Hetze of journalistieke vrijheid

door Folkert Jensma

op 23 september 2008 in De Uitspraak

Afbeelding bij Hetze of journalistieke vrijheid

Moet een webpublicatie toestemming hebben om iemand met naam en toenaam te beschrijven? De rechtbank Den Bosch dwingt een website tientallen artikelen te verwijderen.

De zaak. Een discussieplatform voor actiegroepen op internet wijdt tientallen artikelen aan een zakenman. Twaalf jaar geleden was de man gehoord in een groot strafrechtelijk onderzoek naar Johan de V. alias ‘de Hakkelaar’. De website, Kleintje Muurkrant, ziet een verband met het beleggingsfonds Terra Vitalis dat de zakenman sindsdien exploiteert. De zakenman eist verwijdering van zijn naam en een verbod voor de toekomst.

Waarop is de eis gebaseerd?

De zakenman vindt dat de Wet Bescherming Persoonsgegevens de redactie verplicht om hem toestemming te vragen om zijn naam te publiceren. Nu dat niet is gebeurd lijdt hij schade, ook omdat zijn goede naam is aangetast. De manier waarop hij wordt genoemd vindt de zakenman feitelijk onjuist, niet ter zake en onvolledig. De redactie handelt onrechtmatig, zegt hij.

Hoe verweert de redactie van kleintje Muurkrant zich?

Die beroept zich op de wettelijke uitzondering op de plicht om toestemming te vragen, namelijk als er een ‘aantoonbare noodzaak’ is. Die noodzaak is journalistiek van karakter. De zakenman is beheerder van een beleggingsfonds in teakplantages op Costa Rica en belooft verdacht hoge rendementen. De Autoriteit Financiële Markten heeft dit fonds, Terra Vitalis, in onderzoek. De redactie vindt dat het de man met naam mag beschrijven op basis van journalistieke maatstaven.

Hoe beoordeelt de rechter het verweer?

Die vindt dat er geen sprake is van een ‘noodzaak’ om de naam van de zakenman te noemen. De man is destijds namelijk niet vervolgd als gevolg van het Octopussy-onderzoek. De informatie die de website ophaalt vindt de rechter ‘erg gedateerd en weinig relevant’. Daar mag een publicatie niet op terug komen. ‘Het zou te dol voor woorden zijn als iedereen die ooit in een strafrechtelijk onderzoek is gehoord maar nooit is vervolgd, dat nog decennia later in besmuikte zin op internet tegengeworpen krijgt.’

Ook vindt de rechter niet dat de website zich bezig houdt met degelijke objectieve informatieverzameling zoals de omschrijving van ‘noodzaak’ in de wet luidt. Eerder het tegenovergestelde. De rechter zegt dat de ‘toonzetting en bewoordingen’ die de site gebruikt duiden op ‘een vorm van hetze’. Het actuele maatschappelijke belang, de teakbeleggingen, wegen niet zwaar. De Autoriteit Financiële Markten heeft de vergunningen van de zakenman immers niet ingetrokken.

Wat is het oordeel?

Er is sprake van ‘lichtvaardig en onrechtmatig herhalen van persoonsgegevens’. De naam van de zakenman moet van de site af. Maar een verbod op herhaling in de toekomst zou censuur betekenen. Dus die eis wordt niet toegewezen.

Wat was het gevolg?

De website verwijdert knarsetandend een hele reeks artikelen over Terra Vitalis. De sitebezoekers krijgen te horen dat de Raad van Toezicht van het omstreden fonds wordt voorgezeten door een plaatsvervangend raadsheer van het aanpalende Gerechtshof Den Bosch. ‘Mogen we daaruit enige conclusie trekken? Nee. Maar God hoort ons brommen.’ Het beleggingsfonds ging eind augustus failliet.

Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur. Reacties verschijnen op beide sites.

Bron afbeelding: andrea joseph’s illustrations

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 7 reacties }

{ 6 reacties… lees hieronder of reageer }

3 Martin Holterman 23 september 2008 om 18:13

L.S.,

Inderdaad, het merkwaardige hier is de vermening van privacyrecht en het recht omtrent aantasting van eer en goede naam. Daar komt nog bij dat de rechter zich hier een oordeel aanmatigt over de journalistieke kwaliteit van het werk van gedaagde. (rov 4.3.1: “weinig relevant”, rov 4.3.3 “een vorm van hetze”) Rov 4.3.2 is natuurlijk helemaal mis: Het feit dat de AFM geen aanleiding heeft gezien om eiser aan te pakken is nou net wat gedaagde aan de kaak heeft willen stellen.

Het voordeel van de rechtsregels over aantasting van eer en goede naam is nou juist dat de rechter zich niet over dergelijke inhoudelijkheden hoeft uit te spreken. Hij kan gewoon de stappen volgen: 1. Is de uitspraak lasterlijk? 2. Kan gedaagde haar uitspraken voldoende met bewijs onderbouwen? 3. zo niet, is er dan een andere rechtvaardiging? Het enige subjectieve element is de vraag in hoeverre de gedaagde in het kader van de persvrijheid het voordeel van de twijfel moet worden gegund. (Zoals in de VS onder New York Times v. Sullivan.)

Tenzij het woord “Noodzaak” uit de Wbp erg streng wordt geïnterpreteerd (wat zou inhouden dat er zelden of nooit sprake is van noodzaak), betekent toepassing van deze wet op journalistieke publicaties altijd een inhoudelijke toetsing door de rechter, en dat lijkt me iets dat, op z’n zachtst gezegd, niet goed past in ons democratisch systeem.

4 Tico van Hout, ondernemer 23 september 2008 om 20:35

Voor het juist voeren van deze discussie is het van belang te weten dat het beleggingsfonds niet failliet is verklaard. Dit wordt ten onrechte in dit artikel gesteld. Wel is een bedrijf dat het fonds in Nederland verkocht in die periode failliet gegaan. Dit bedrijf had geen banden met het in dit artikel genoemde zakenman.

5 Fred van Overbeeke 30 september 2008 om 17:31

Gezien de verhoogde omloopsnelheid van de ‘Uitspraak’-casussen op dit weblog (nrc.nl/uitspraak – red.) – ik dacht dat het de bedoeling was er één te plaatsen in de twee weken – moet ik me haasten om alsnog een beschouwing toe te voegen. Dat is nodig. Want eigenlijk vind ik dat de voorgaande reacties de kern van de zaak niet raken. Betrokkene beroept zich namelijk uitdrukkelijk op de Wet bescherming persoonsgegevens. Hij legt dus uitsluitend deze wet ten grondslag aan zijn vordering, en zijn eis behelst slechts om zo snel mogelijk zijn persoonsgegevens te doen verwijderen van de website. Daar heeft hij recht op gelet op de bepalingen van de Wbp. Hij heeft immers aan Kleintje Muurkrant geen toestemming gegeven.

Maar de Wbp stelt wel enkele voorwaarden. Aangezien de Wbp aan de ‘verantwoordelijke’ (zo noemt de wet degene die de website beheert) het recht geeft om aan te tonen dat hij over een rechtvaardigingsgrond beschikt – die bovendien een milder regime kent ten aanzien van ‘journalistieke uitingen’ – voert betrokkene v.d. M. (we zullen hem X noemen) een aantal argumenten aan om de rechter in de gelegenheid te stellen die rechtvaardigingsgrond – dus de ‘aantoonbare noodzaak’ om zonder toestemming tot publicatie van persoonsgegevens over te gaan, te beoordelen en te toetsen aan de Wbp. Onder meer geeft X aan, voorzien van bewijsstukken, dat de in de publicaties vermelde persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig en niet ter zake dienend. Daardoor lijdt hij schade en wordt zijn goede naam aangetast. Daarmee kan de rechter aan de slag.

Let wel, anders dan bij een vordering op grond van onrechtmatige daad die moet leiden tot bijvoorbeeld een veroordeling wegens aantasting van eer en goede naam, een rectificatie en een schadevergoeding, is de vordering van X slechts gericht op verwijdering van de website van zijn persoonsgegevens. Niet méér.

Wat mij er toe beweegt om nu nog – ondanks het feit dat redacteur Folkert Jensma inmiddels aan de lopende band nieuwe Uitspraken ter commentariëring genereert – terug te komen op deze casus, vindt zijn oorzaak in de hier op dit weblog gepubliceerde reacties. Ik ben bang dat bijvoorbeeld inzender Alberdingk Thijm de verkeerde conclusie trekt als hij stelt: “Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een inbreuk op de privacy is het daarom van belang om eerst vast te stellen wat het rechtsobject is waarvoor de bescherming wordt ingeroepen. In dit geval gaat het om de bescherming van de eer en goede naam”. Dat lijkt me geen juiste gevolgtrekking.

Misschien dat die eer en goede naam speelt in het hoofd van aanlegger X, maar het kenbare rechtsobject in dezen is toch bescherming tegen het ongewenste gebruik van persoonsgegevens waarvoor de Wet bescherming persoonsgegevens in 2000 in het leven is geroepen. Dat verzoek honoreert de rechter dan ook. Na toetsing van de aangevoerde argumenten aan de wet veroordeelt de rechter Kleintje Muurkrant om de personalia van X binnen vijf dagen na vonnis van de website/forum te verwijderen.

Gelet op het voorgaande worden naar mijn mening in de hier geplaatste reacties dan ook onjuiste conclusies getrokken ten opzichte van de voorzieningenrechter die zich immers niet geplaatst ziet voor een vermeende schending van eer en goede naam, maar voor de toepassing van de Wbp. Deze overigens nog weinig gehanteerde wet (ook al zijn er inmiddels interessante zaken geweest op het gebied van inzagerecht)is niet in een handomdraai tot stand gekomen en ziet ook op de nodige waarborgen voor een eventuele voorrangspositie van de uitingsvrijheid. Regels daaromtrent zijn expliciet gemaakt in de aangehaalde Richtsnoeren (december 2007) waarin tevens wordt verwezen naar de actuele rechtspraak op het terrein van botsende grondrechten.

Eigenlijk vind ik het jammer dat de (helaas schaarse) beschouwingen zich hier niet hebben toegespitst op de Wbp, die immers strekt ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de publicatie van persoonsgegevens. De memorie van toelichting stelt dat de wet hoognodig is om de belangen van de burger op het gebied van elektronische verwerking, zoals internet, te beschermen. Ik citeer: “Sinds enige tijd maakt de omvang van de informatie en het gemak waarmee deze verkregen en verspreid kan worden een welhaast exponentiële groei door. Met behulp van geautomatiseerde zoeksystemen kan nu of in de naaste toekomst op nagenoeg elke werkplek of huiskamer een vrijwel onbegrensde hoeveelheid informatie snel worden geraadpleegd”. De memorie stamt uit 1998, dus is eigenlijk al achterhaald. Want de omvang van internet is inmiddels uitgedijd tot een wereldomspannend netwerk waarin – veelal blijvend! – miljarden en miljarden gegevens zijn opgeslagen en eenvoudig raadpleegbaar zijn gemaakt. In de memorie wordt gewaarschuwd dat er gevaren zijn die de menselijke waardigheid kunnen aantasten. Ik citeer: “Eén van de schaduwzijden van de informatiemaatschappij is de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer die het gevolg kan zijn van een ongebreidelde vergaring, bewerking en verspreiding van persoonsgegevens”

Persoonsgegevens zijn nu op grond van de Wbp onderwerp geworden van regelgeving. En de doelstelling van deze wet is eigenlijk de burger een wat gemakkelijker toegang tot het recht te geven. Want wie vandaag ruzie heeft met zijn buurman kan morgen op internet lezen dat hij een pedofiel is, want een website is snel aangemaakt en anders kan er wel ergens anders op een website waar men het niet al te nauw neemt een plek worden gevonden. Wie dat overkomt staat voor de brandende vraag: krijg deze publicatie er maar eens af zonder advocaatkosten en zonder ongemak. In het huidige rechtssysteem lukt dat niet. Er zijn dus hoognodig regels nodig die efficiënter en effectiever kunnen worden toegepast. Hier in de onderhavige casus moest dat nog via dagvaarding. Ik heb begrepen dat ook verzoekschriftprocedures in de Wbp zijn voorzien. Gaarne doe ik een oproep aan de advocatuur om zich in deze wetgeving en procedures te verdiepen, en in voorkomend geval aan cliënten te adviseren. Er is op dit gebied dringend jurisprudentie nodig. Want, let wel, het gaat in dit soort zaken niet altijd om eer en goede naam, rectificatie en schadevergoeding, zoals onlangs nog in de zaak van Connie Breukhoven (LJN BD 5538). Nee, veelal willen slachtoffers niets liever dan zo snel mogelijk hun naam van dat beeldscherm zien verdwijnen, zodat zij kunnen terugkeren in de anonimiteit van de samenleving. Méér niet!

Ik vond het wel aardig dat Corien Prins in haar laatste alinea er voor pleit in ieder geval op internet wederhoor toe te passen. Die blijft dan óók – evenals de beschuldiging – nog jarenlang op internet te vinden. Tsja, dat is nu juist wat de Wbp wil voorkomen. Eigenlijk willen slachtoffers die ten onrecht hun personalia op internet gepubliceerd vinden, helemaal niet op internet reageren en helemaal niet nog jaren hun naam zien opdoemen – ze willen er van áf.

Misschien ben ik wat uitvoerig hier geweest. Maar ik dacht dat ondanks de wat hetzerige kop en die eeuwig er bij gesleepte journalistieke vrijheid, deze ‘Uitspraak’ hopelijk tot enige fundamentele beschouwingen ten aanzien van de Wbp en de bescherming van de burger zou leiden. Het begint soms op internet op kafkaiaanse toestanden te lijken.

Mogen we nog reacties tegemoetzien?

6 Onno de Boer 25 oktober 2008 om 11:00

Ik sluit mij aan bij de voorgaande reactie van Fred, dit is een belangrijke discussie. Echter nieuwe wetgeving zal m.i. niet helpen vanwege het vaak grensoverschrijdende karakter van internet zelf.

M.a.w: de techiek leent zich er niet voor, en men wijkt nu al massaal uit naar buiten nederland gehoste websites (is dat de reden dat bv. HVV nog steeds niet vervolgd is voor bv. Opruiing omdat zij een .com domein gebruiken?)

Wat dat betreft is KM een ‘nette’ publicatie en mag de eiser van geluk spreken dat de site kennelijk in Nederland is en ook aanspreekbaar is.

Want had men de desbetreffende site bijvoorbeeld in de verenigde staten gehost, had men dan ook de KM publicatie in rechte kunnen betrekken?

Reageren

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: