Grondrechten en bestuursrecht

door Inge van der Vlies

op 2 februari 2009 in Vooraf

Afbeelding bij Grondrechten en bestuursrecht

Wie denkt aan bescherming van grondrechten, denkt vaak aan de vrijheid van meningsuiting en de rechter. Daarvoor is na de uitspraak in de zaak Wilders ook weer alle aanleiding. Net als bij de privacy (patiëntendossier, profiling, financiële gegevens) het geval is, is er een levendig debat over deze kwestie. Rond andere grondrechten is er een vergelijkbaar debat of het komt op gang. Verschillende bijdragen in deze aflevering illustreren dit.

Zo wordt een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State over artikel 14 EVRM (non-discriminatiebeginsel) aan de orde gesteld. De uitspraak betrof het voornemen Antilliaanse jongeren te registreren vanwege de door hen veroorzaakte overlast. Vervolgens zouden er gerichte maatregelen kunnen worden getroffen voor het verlenen van hulp en het bestrijden van criminaliteit. Wie is nu tegen het laatste? Desondanks veroorzaakte de maatregel zelf wel commotie. Die heeft zich niet vertaald in een maatschappelijk debat over de uitspraak van de rechter. Dat de bestuursrechter hier niet de kant van de gelijkheid koos, leek niet meer zo interessant vanwege de intrekking van de maatregel. Brouwer en Houtzager besteden daar in deze aflevering uitgebreid aandacht aan. Zij delen de conclusie van de rechter niet. De uitspraak is volgens hen niet goed gemotiveerd. De aangevoerde redenen om tussen Antilliaanse en andere onruststokers onderscheid te maken, zijn volgens hen onvoldoende. De uitspraak staat nog, al heeft de regering zich uiteindelijk vooralsnog de wijzere instantie betoond. Terecht betogen de schrijvers dat vanwege het belang van het non-discriminatiebeginsel aan het toestaan van registratie op basis van etniciteit de hoogste eisen worden gesteld. Registratie tegen je zin is immers heel iets anders dan vragen om een voorrangsbehandeling als die eventueel mogelijk is. Zij is stigmatiserend, zeker omdat zij ook in verband is gebracht met criminaliteitsbestrijding. Voor de Marokkaanse jongeren is er nu een ander systeem ontwikkeld, met veel informele instrumenten zoals straatcoaches, contracten en gezinsmanagers.

De Raad van State keurde in een voorlichtend advies aan het kabinet een eventuele toekenning aan burgemeesters om in bijzondere situaties dwingend opvoedingsondersteuning op te leggen af. Burgemeesters van de grote steden wensten overlastgevende jongeren langs deze weg aan te pakken. De Raad moest nagaan of het internationale recht ruimte biedt voor deze bevoegdheid en zo ja, over welke juridische instrumenten de burgemeesters dan de beschikking dienen te krijgen. De Raad stelde vast dat de noodzaak voor het ontwikkelen van nieuwe instrumenten voor de burgemeester niet voldoende is gemotiveerd, terwijl de instrumenten inbreuk maken op het family life (art. 8 EVRM). Zou de bevoegdheid toch worden verleend dan moet daarbij worden vermeden dat de burgemeester zelf jeugdzorgwerker wordt. Toch kwam het kabinet in december met een aangepaste maatregel de burgemeester toegang tot de kinderrechter te verschaffen. Het kabinet stelt dat de overlast kan worden gezien als een bedreiging voor de ontwikkeling van het kind.

De taaiheid van het probleem tussen grondrechten en een ander belang speelt mee bij de toepassing van de Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz). Er is een lange ervaring met dwang tegen personen, maar de ideale procedure voor het opleggen van de dwangbehandeling is er nog steeds niet. Volgens Vermunt, Jansen en De Koning worden er nog steeds mensen ten onrechte niet opgenomen, in tegenstelling tot wat anderen beweren De juistheid van een van beide stellingen is lastig te onderbouwen omdat de analyse die aan opname ten grondslag ligt complex is. Zou de analyse van het gedrag van Antilliaanse jongeren of andere jeugdigen zoveel eenvoudiger zijn?

Doet in de praktijk bij de toepassing van de regels een beroep op de rechter of een andere instantie voldoende recht aan de individuele gevallen? Volgens Mans is het tijd dat Nederlandse burgers, de overheid en de rechter zich op dat standpunt gaan bezinnen. Zijn essay is een j’accuse met een oproep tot het verzinnen van oplossingen, waarvan hij er zelf al enkele aandraagt. Het bestuursrechtelijke stelsel is vastgelopen. De instanties zijn overbezet, kiezen voor een formele benadering en worden daarin gesteund door de bestuursrechter. Hij spoort de bestuursrechter aan de geest van rechtsbeginselen te dienen. Het rechtssysteem moet voor burgers weer doorzichtig worden. De rechter moet een constitutionele rechter worden, die ook de wetten aan de grondrechten uit de Grondwet kan toetsen. Het bestuursrecht is volgens Mans een obstakel bij de rechtsbescherming geworden. Er dreigt een vertrouwenscrisis doordat wetgever en rechter het bestuursrecht gebruiken om hun macht tegenover de burger te vergroten. Het grondrecht van de toegang tot de rechter, stelt te weinig voor bij een formeel toetsende rechter.

Mans wijst ook op de relatieve onmacht van de overheid. De oude middelen, verbod tot wangedrag onder bedreiging van een strafsanctie bij voorbeeld, werken onvoldoende. De overheid experimenteert met nieuwe vormen. Dat is het geval bij genitale mutilatie, ook in deze aflevering besproken. Aanbrenging van verminking is strafbaar en volgens verschillende auteurs zou dat zo moeten blijven. Dat lijkt vanzelfsprekend, gelet op artikel 11 Grondwet, maar toch wordt bepleit dat culturele verminking minder erg zou zijn en een beetje verminking zou mogen. De Staatssecretaris van Sociale zaken handhaaft het oude verbod, komt met nieuwe maatregelen, inclusief een contract, te handhaven door intieme controle van de meisjes.

Om ‘ontembare’ problemen te op te lossen kiest het bestuur vaak voor informele instrumenten. Deze maken samenwerking met degenen die het probleem veroorzaken of er de slachtoffers van zijn, beter mogelijk dan de verticale instrumenten van het bestuursrecht. Zij verdienen daarom steun. Vermenging van gebruik van oude en nieuwe middelen als de gang van de burgemeesters naar de kinderrechter, maakt de bezwaren van Mans echter sprekender. Wat moet de rechter met een criterium als de bedreiging van overlast voor de persoonlijke ontwikkeling? En: hoe bescherm je grondrechten in informele contacten tussen bestuur en burgers? Misschien is meer voorlichting aan burgers en ambtenaren over rechten en plichten noodzakelijk. Het zijn antwoorden die een jurist meestal niet bevallen, maar hoe verzeker je anders dat al degenen die zoveel informele opdrachten krijgen zich van de inbreuk, hoe gerechtvaardigd ook, bewust zijn en blijven en er naar handelen?

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/05.

Bron afbeelding: The Wolf

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: