Oorlog is niet meer wat het geweest is. De loopgraven van Verdun, de atoombommen op Japan en zelfs de Mutually Assured Destruction van de Koude Oorlog zijn verleden tijd. Dit is de tijd van War amongst the People. Generaal Rupert Smith wijst er in zijn nu al klassieke The Utility of Force uit 2005 op dat tegenwoordig wordt gevochten tussen mensen in plaats van op het slagveld. Ondanks een hoog geweldsniveau gaat het doorgaans niet om internationale gewapende conflicten en zijn non-state parties betrokken. Beslissende overwinningen komen nauwelijks voor. Een en ander heeft gevolgen voor de juridische beoordeling van gebeurtenissen die samenhangen met krijgshandelingen.
Aan welke regels moeten Nederlandse soldaten in Afghanistan of Irak zich houden? Hoe bewijzen we of Nederlanders wapens leveren aan strijdende partijen? Wanneer vervolgen we hier te lande niet-Nederlanders voor wat ze elders deden: Congolese krijgsheren, communistische verzetsleiders, of z.g. 1F-vluchtelingen? Het gaat om uiteenlopende vragen maar ze hebben minstens een ding gemeen. Ons oordeel erover wordt dikwijls veeleer geïnspireerd door schone juridische overwegingen dan met oog voor de smerige werkelijkheid van de War amongst the People.
Schuld en onschuld. Waarom werden Erik O. en Guus van K. eigenlijk vrijgesproken van het respectievelijk doodschieten van een plunderaar en het handelen met de Liberiaanse dictator Charles Taylor? In laatste instantie vanwege de onschuldpresumptie. Waarom hebben we het verzoek afgehouden van het Rwandatribunaal om de berechting van de verdachte van (samenspanning tot) genocide, Bagaragaza, over te nemen? We zeiden dat er jurisdictieproblemen waren, maar vermoedelijk twijfelden we over de vraag of we bewijs voor zijn schuld kunnen vergaren.
Laat ik een nog pijnlijker vraag stellen. Wat moeten we ervan vinden dat in juni 2007 vanuit Kamp Holland – een dag nadat soldaat I Timo Smeehuijzen en vijf Afghaanse kinderen door een zelfmoordaanslag omkwamen – met een pantserhouwitser op het 40 km verderop gelegen dorp Chora is geschoten, met zo’n 40 burgerslachtoffers als gevolg? Volgens een VN-rapport moet zoiets niet weer gebeuren en een Britse Navo-generaal sprak van schending van het oorlogsrecht. Toch vind ik het terecht dat er niet is vervolgd. Tijdens dezelfde slag om Chora sneden de Taliban van 12 mensen de keel door. Ik behoor niet tot de sentimentelen die het doorsnijden van een keel erger vinden dan het bedienen van een installatie als gevolg waarvan een eind verderop 40 mensen omkomen. Maar besef van de gruwelen tijdens deze grootste gevechtsactie van het Nederlandse leger in 50 jaar draagt wel bij aan mijn overtuiging dat bij de beslissing tot vervolging van onze jongens en meisjes in Uruzgan rekening moet worden gehouden met hun menselijke beperkingen onder stress. De omstandigheden rechtvaardigen een verhoogde onschuldpresumptie.
Die maatstaf hanteren we niet voor anderen. De vader van een van mijn studenten is een vroegere medewerker van de Afghaanse geheime dienst (KhAD). Hij wordt er met minstens 170 in ons land verblijvende lotgenoten van verdacht voor 1996 tegenstanders te hebben gefolterd. Toen wierpen de Taliban het communistische regime van Nadjiboellah omver.
Folteraars zijn niet hetzelfde als soldaten die granaten op een dorp afvuren. Als bewezen wordt dat iemand heeft gefolterd of daaraan leiding heeft gegeven, moet zo iemand worden gestraft. Maar betekent dit dat we mogen uitgaan van een schuldpresumptie op de voet van collectieve aansprakelijkheid? Onvoorstelbaar is dat niet. Volgens het Tadic-arrest is het mogelijk mensen verantwoordelijk te stellen voor deelneming aan een groep met een common purpose, als voorzienbaar was dat andere leden van de groep een misdaad zouden plegen en de verdachte dat risico willens aanvaardde. Dat is misschien bij ‘mob violence’ een aanvaardbare redenering, maar geldt zij ook louter vanwege het feit dat mensen bij een overheidsdienst tijdens een high intensity conflict werken?
Afghanistan was na 1979 een hel. De beroemde foto’s uit 1996 van Sebastiao Salgado van de totaal kapotgeschoten Jade Maiwan Avenue in Kabul lijken op die van Rotterdam 1940 en Ground Zero 2001. Overal tussen de mensen loerde de vijand. Geldt dan geen verhoogde onschuldpresumptie? We kunnen er vanwege een (sterk betwist) ambtsbericht uit 2000 niet van uitgaan dat alle militairen en KhAD-medewerkers bloed aan hun handen hebben. Tussen die 170 of meer Afghanen zitten ook militaire kantinebeheerders die nooit veroordeeld kunnen worden, zeker als we de strenge lijn van het Haagse Hof in het Guus van K-arrest volgen. Na meer dan tien jaar zijn pas twee personen veroordeeld.
Tien jaar zijn ze hier: illegaal en onuitzetbaar. Volgens art. 1F Vluchtelingenverdrag komen ze niet in aanmerking voor bescherming. Zelfs als ze vrijgesproken worden, zijn ze rechteloos. Staatssecretaris Albayrak gaf immers als essentie van het 1F-beleid: “Als je strafrechtelijk het bewijs niet rond krijgt en er dus geen veroordeling kan plaatsvinden, mag het niet zo zijn dat je automatisch een verblijfsvergunning moet geven” (pdf). Het toetsingskader voor een strafrechtelijke procedure is immers niet gelijk aan het toetsingskader in het vreemdelingenrecht. Inderdaad: het strafrecht gaat uit van de onschuldpresumptie en het vreemdelingenrecht van het gelijk van de minister.
Laten we de zaken tegen de 1F-Afghanen seponeren nu we na 10 jaar de schuld nog niet hebben kunnen vaststellen en hen hier een plaats geven. Vinden we nieuw bewijs dan levert dat een novum op waarmee alsnog kan worden vervolgd. Dat is een werkwijze die past bij de ontwikkelingen in landen waar gruwelijke slachtingen plaatsvonden – zoals Rwanda. Daar zoeken bewoners steeds vaker naar wegen om te kunnen coëxisteren zonder de gruwelen te vergeten en met de wens de slechtsten te straffen. Hun voorbeeld leert dat wij als buitenstaanders met onze keiharde reacties te weinig oog hebben voor de werkelijkheid van de War amongst the People.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/38.
Bron afbeelding: balakov
{ 3 reacties }


{ 3 reacties… lees hieronder of reageer }
Heer Buruma,
Kwam al zappend op Uw artikel, dat ik – ook als ‘veteraan’ en oud-parlementarier- met interesse en instemmig las.
Waarschijnlijk ‘of topic’ maar mogelijk toch relevant, vraag ik graag Uw mening over het recent
uitgesproken oordeel van Lord Bingham over de, internationaal-rechtelijk bezien, onrechtmatigheid van de invasie van Irak.
Daarbij ben ik geinteresseerd of juristen in Nederland zich op enigerlei wijze over deze zaak hebben uitgesproken – en, zo ja, met welk effect.
http://www.biicl.org/news/view/-/id/109/
http://www.volkskrantblog.nl/bericht/232565
Met vriendelijke groet,
J. Jan Willem van Waning
In zijn Kroniek van het Internationaal Publiekrecht NJB 2004/10 gaat prof. Nico Schrijver wel in op de blitzkrieg van 2003. Maar dat stuk – dat op zich wel een kritische geest ademt – is eigenlijk tamelijk oppervlakkig. Heel voorzichtig is ook kritiek te bespeuren in een stuk van Tange in het Nertherlands Yearbook of International Law 2005 waar gesproken wordt over Intervening in Failing States. Verder ben ik weinig stukken in de Nederlandse juridische literatuur tegengekomen over de rechtmatigheid van de aanval (het Militair Rechtelijk Tijdschrift heb ik nu even op het netvlies). Ze zullen geen grote invloed hebben gehad op enig debat. Het ius ad bellum is in de juridische literatuur minder aan de orde geweest dan het ius in bello (zoals terzake Erik O).
Misschien zie ik – als niet volkenrechtelijk gespecialiseerde – iets over het hoofd (bijvoorbeeld van de Adviesraad over Humanitarian Intervention), maar dan kan een andere blogger mij vast wel corrigeren. Voorlopig kunnen we zeggen dat dit politiek zo relevante onderwerp een te grote stilte heeft opgeleverd. Juristen lijken eerder langs omwegen nog wel enigszins gezocht te hebben naar rechtvaardiging dan dat ze klip en klaar uitspraken dat dit echt niet kon. Er was indertijd ook iets meer sympathie voor het verdrijven van de dictator dan nu is overgebleven en dat zal de lust om tot een juridische desavouering te komen misschien hebben verminderd.
Als we nu denken aan een politieke evaluatie, zou misschien moeten worden begonnen met een gedegen juridische beschouwing.
Ybo Buruma
Geachte Professor,
In Nederland en elders wordt m.i. nauwelijks tot niet nagedacht over de verhouding tussen art.1F Vluchtelingenverdrag en art.6 lid 2 EVRM ( de praesumptio innocentiae). De IND spreekt rustig in asielzaken over “gepleegde”misdrijven, terwijl het OM allang heeft geconcludeerd tot niet-vervolgen in de- zelfde zaak. Ook volgens de minister van Jusititie in 2006 in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
is het criterium van art.1F (ernstige redenen om te veronderstellen dat) zwaarder dan het redelijk vermoeden van schuld-criterium van het WvSr,”ergens tusen redelijk vermoeden en bewijzen in”, zoals Hirsch Ballin het formuleert. Verder meent de IND zich niets gelegen te hoeven laten liggen aan in landen van herkomst vergaard tegenbewijs van onschuld, andermaal Afghanistan. Mensen worden als schuldig aangemerkt zonder een spat bewijs, niet alleen alle officieren en onderofficieren van de KhAD/WAD, maar wie ook. Zie verder http://www.tekenvoorrechtvaardigheidinnederland.nl, en alle daarin genoemde bronnen. Zie mijn noot bij het Kouwenhovenarrest in de NAV 2008,nr3,en de NAV 1F special van december 2008, met ookmijn ervaringen in deadvocatuur op dit gebied en het artikel van prof. Bert Swart over internationaal strafrecht. De bovengenoemde brief van de minister was daar nog over het hoofd gezien, zoals ook prof.Swart al constateerde.
Zie verder mijn speech van 10 januari 2009 over dit onderwerp (het ambtsbericht van 29 februari 2000), dat gebaseerd is op bedrog van de minister van Buitenlandse zaken. Zie ook http://www.bogaersbussum.nl over “Hoogverraad, individuele ambtsberichten”. Ik ben bereikbaar bij Van As Advocaten Nieuwegein, postbus 237, 3430 AE Nieuwegein, 030-6935209.
Zou ik ook een overdrukje van Uw artikel uit de NJB mogen ontvangen. Daarvoor mijn dank.
Pieter Bogaers