze woorden in de feestrede worden gezegd als er in een bundel, die dezelfde titel draagt, andere conclusies naar voren komen.
Naar aanleiding van de bijdrages van Cees van Gent en van Jules Theeuwes kan de lezer niet eenvoudig de conclusie trekken dat 16 miljoen Nederlanders de NMa dankbaar moeten zijn.
Volgens Cees van Gent is het moeilijk om de effecten van het marktwerkingsbeleid over de laatste 10 à 15 jaar met harde cijfers zichtbaar te maken.
Ook Jules Theeuwes concludeert dat we maar bar weinig weten over de effecten van een betere ordening van de markt.
Het is opmerkelijk dat dit onderscheid tussen de woorden uit de feestreden en de bijdrages uit de bundel ‘Trust and Antitrust’ zich voordoet.
Wellicht was het meer gepast geweest als er niet in de feestrede werd aangehaald dat 16 miljoen Nederlanders de NMa dankbaar moeten zijn.