‘Malle rechters’ doen ‘schandalige uitspraak’. Gespierde taal van Wilders naar aanleiding van de beslissing van het Amsterdamse Hof dat hij moet worden vervolgd wegens discriminatie en haatzaaien. Een aantal organisaties heeft daarmee met succes de aanvankelijke beslissing van het OM Wilders niet te vervolgen voor zijn uitspraken over de islam en de Koran aangevochten. Hij zal zich voor de strafrechter moeten verantwoorden.
Hij zal in geval van veroordeling ongetwijfeld de mogelijkheden van het rechtssysteem benutten, zo nodig zijn recht op vrijheid van meningsuiting in Straatsburg centraal stellen. Of het zo ver komt, is de vraag. De strafrechter kan immers nog altijd een ander oordeel vellen en Wilders vrijspreken van het hem uiteindelijk tenlastegelegde. In een eerste commentaar in Netwerk leek de Leidse rechtsgeleerde Afshin Ellian dat scenario minder aannemelijk. Hij betoogde juist dat het Amsterdamse Hof Wilders feitelijk al heeft veroordeeld.
Het zal degenen die Wilders aangepakt wensen te zien een zorg zijn. Zij hebben niet voor niets hun heil gezocht in deze procedure. Zij hebben geld gezet op het strafrecht en geloven in de heilzame werking ervan. Niet iedereen doet dat: een andere stroming meent dat het strafrecht juist in dit soort zaken, waarin het uiteindelijk de overheid is die de uitlatingen van een Tweede Kamerlid, van een leider van een beweging die zich afzet tegen de gevestigde politiek zelfs, aan de kaak stelt, niet het juiste kader biedt. Het geeft de verdachte en zijn aanhangers alle gelegenheid om te stellen dat de overheid, zeg maar de ‘gevestigde orde’, zelfs bereid is het strafrecht in te zetten om hem de mond te snoeren. Als dat al lukt, zijn zijn opvattingen niet werkelijk de wereld uit. Vervolging is zeer waarschijnlijk contraproductief. ‘Een zwarte dag voor de democratie’ (Wilders) is een beeld dat lang blijft hangen. Is hier wel emplooi voor het recht? Civilist Hans Nieuwenhuis ziet goede gronden voor niet-vervolging; wat hem betreft heeft het strafrecht hier weinig te zoeken: hij wijst de beledigde partij op ‘de Koninklijke weg van het Burgerlijk Recht, de vordering uit onrechtmatige daad’ (RM Themis 2008, p. 190). Daar zit wat in: als een woordenstrijd niet beslecht kan worden, argumenten de ander niet hebben kunnen overtuigen van het diffamerende karakter van zijn uitlatingen, staat het de getroffenen vrij de zaak voor te leggen aan de civiele rechter die de vraag beantwoordt of de grenzen van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt zijn overschreden. Uiteraard doen zij er verstandig aan dat alleen te doen wanneer een bevestigende beantwoording als zodanig voor hen betekenis heeft. Zij moeten ook van dat oordeel geen wonderen verwachten. Ik weet niet of de Koninklijke weg van het Burgerlijk Recht werkelijk heil brengt; zij leidt ons wel weg uit het strafrecht. En dat is mooi. Ik geloof niet in strafrechtspraak, niet hier.
Het geloof in onze strafrechtspraak, in onze strafrechters, lijkt bij sommigen al lang weg. Ook zij schuwen ferme taal niet. ‘Malle rechters’ worden ‘Slapende rechters’. Onze strafrechtspraak deugt niet. Althans volgens Leids emeritus Wagenaar en een groeiende colonne van verontruste burgers, die zich naar aanleiding van geruchtmakende affaires in steeds krassere bewoordingen uitlaten over het strafrechtssysteem en over strafrechters. Zij begrijpen deskundigen niet, zijn blind voor minpunten in het dossier en dekken elkaar vervolgens ook nog. Het systeem heeft onvoldoende (zelf)reinigend vermogen en daarom moet de laatste check (de herzieningsprocedure) buiten de rechterlijke macht worden gelegd. Niet bij de Hoge Raad want die is lid van dezelfde ‘commune’ (Wagenaar bij Pauw & Witteman). Dit is ook de boodschap van ‘De slapende rechter’, het jongste werk van Wagenaar dat hij samen met Van Koppen en Israëls schreef.
Van hun hand is eerder belangrijk werk verschenen dat vragen deed rijzen over de afhandeling van individuele strafzaken. Het heeft dossiers in een ander licht gesteld, aanleiding gegeven tot de conclusie dat soms grove fouten zijn gemaakt. Het heeft waardevolle inzichten opgeleverd omtrent de wijze van verhoren, het waarderen van verklaringen en bekentenissen, het op waarde schatten van deskundigenberichten. In zoverre niets dan lof. Wat steekt is de neiging vanuit individuele dossiers te extrapoleren naar het niveau van de strafrechtspraak als zodanig. ‘Het systeem deugt niet’, ‘rechters dekken elkaar’. Hier is sprake van fundamenteel wantrouwen dat niet voor niets uitmondt in de conclusie dat de herzieningsvraag niet bij de rechterlijke macht maar bij een ‘bestuursorgaan’ thuishoort.
Geeft een beperkt aantal zeer betreurenswaardige incidenten (waaraan ongetwijfeld nog wel een paar kunnen worden toegevoegd die wij nu nog niet kennen), grond voor fundamenteel wantrouwen van een systeem waarin jaarlijks tienduizenden zaken worden afgedaan door honderden rechters? Is er werkelijk bewijs voor de stelling dat rechters elkaar ‘dekken’ in een systeem waarin hogere rechters de beslissingen van lagere mogen ‘overrulen’ en dat ook op grote schaal gebeurt? Is werkelijk bewezen dat het systeem in de hand werkt dat fouten onder het kleed verdwijnen en met de mantel der liefde worden bedekt?
Zo lang deze vragen ontkennend kunnen worden beantwoord, zouden deelnemers aan het openbaar maatschappelijk debat, waar ik nadrukkelijk ook kritische politici en wetenschappers toe reken, dit soort suggesties, generalisaties en grove kwalificaties achterwege moeten laten. Het zijn niet alleen de incidenten, maar het is zeker ook de manier waarop daarover wordt gesproken en geschreven door publieke personen, die bijdraagt aan een tanend vertrouwen bij burgers in de rechterlijke macht en die hen vrijbrief geeft om zich onder meer op het internet vaak ook in zeer krasse taal uit te laten over strafrechters. Dat is een zorgelijke ontwikkeling in een samenleving die zichzelf graag als rechtsstaat ziet en daarom gelooft in strafrechters.
Fundamenteel vertrouwen staat niet in de weg aan kritiek op individuele beslissingen. Bijvoorbeeld in de Wilders-zaak. Hoezeer het Hof zijn best heeft gedaan op de motivering (‘het strafrechtelijk forum vormt onderdeel van het maatschappelijk debat’), van voortzetting van dat debat in de strafrechtszaal zijn geen voordelen te verwachten, ook niet wanneer de strafrechters in kwestie ‘met beide benen in de samenleving staan’. In deze zaak zal hun ene machtswoord (veroordeling) noch hun andere (vrijspraak) de samenleving heil brengen.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/04.
Bron afbeelding: killbox
{ 1 reactie }



{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }
Ten aanzien van Wagenaar c.s. maakt Hartlief het zich wel erg gemakkelijk door de flaptekst te citeren (“een bestuursorgaan”), maar niet op de kern van hun boek in te gaan. Het probleem is niet zozeer dat de rechter dwaalt, maar dat de mogelijkheid die dwalingen te corrigeren ernstig wordt belemmerd door de fictie dat rechters onfeilbaar zijn. De herzieningsmogelijkheden houden rekening met de mogelijkheid dat er een nieuw feit wordt gevonden (dat de rechter niet kon weten) of dat in het politieonderzoek of misschien zelfs door het OM iets fout is gedaan (waar de rechter niks aan kon doen), maar niet met de mogelijkheid dat rechters ernstige fouten maken. De voorbeelden die Wagenaar c.s. geven, maken duidelijk dat rechters wel degelijk ernstig kunnen blunderen. Voorts laten Wagenaar c.s. zien dat juristen slecht zijn toegerust voor het vaststellen van feiten- en het is juist op dit punt dat gedwaald wordt. Vandaar hun voorstel om de herziening niet uitsluitend aan rechters over te laten. Hartlief spreekt over “een beperkt aantal zeer betreurenswaardige incidenten”. Gelet op de stoet vernielde levens die het gevolg zijn van de rechterlijke dwalingen lijkt me dat een nogal krasse understatement.
Op gezag van Hartlief moeten we blijven geloven in strafrechters. Eerst zien en dan geloven zou ik zeggen.
Harald Kunst