Oordelen over kunst

door Inge van der Vlies

op 6 oktober 2008 in Vooraf

Afbeelding bij Oordelen over kunst

Over kunst mag de overheid niet oordelen. Zo zei Thorbecke, en hij vond hij dat de overheid de kunst niet zou mogen subsidiëren. Het Thorbecke-beginsel is lange tijd zo vertaald dat de politiek zich geen oordeel over kunstuitingen mocht aanmatigen. Maar dat alles schuift. De Minister van Cultuur wordt gevraagd te interveniëren als er in de ogen van sommige kamerleden schunnige beelden of te satirische programma’s over het Koninklijk Huis worden uitgezonden. De Minister houdt dat terecht af. Overheidsbemoeienis wordt echter niet geheel geschuwd. De overheid subsidieert op aanvraag, maar bedenkt ook zelf projecten, zoals een Nationaal Historisch Museum. De initiële kosten daarvan werden beraamd op 60 miljoen Euro, 12 miljoen Euro volgt. Opvallend is dat er geen beleidsplan voor dit museum was, de verwachtingen waren toch positief. En aan de criteria van het geldend cultuurbeleid, als cultureel ondernemerschap, zal het vermoedelijk wel gaan voldoen. Cultureel ondernemerschap is een belangrijk criterium. De publieke omroep mag in haar handjes knijpen, want volgens de Algemene Rekenkamer is, blijkens het rapport Publieke omroep in beeld, in het algemeen efficiënt en doelmatig met het geld omgegaan.

Volgens de Commissie Cultuurprofijt in haar advies Meer draagvlak voor cultuur is cultureel ondernemerschap een houding. Zij is erop gericht zoveel mogelijk kunstzinnig, artistiek, cultureel, zakelijk en maatschappelijk rendement te halen uit culturele voorzieningen. De cultureel ondernemer opereert vanuit de eigen artistieke ambities, maar houdt tegelijkertijd rekening met de verkoopbaarheid, toegankelijkheid en publieksvoorkeuren. Er zijn percentages vastgesteld voor de verhouding tussen eigen inkomsten en subsidie. Die benadering reduceert het belang van het oordeel over de artistiek kwaliteit. En hoewel de commissie en de minister onderstrepen dat cultureel ondernemerschap een middel is om een doel te bereiken, blijft het doel vaag. Is het doel geaccepteerde kunst te maken of om goede kunst te maken? De Algemene Rekenkamer kan tevreden zijn met de besteding van de publieke middelen, de kijkcijfers kunnen zijn gestegen, maar de essentiële vraag is natuurlijk: zijn de uitzendingen beter geworden? Daarvoor is een oordeel over de kwaliteit van de programma’s nodig. Hoe geef je dat oordeel? Nu spelen netcoördinatoren daarbij een belangrijke rol. Zij laten de kijkcijfers zwaar meewegen. Dat maakt dat het oordeel over de kwaliteit in belangrijke mate wordt bepaald door de kijkcijfers. Door het draagvlak voor de programma’s de meetlat voor de kwaliteit te maken, ontstaat zekerheid. Veel mensen gaan immers akkoord.

Doordat het oordeel over de kwaliteit, anders dan als meerderheidsoordeel, zo onder vuur ligt, gaan alle instanties die subsidiëren op basis van een kwaliteitsoordeel over cultuuruitingen of andere prestaties naar zekerheid zoeken. Sommige subsidiënten eisen dat voorstellingen vaak worden gegeven. Het ontwikkelen van nieuwe voorstellingen jaagt de kosten omhoog. Subsidiënten vinden ontwikkelen van nieuwe programma’s of nieuwe inhoud kennelijk inefficiënt.

Dat veel mensen positief oordelen is een bron van zekerheid. Dat de Algemene Rekenkamer positief oordeelt ook. Regulering van subsidies voor de kunst en andere doelen van algemeen belang wordt zo strak mogelijk. Instellingen moeten bij voorkeur over een reeks van jaren professioneel hebben gepresteerd. Kunst moet over het land worden verdeeld. Voor iedere regio is er het eigen symfonieorkest en voor elke grotere stad is er de eigen schouwburg en de eigen theatergroep. Regulering is er ook al voor de arbeidsomstandigheden: kunstenaars en decorbouwers mogen niet te lang werken en niet te zwaar tillen. Daar kan ook een objectief rapport over worden geschreven.

Het oordeel over kunst wordt meetbaar gemaakt. Het lijkt dan net of er volledig aan het Thorbecke-beginsel wordt voldaan. Er wordt, als dat het geval zou zijn, immers geen oordeel meer over de kwaliteit van de kunst gegeven, maar alleen nog maar over aanpalende factoren. Hoe is het met het geld en hoe is het met het publiek? Waar worden de voorstellingen gegeven en voor wie? De wellicht aantrekkelijke schijn bedriegt. Kunstinstellingen buigen naar de gewenste richtingen en andere die niet aan deze eisen kunnen voldoen, dreigen in een marginale positie te worden geduwd of te verdwijnen.

Door kunstinstellingen te omschrijven als culturele ondernemers is het accent gelegd op het ondernemerschap. Je kan het accent ook leggen op het kunstenaarschap: ondernemende kunstinstellingen. En je dan de vraag stellen wat de pluskanten van die soort instellingen zijn. Ze zijn creatief, innovatief en uitdagend. De meeste kunstenaars werken voor betrekkelijk weinig geld en weten zich omringd door veel vrijwilligers, onder meer voor het verrichten van ondersteunende activiteiten, bestuurlijke dienstverlening en het verlenen van bedrijfskundig, commercieel, communicatief en juridisch advies. De werkwijze biedt misschien een voorbeeld voor het bedrijfsleven in de nabije toekomst? In de Nota Ons Creatieve Vermogen werd door de ministeries van Cultuur en Economische Zaken om deze redenen creatieve industrie ‘gepromoot’. Waar kunstenaars werken, gaan de innovatieve en creatieve economische activiteiten vooruit. Ook daar is dus sprake van de omdraaiing: creatieve industrie in plaats van ondernemende kunstactiviteit. Hoe je het ook draait: de kunstinstellingen zijn gereguleerd en de overheid geeft steeds nieuwe beleidseisen aan de kunstinstellingen mee. Het kan betwijfeld worden of een dergelijk beleid primair de vrijheid van kunst dient. Voor zover de vrijheid van kunst ook een sociale kant heeft die mede gericht moet zijn op de versterking van de capaciteiten van kunstenaars, kan betwijfeld worden of het beleid de laatste decennia daarop is gericht. Andere belangen van de staat, zoals het versterken van de nationale identiteit of het stimuleren van de economische activiteit, spreken geducht mee. Over de kunst wordt geoordeeld: kan zij een groot publiek bereiken, kan zij sponsors aantrekken, bevordert zij de diversiteit? Het beleid staat ver weg van het Thorbecke-beginsel: de inmenging is groot.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/35.

Bron afbeelding: an untrained eye

Deel dit artikel:

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: