Misverstanden omtrent het recht op erkenning van fouten

door Coen Drion

op 9 juni 2008 in Vooraf

Afbeelding bij Misverstanden omtrent het recht op erkenning van fouten

Op het grensvlak van aansprakelijkheidsverzekering en het al dan niet vrije spreekrecht van de verzekerde laedens heersen twee hardnekkige – en tegengestelde – misverstanden. Enerzijds is nog steeds wijdverbreid de notie dat, daar waar de polis het verbiedt om bijvoorbeeld aansprakelijkheid te erkennen of anderszins uitingen te doen die de positie van de verzekeraar zouden kunnen schaden, een dergelijk verbod geldig is. Dit leidt in de praktijk niet zelden tot een krampachtig zwijgen van bijvoorbeeld artsen of advocaten over door hen gemaakte beroepsfouten. Anderzijds bestaat bij de rijksoverheid, met name bij de verantwoordelijke minister, al jaren het minstens even hardnekkige misverstand dat het nieuwe verzekeringsrecht dit probleem inmiddels geheel zou hebben opgelost. Ook zeer recentelijk nog, in zijn brief van 23 mei 2008 aan de Tweede Kamer over patiënten- en cliëntenrechten, vinden we dit standpunt terug.1

Centraal staat artikel 7:953 BW, dat luidt als volgt: ‘Indien een verzekering tegen aansprakelijkheid bepaalde erkenningen door de verzekerde verbiedt, heeft overtreding van dat verbod geen gevolg voor zover de erkenning juist is. Een verbod tot erkenning van feiten heeft nimmer gevolg.’. Met betrekking tot het eerste misverstand zou het goed zijn indien dit artikel bredere bekendheid zou genieten en – vooral – indien verzekeraars eens zouden ophouden om polisvoorwaarden te dichten die flagrant in strijd zijn met deze bepaling van dwingend recht of die de grenzen ervan proberen op te zoeken.2 Hier ligt een taak voor de verantwoordelijke toezichthouder (de AFM) om nu op zeer korte termijn handhavend op te gaan treden. Verzekerden, waaronder soms zelfs gerenommeerde advocatenkantoren, gaan er te vaak nog vanuit dat verboden op het innemen van standpunten over het maken van fouten en aansprakelijkheid in dat verband inderdaad geldig zijn en hierdoor worden slachtoffers van fouten ten onrechte nog verder geslachtofferd en vindt onnodige juridisering plaats.

Artikel 7:953 BW zet dus wel een stap in de goede richting, maar kan nu gezegd worden, zoals de Minister doet, dat hiermee alle problemen zijn opgelost? Verre van dat, zou ik menen. Met betrekking tot erkenning van aansprakelijkheid staan er in artikel 7:953 BW allereerst die vervelende woorden ‘voor zover’, die ertoe nopen dat alleen in evidente gevallen foutenmakers aansprakelijkheid zullen (mogen) erkennen. Voorts geldt, zoals ook Frenk (zie voetnoot 2) schreef, dat de grens tussen erkenning van feiten en erkenning van aansprakelijkheid veelal flinterdun is, zo die grens al te trekken is. Ook dat leidt ertoe dat het risicovol is voor verzekerde foutenmakers om maximale openheid te betrachten jegens hun slachtoffers, terwijl zij daartoe in een aantal gevallen zelfs wettelijk of tuchtrechtelijk verplicht zijn (zie artikel 7:448 BW voor de geneeskundige behandelingsovereenkomst en Gedragsregel 11 voor de advocatuur).

Uit allerlei onderzoeken3 blijkt hoe heilzaam maximale openheid werkt, voor de slachtoffers, voor de betrokken foutenmakers en ook voor de verzekeraars (omdat die openheid het gevaar van claims en lange procedures significant verkleint). Indien dat waar is, dan moeten we ook uit dien hoofde toe naar een verdere aanscherping van de toepasselijke wettelijke regelingen en volstaat artikel 7:953 BW niet, anders dan de Minister meent, hoewel misschien zelfs nu al met kracht van argumenten betoogd zou kunnen worden dat die maximale openheid rechtens geboden is.4

Ik zou willen bepleiten dat artikel 7:953 BW als volgt zou hebben te luiden: ‘Indien een verzekering tegen aansprakelijkheid uitingen door de verzekerde omtrent feiten of aansprakelijkheid met betrekking tot het schadetoebrengende evenement verbiedt, is een dergelijk verbod nietig. Het enkele feit dat de verzekerde feiten of aansprakelijkheid erkent, bindt de verzekeraar niet.’. Hiermee zou wat mij betreft het juiste midden kunnen worden gevonden tussen enerzijds het belang van alle betrokkenen bij maximale openheid en anderzijds het belang van de verzekeraar om niet op voorhand gebonden te zijn aan alles wat de verzekerde in dat verband aan uitingen doet.5

Misverstanden in en om het recht dienen zo snel mogelijk verholpen te worden. Wat mij betreft moeten toezichthouder en wetgever direct in actie komen, de eerste om, waar nodig, bestaande polissen zo snel mogelijk aangepast te krijgen aan het huidige artikel 7:953 BW en de tweede om dit artikel zodanig aan te scherpen dat aan de belangen van alle betrokkenen bij maximale openheid rondom schadetoebrengende evenementen werkelijk recht wordt gedaan.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/24.

Bron afbeelding: Piulet

  1. Kamerstuk, vergaderjaar 2007-2008, 31 476, nr. 1, op pagina 24. Zie eerder ook Kamerstukken II 2005-2006, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 1594.
  2. Een zeker voorbeeld kan genomen worden aan Medirisk die haar voorwaarden per 1 januari 2006 heeft aangepast. Zie hierover, en over tal van andere aspecten rondom de hier te bespreken problematiek, J. Legemaate, Recht op informatie over fouten van artsen, Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade 2007, p. 1 – 4. Zie ook N. Frenk, De loslippige arts, AV&S 2006, p. 137.
  3. Zie het in noot 2 genoemde artikel van Legemaate, waarin ook nog belangwekkende bijdragen van bijvoorbeeld Van Everdingen, Van Maanen en Hartlief aan deze discussie worden genoemd. Zie ook Alex Brenninkmeijer, Schuld, NJB 2006/33, p. 1884.
  4. Dat zou gefundeerd kunnen worden op het samenstel van HR 19 oktober 2007, C06/123HR (Vodafone/ETC) en HR 20 mei 1994, RvdW 1994, 113 (De negende van OMA). In het eerste arrest heeft de Hoge Raad de Baris-Riezenkamp-regel uitgebreid tot de uitvoeringsfase van de overeenkomst (zie echter in andere zin Grosheide in het komende nummer van Contracteren) en uit het tweede arrest kan worden afgeleid dat de redelijkheid en billijkheid, mede in het licht van artikel 3:12 BW, ertoe kan leiden dat ook de verzekeraar gehouden is om rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van derden (en van zijn verzekerde).
  5. Zie ook Hof Arnhem, 2 december 2003, LJN AO0863, tevens genoemd in Legemaate en Frenk, a.w.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: