﻿<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
		>
<channel>
	<title>Reacties op: Ja, de zon komt op voor de raadsman bij het politieverhoor!</title>
	<atom:link href="http://njblog.nl/2008/12/11/ja-de-zon-komt-op-voor-de-raadsman-bij-het-politieverhoor/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>http://njblog.nl/2008/12/11/ja-de-zon-komt-op-voor-de-raadsman-bij-het-politieverhoor/</link>
	<description>Het weblog van het Nederlands Juristenblad.</description>
	<lastBuildDate>Tue, 15 May 2012 10:09:09 +0000</lastBuildDate>
	<sy:updatePeriod>hourly</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>1</sy:updateFrequency>
	<generator>http://wordpress.org/?v=3.3.1</generator>
	<item>
		<title>Door: N.J.M. Kwakman</title>
		<link>http://njblog.nl/2008/12/11/ja-de-zon-komt-op-voor-de-raadsman-bij-het-politieverhoor/#comment-582</link>
		<dc:creator>N.J.M. Kwakman</dc:creator>
		<pubDate>Thu, 18 Dec 2008 14:54:50 +0000</pubDate>
		<guid isPermaLink="false">http://www.njblog.nl/?p=213#comment-582</guid>
		<description>Ik vind het niet eens verbazingwekkend, dat het EHRM ons telkens weer weet te verrassen met nieuwe vondsten om de kwaliteit van het (in ons geval op inquisitoire leest geschoeide) strafproces te vervolmaken.
Wat me wél telkens weer verbaast, is het gezag dat daarvan uitgaat en de vanzelfsprekendheid waarmee het EHRM daarin bijna onvoorwaardelijk wordt gevolgd. Ik denk dat dat gezag ook verdiend is. De reden daarvoor schuilt in het feit dat het Hof zich i.h.a. in eerste instantie beperkt tot principe-uitspraken over fundamentele rechten en uitgangspunten van het recht, zonder daaraan absolute waarde toe te kennen, om vervolgens deze principe-uitspraken in het concrete geval, in wisselwerking met de rechtspraktijk, nader in te vullen, te nuanceren en daarin te differentiëren. Daarmee bereikt het Hof dat alle partijen zich er op den duur in deze nieuwe rechtsontwikkeling kunnen vinden. Dus rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Wat dat betreft kan worden gewezen op het recht van de verdachte om getuigen a charge te ondervragen, welk recht ‘ten principale’ besloten ligt in het recht op een ‘fair trial’ en het daaraan te ontlenen beginsel van ‘equality of arms’. Ook al wordt het ondervragingsrecht beschouwd als een fundamenteel recht, toch betreft het ook in dit geval geen ‘absoluut recht’. Er is inmiddels op nationaal niveau – met in acht neming van de rechtspraak van het EHRM – een genuanceerd en gedifferentieerd wettelijk stelsel ontwikkeld om enerzijds recht te doen aan het ondervragingsrecht van de verdachte, maar anderzijds ook recht te doen aan alle andere belangen. Zoals het belang van het onderzoek (vgl. de wet afgeschermde getuigen) of de belangen en de positie van derden in het strafproces, zoals slachtoffers (vgl. de wet bedreigde getuigen en/of art. 290, art. 246 lid 1, 287 lid 2 en/of 288 lid 1, etc. Sv) met als compenserende waarborgen o.a. art. 344a, 360 Sv. Het heeft even geduurd, maar dat heeft dan ook geresulteerd in een stelsel waarin eenieder zich in grote lijnen wel kan vinden.
Ik denk dat we zo ook moeten aankijken tegen de onderhavige uitspraak van het Hof, waarin wordt vastgesteld dat de verdachte tijdens het politieverhoor (en ook daarvoor al) recht heeft op contact met, dan wel toegang tot een advocaat.
In de eerste plaats doet het Hof een algemene, zij het principiële uitspraak, waar eigenlijk iedereen, gelet op de huidige inzichten en opvattingen, wel achter kan staan: ‘het accent is (met name in stelsels waarin de materiële waarheidsvinding een sterk inquisitoir karakter heeft) in belangrijke mate verlegd van het eindonderzoek naar het vooronderzoek. Zodat de rechten die besloten liggen in het recht op een fair trial (zoals het recht op bijstand van een advocaat) via de reflexwerking van art. 6 EVRM ook voor het vooronderzoek (moeten) zijn gaan gelden’. Niets nieuws onder de zon dus. Vervolgens buigt het Hof zich in de voorliggende zaak over de vraag welke consequenties (i.c.) het recht op bijstand door een advocaat in het concrete geval moet hebben. Door ook daarbij aan te haken bij de communis opinio van het overgrote deel van de aangesloten staten (waarvoor het Hof kennelijk over een gevoelige antenne lijkt te beschikken) wordt ook daardoor het gezag van de uitspraak vergroot, en is het voor ons zaak te werken aan een op het eigen stelsel toegesneden uitwerking ervan in het eigen nationale recht.
Het feit dat het grondslagenproject Strafvordering 2001 zich (grondig) het hoofd heeft gebogen over deze kwestie, en alle voor- en nadelen van de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoren heel secuur heeft afgewogen, en het feit dat er op dit terrein inmiddels experimenten zijn gestart, en meer algemeen: het feit dat er veel en vaak over wordt gediscussieerd, dat alles kan worden beschouwd als de opmaat naar een genuanceerde en gedifferentieerde wettelijke regeling waarin recht wordt gedaan aan de belangen van de verdachte op dit punt, maar ook aan alle andere relevante belangen, zoals het onderzoeksbelang. Ik kan het dus van harte eens zijn met Taru Spronken dat het Hof een principiële uitspraak heeft gedaan, waarin het Hof wat mij betreft ‘gezag’ heeft toegekend aan een ontwikkeling die toch al op gang was gekomen, en waarin een opdracht besloten ligt dit algemene recht op bijstand van een advocaat in het vooronderzoek zo spoedig mogelijk en zo voortvarend mogelijk uit te werken in conrete werkbare regelgeving. Maar wat dat laatste betreft kan ik het ook van harte eens zijn met Matthias Borgers, dat er nog heel wat water door de Rijn moet stromen  voor het zover is. Ik meen dat we de uitspraak van het EHRM (en meer algemeen: het proces van rechtsvorming door het Hof) onvoldoende recht doen door nu maar alvast aan te nemen dat de raadsman van nu af aan nooit meer mag worden geweigerd bij politieverhoren. Ik denk dat we een voorbeeld moeten nemen aan het Hof, en stap voor stap alle betrokken moeten zien te winnen voor deze ‘opdracht’ door respect te betrachten voor alle kanten van het verhaal, en op termijn verzekerd te zijn van het grootst mogelijk draagvlak. Dus: rustig aan dan breekt het lijntje niet.</description>
		<content:encoded><![CDATA[<p>Ik vind het niet eens verbazingwekkend, dat het EHRM ons telkens weer weet te verrassen met nieuwe vondsten om de kwaliteit van het (in ons geval op inquisitoire leest geschoeide) strafproces te vervolmaken.<br />
Wat me wél telkens weer verbaast, is het gezag dat daarvan uitgaat en de vanzelfsprekendheid waarmee het EHRM daarin bijna onvoorwaardelijk wordt gevolgd. Ik denk dat dat gezag ook verdiend is. De reden daarvoor schuilt in het feit dat het Hof zich i.h.a. in eerste instantie beperkt tot principe-uitspraken over fundamentele rechten en uitgangspunten van het recht, zonder daaraan absolute waarde toe te kennen, om vervolgens deze principe-uitspraken in het concrete geval, in wisselwerking met de rechtspraktijk, nader in te vullen, te nuanceren en daarin te differentiëren. Daarmee bereikt het Hof dat alle partijen zich er op den duur in deze nieuwe rechtsontwikkeling kunnen vinden. Dus rustig aan, dan breekt het lijntje niet. Wat dat betreft kan worden gewezen op het recht van de verdachte om getuigen a charge te ondervragen, welk recht ‘ten principale’ besloten ligt in het recht op een ‘fair trial’ en het daaraan te ontlenen beginsel van ‘equality of arms’. Ook al wordt het ondervragingsrecht beschouwd als een fundamenteel recht, toch betreft het ook in dit geval geen ‘absoluut recht’. Er is inmiddels op nationaal niveau – met in acht neming van de rechtspraak van het EHRM – een genuanceerd en gedifferentieerd wettelijk stelsel ontwikkeld om enerzijds recht te doen aan het ondervragingsrecht van de verdachte, maar anderzijds ook recht te doen aan alle andere belangen. Zoals het belang van het onderzoek (vgl. de wet afgeschermde getuigen) of de belangen en de positie van derden in het strafproces, zoals slachtoffers (vgl. de wet bedreigde getuigen en/of art. 290, art. 246 lid 1, 287 lid 2 en/of 288 lid 1, etc. Sv) met als compenserende waarborgen o.a. art. 344a, 360 Sv. Het heeft even geduurd, maar dat heeft dan ook geresulteerd in een stelsel waarin eenieder zich in grote lijnen wel kan vinden.<br />
Ik denk dat we zo ook moeten aankijken tegen de onderhavige uitspraak van het Hof, waarin wordt vastgesteld dat de verdachte tijdens het politieverhoor (en ook daarvoor al) recht heeft op contact met, dan wel toegang tot een advocaat.<br />
In de eerste plaats doet het Hof een algemene, zij het principiële uitspraak, waar eigenlijk iedereen, gelet op de huidige inzichten en opvattingen, wel achter kan staan: ‘het accent is (met name in stelsels waarin de materiële waarheidsvinding een sterk inquisitoir karakter heeft) in belangrijke mate verlegd van het eindonderzoek naar het vooronderzoek. Zodat de rechten die besloten liggen in het recht op een fair trial (zoals het recht op bijstand van een advocaat) via de reflexwerking van art. 6 EVRM ook voor het vooronderzoek (moeten) zijn gaan gelden’. Niets nieuws onder de zon dus. Vervolgens buigt het Hof zich in de voorliggende zaak over de vraag welke consequenties (i.c.) het recht op bijstand door een advocaat in het concrete geval moet hebben. Door ook daarbij aan te haken bij de communis opinio van het overgrote deel van de aangesloten staten (waarvoor het Hof kennelijk over een gevoelige antenne lijkt te beschikken) wordt ook daardoor het gezag van de uitspraak vergroot, en is het voor ons zaak te werken aan een op het eigen stelsel toegesneden uitwerking ervan in het eigen nationale recht.<br />
Het feit dat het grondslagenproject Strafvordering 2001 zich (grondig) het hoofd heeft gebogen over deze kwestie, en alle voor- en nadelen van de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoren heel secuur heeft afgewogen, en het feit dat er op dit terrein inmiddels experimenten zijn gestart, en meer algemeen: het feit dat er veel en vaak over wordt gediscussieerd, dat alles kan worden beschouwd als de opmaat naar een genuanceerde en gedifferentieerde wettelijke regeling waarin recht wordt gedaan aan de belangen van de verdachte op dit punt, maar ook aan alle andere relevante belangen, zoals het onderzoeksbelang. Ik kan het dus van harte eens zijn met Taru Spronken dat het Hof een principiële uitspraak heeft gedaan, waarin het Hof wat mij betreft ‘gezag’ heeft toegekend aan een ontwikkeling die toch al op gang was gekomen, en waarin een opdracht besloten ligt dit algemene recht op bijstand van een advocaat in het vooronderzoek zo spoedig mogelijk en zo voortvarend mogelijk uit te werken in conrete werkbare regelgeving. Maar wat dat laatste betreft kan ik het ook van harte eens zijn met Matthias Borgers, dat er nog heel wat water door de Rijn moet stromen  voor het zover is. Ik meen dat we de uitspraak van het EHRM (en meer algemeen: het proces van rechtsvorming door het Hof) onvoldoende recht doen door nu maar alvast aan te nemen dat de raadsman van nu af aan nooit meer mag worden geweigerd bij politieverhoren. Ik denk dat we een voorbeeld moeten nemen aan het Hof, en stap voor stap alle betrokken moeten zien te winnen voor deze ‘opdracht’ door respect te betrachten voor alle kanten van het verhaal, en op termijn verzekerd te zijn van het grootst mogelijk draagvlak. Dus: rustig aan dan breekt het lijntje niet.</p>
]]></content:encoded>
	</item>
</channel>
</rss>

