Collectieve gekte

door Alex Brenninkmeijer

op 11 december 2008 in Vooraf

Afbeelding bij Collectieve gekte

De geschiedenis leert ons dat mensen niet alleen of primair als individuen opereren, maar dat de collectiviteit van mensen of verschillende collectiviteiten veel grotere en vaak allesbepalende krachten opleveren. De geschiedenis wordt kortom bepaald door collectief gedrag. Individueel gedrag of bijzondere personen of gebeurtenissen hebben alleen betekenis wanneer deze collectief gedrag beïnvloeden en sturen. Slechts een klein aantal mensen veroorzaakt al een wave in een stadion. Oranjegekte is deel van onze cultuur. Economische ontwikkelingen, zoals het ontstaan van ‘zeepbellen’ en een recessie zijn alleen te verklaren als collectief gedrag. Anders dan bij een wave in een stadion of de oranjegekte zijn die collectieve effecten vaak in het hier en nu en met de blik van een enkeling moeilijk waar te nemen. Daarom lijkt het alsof economische zeepbellen en een recessie natuurverschijnselen zijn, maar dat zijn ze niet. Collectief gedrag berust op gelijke ideeën, gelijke gevoelens of gewoonten en eventueel gelijke identiteiten, die door de massaliteit en hyperactiviteit van de massamedia in deze tijd snel kunnen intensiveren. Collectief gedrag kan positief zijn, omdat het vreedzaam samenleven erop is gebaseerd. Maar collectief gedrag kan ook negatief werken. In het slechtste geval hebben we te maken met collectieve gektes, die tot moord en slachting of ernstige beschadiging van ons financiële stelsel leiden. Kernvraag is hoe we deze collectieve gektes kunnen bestrijden.

Kees Schuyt heeft er in zijn Steunberen van de samenleving op gewezen dat voor een gezonde maatschappelijke ontwikkeling niet alleen cohesie, samenhang en binding noodzakelijk zijn, maar ook het tegendeel ervan: tegenbinding. Tegenkrachten houden een samenleving juist in evenwicht. Volgens Schuyt is het een goed bewaard sociologisch geheim dat er in een samenleving een teveel aan binding kan zijn. Om de mensonterende effecten van een te grote sociale cohesie tegen te gaan zijn in de wereldgeschiedenis de steunberen die Schuyt noemt ontwikkeld: democratie, academische vrijheid, het strafproces, religieuze tolerantie en geweldloze conflictbeslechting. Dit zijn onderwerpen die in het hart van de actualiteit staan. Religieuze tolerantie lijkt in het Nederlandse debat soms omstreden, wat op een doorgeschoten hang naar binding zou kunnen wijzen. Het strafproces dient niet alleen een geordende samenleving maar was historisch gezien mede van belang om oneindige ketens van eerwraak tegen te gaan. Eerwraak duikt in onze kleurrijke samenleving echter weer met regelmaat op. Volgens Schuyt staat de democratie als een systeem van tegenbindingen centraal, gesteund door de hiervoor genoemde sociale uitvindingen. Maar ook het goed functioneren van de democratie staat onder druk, zeker als we kijken naar het tegenvallende vertrouwen van burgers in onze politieke instellingen.

De kern van tegenbinding wordt gevormd door tegenspraak en het voortgaande proces van het steeds weer vinden van een evenwicht. Een democratie kan niet alleen drijven op de stem van de meerderheid, maar berust ook op respect voor minderheden en op het zorgvuldig omgaan met “tegenstemmen” in het openbaar bestuur en de samenleving. Voor een regering is het belangrijk om niet alleen te streven naar een solide parlementaire meerderheid, maar ook om goed te luisteren naar dat wat critici zeggen. De Tweede Kamer is echter onder invloed van het monisme – om in de woorden van oud kamervoorzitter Vondeling te spreken – meer ‘lam’ dan ’leeuw’. En er bestaat steeds weer de neiging om de institutionele critici te marginaliseren. Het bestaan van adviesorganen staat in Den Haag ter discussie en de adviezen van de Raad van State, de Algemene Rekenkamer en de Nationale ombudsman zijn niet altijd welkom. Rechtspraak die tegen het gezonde ‘Volksempfinden’ lijkt in te gaan, wordt steeds vaker als omstreden bekritiseerd.

Hoewel de academische vrijheid in onze overgereguleerde samenleving weinig floreert, kunnen gelukkig in het wetenschappelijke debat nog tegengeluiden worden gehoord. Op eigen wijze draagt het Nederlands Juristenblad bij aan dit debat en vormt het een forum voor reflectie. Zo kan het NJB op bescheiden manier bijdragen tot ‘tegenbinding’ en bijdragen tot het tegengaan van eventueel opduikende collectieve gekte. Het NJB floreert. De redactie ontvangt een gezonde stroom kopij en veel maatschappelijke onderwerpen komen in de kolommen van het NJB aan de orde. In politiek en media wordt regelmatig ingehaakt op discussies in het NJB. Het NJB heeft zijn eigen unieke plaats in het juridische discours en lezers en schrijvers weten het NJB op waarde te schatten, zelfs al wordt het NJB meer en meer onderdeel van de digitale informatievoorziening. Het NJB is méér dan een vakblad voor juristen.

Dit nummer van het NJB – JURISTEN ALS ESSAYISTEN – is exemplarisch voor de forumfunctie van het NJB. Spontaan bood een aantal gerenommeerde juridisten essays aan over actuele onderwerpen. En die onderwerpen sluiten mooi aan bij het hiervoor beschreven thema: tegenbinding. Prof. Jacobs legt een verbinding tussen de Kredietcrisis en werknemersmedezeggenschap. Prof. Rijpkema spreekt in zijn essay over de Aanpassing van de kantonrechtersformule: geen taak voor de rechter, meent hij. Prof. Vranken en prof. Van Gestel bespreken de rol van de Raad van State bij advisering over wetgeving. Ten slotte daagt Prof. Van der Burg ons aan de hand van de kwantumtheorie uit om na te denken over Creativiteit in de rechtswetenschap. Mooie onderwerpen die klassieke thema’s raken: kapitaal versus arbeid, rechter of wetgever, de wetgever en zijn adviseur. En van der Burg spoort ons aan om in ons werk niet alleen consciëntieus het geldende recht te registreren en te becommentariëren, maar ook om de grenzen te verkennen: ‘thinking outside the box’. Hij stelt: “De wijze waarop rechtswetenschappers het recht construeren, beïnvloedt de juridische werkelijkheid. Benaderen zij het recht als een positiefrechtelijke doctrine, dan wordt het ook steeds meer een doctrine. Benaderen zij het als een discursieve praktijk, dan komt het discursieve karakter naar voren.

Laten wij het discours in het NJB levend houden. De positiefrechtelijke doctrine hebben wij nodig, maar de discursieve praktijk kan ons behoeden voor collectieve gekte.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2008/44-45.

Bron afbeelding: Thomas Hawk

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: