Twee Britse zusters (Burden and Burden), in de tachtig, woonden al hun hele leven samen op hun geboortegrond. Zij voorzagen dat bij het overlijden van één van hen de langstlevende het huis zou moeten verkopen om de successiebelasting te betalen omdat zij geen recht hadden op de langstlevendevrijstelling die wél gold voor langstlevenden in een huwelijk of een civil partnership (inclusief homohuwelijk). De Grand Chamber van het EHRM zag echter geen discriminatie van siblings ten opzichte van gehuwden en partners.1 Het gaat mij niet om deze teleurstellende uitkomst, maar om ‘s Hofs verwerping van een preliminair verweer van de Britse regering, die betoogde dat de gezusters niet-ontvankelijk waren omdat zij geen ‘victim’ waren in de zin van art. 34 EVRM. Beide zusters leefden immers nog en (dus) was geen van beiden in enige successiebelasting betrokken. Er was nog helemaal geen aanslag, laat staan een onrechtmatige. Het Hof achtte de zusters echter wel degelijk ‘victim’, omdat zij ‘directly affected’ waren door de fiscale regel: gegeven hun leeftijd, hun testamenten (zij lieten elkaar hun bezit na) en de waarde van hetgeen elk van hen bezat, bestond het ‘real risk’ dat – bij ontbreken van de vrijstelling – één van beiden op korte termijn een hoge successiebelasting zou moeten betalen.
Philip Baker verbindt aan deze interpretatie van ‘victim’ het gevolg dat een klacht in Straatsburg ook ontvankelijk kan zijn als een belanghebbende bij uitvoering van een voorgenomen (trans)actie het ‘real risk’ loopt een volgens hem discriminatoire of confiscatoire behandeling te ontmoeten:
“behaIf the complainant was driven to change their viour – by entering into a transaction or cancelling a transaction or varying a transaction, for example – because of the impugned tax rule, it seems likely that they would satisfy the requirements of victim status.”2
Dat zou betekenen dat een (rechtstreekse!) Straatsburgse proefprocedure ter beschikking staat indien (i) van de burger niet gevergd kan worden, gezien een ‘real risk’ van ernstige en onomkeerbare gevolgen, dat hij het op een appelabele beschikking laat aankomen, en (ii) er geen nationale procedure bestaat om het volgens hem EVRM-strijdige standpunt van het bestuur vóóraf te toetsen. Dat zou op zijn beurt impliceren dat er nationaal een procedure zou moeten bestaan. Voor gevallen waarin (i) een rechtsgang pas open staat nà een belastende beschikking, terwijl (ii) het risico van zo’n belastende beschikking redelijkerwijs niet op de belanghebbende gelegd kan worden en (iii) hij het standpunt van het bestuur EVRM-strijdig acht, zou een rechterlijk declaratoir verkregen moeten kunnen worden over de rechtsgevolgen van de voorgenomen (trans)actie. Proefprocedures bestaan in sommige landen, onder meer in Zweden in belastingzaken: belanghebbenden kunnen een bindende en appelabele beslissing vragen over de fiscale gevolgen van bijvoorbeeld een voorgenomen emigratie of pensioenafkoop. Nederland heeft zo’n procedure niet. De belanghebbenden moeten het er op aan laten komen (een aanslag uitlokken) voordat zij naar de rechter kunnen, met onzekere en onomkeerbare uitkomst. In de zaak Abacus/Staat3 is dan ook geprobeerd om de burgerlijke rechter tot preventieve rechtsbescherming te bewegen bij voorgenomen rechtshandelingen, maar tevergeefs:
“(het gevraagde; PJW) oordeel is (…) uitsluitend aan de belastingrechter en niet aan de burgerlijke rechter. Hierop kan zich slechts in één geval een uitzondering voordoen: het geval dat het door de inspecteur ingenomen standpunt onmiskenbaar onjuist of zonder grond is (…). Het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht biedt (…) Abacus niet de mogelijkheid bij de belastingrechter een verklaring voor recht (…) te verkrijgen, hoe groot hun financiële belang (…) daarbij ook moge zijn. Dat stelsel laat slechts toe het standpunt van de inspecteur (…) aan de rechter voor te leggen indien de inspecteur de daad bij het woord voegt, aldus dat hij op uitvoering van het voornemen (…) een (…) aanslag (…) laat volgen. Deze door de wetgever gewilde beperking levert (…) niet een rechtstekort op waarin door de burgerlijke rechter zou moeten worden voorzien.”
Door Burden and Burden rijst de vraag of een justitiabele in Abacus’ positie zich thans rechtstreeks tot Straatsburg kan wenden als zij stelt dat het – voor haar prohibitieve – standpunt van het bestuur het EVRM schendt. Bij bevestigende beantwoording rijst vervolgens de vraag of de Hoge Raad moet terugkomen op zijn Abacus-arrest.
Er is wel een verschil tussen beide zaken: de zusters Burden konden het dreigende belastbare feit niet vermijden; onherroepelijk zou één van hen binnenkort overlijden. Abacus had wél een keus: zij kon afzien van de voorgenomen tussenschuiving van een Antilliaanse vennootschap (die de fiscus tot navordering zou uitlokken). De kwalificatie ‘victim’ past daardoor Abacus minder goed dan zij de zussen Burden past, te minder als men weet dat de tussenschuiving gericht was op belastingontwijking.
Een proefprocedure zou wenselijk kunnen zijn in neutrale situaties, bijvoorbeeld bij een natuurlijke persoon/ondernemer die in een andere EG-lidstaat wil gaan ondernemen en wonen omdat zijn vrouw daar vandaan komt, en die geconfronteerd wordt met een dreigende prohibitieve exitbelasting. Men kan het die ondernemer – met name gezien ook de EG-Verdragsvrijheden – nauwelijks aandoen dat hij, als hij niet jarenlang wil procederen (met lopende rentemeter en met kans op onomkeerbaar groot verlies), slechts de keus heeft om af te zien van zijn voornemen (vrouw boos). Niet alleen het EVRM, maar ook het EG-rechtelijke effectiviteitsbeginsel zou dus kunnen nopen tot een declaratoir-procedure. Die moet dan wel beter in elkaar gezet worden dan de Britse declaration of incompatibility, want die werd door het EHRM in Burden and Burden wegens onvoldoende weerstand tegen politieke invloed gepasseerd als uit te putten nationaal rechtsmiddel.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/39.
Bron afbeelding: ungelof
- EHRM 29 april 2008 (Burden and Burden), NJ 2008, 306. ↩
- Case note in (2004) British Tax Review No. 4, p. 329-334. ↩
- HR 21 april 2006, NJ 2006, 271. ↩
{ 0 reacties }

