Herziening: kanttekeningen bij het wetsontwerp

door H.F.M. Crombag, W.A. Wagenaar, P.J. van Koppen & H. Israëls

op 5 maart 2009 in Artikelen

Afbeelding bij Herziening: kanttekeningen bij het wetsontwerp

Rechters maken af en toe fouten, omdat zij door het openbaar ministerie (OM) niet goed zijn voorgelicht, of omdat zij zelf niet goed genoeg hebben opgelet. Lange tijd wilde dat besef nauwelijks tot de betrokkenen doordringen. Met de publicatie van het ontwerp van de ‘Wet hervorming herziening’ lijkt daar verandering in te komen, maar naar ons oordeel schiet dat ontwerp in menig opzicht tekort. Vandaar deze kanttekeningen, waarbij wij ons beperken tot de voorstellen omtrent herziening ten voordele en in het bijzonder tot twee punten: het voorgestelde nieuwe criterium voor herziening en het voorstel om de Hoge Raad de herzieningsrechter te laten blijven.

 
Het criterium voor herziening

‘Een nieuw feit of bewijsmiddel’

In de nieuwe redactie van art. 457 Sv wordt ‘enige omstandigheid’ vervangen door ‘een feit of bewijsmiddel’. De bedoeling van de nieuwe formulering is het criterium voor herziening te verruimen. De beoogde verruiming zie je aan de woorden van de wet niet af: ‘enige omstandigheid’ lijkt op het eerste gezicht meer ruimte te bieden dan de nieuwe formulering, maar de Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie het criterium vernauwd tot ‘een nieuwe feitelijke omstandigheid’, en daar bij herhaling aan toevoegend dat ‘gewijzigde inzichten van deskundigen in beginsel geen novum opleveren’. Van dit beginsel werd in het arrest over de Puttense moordzaak afgeweken1, maar het werd niet lang daarna toch weer in ere hersteld in het arrest over het herzieningsverzoek in de zaak van Ina Post. Bij deze terugkeer naar het standpunt van vóór Putten liet de Hoge Raad een kleine opening door te schrijven dat een andere mening, overtuiging of gevolgtrekking ‘in het algemeen’ weliswaar geen novum kan zijn, maar soms dus wel, bij wijze van uitzondering. Wat dan wel naar het inzicht van de Hoge Raad de blijkbaar mogelijke uitzondering op de algemene regel zou kunnen zijn, bleef echter onduidelijk.2

Uit de Memorie van Toelichting (MvT) blijkt dat de minister3 in de toekomst ook een gewijzigd deskundigeninzicht als een grond voor herziening wil laten gelden, maar alleen als het voldoet aan de voorwaarden die in de MvT worden opgesomd (p. 19). In zijn conclusie in de zaak van Lucia de B. lijkt advocaat-generaal Knigge daar op vooruit te lopen, al doet hij het voorkomen dat hij voor het door hem besproken geval van Lucia de B. slechts ‘de rek’ in de thans nog geldende regeling ‘uitbuit’ (p. 23).

Advocaat-generaal Schipper daarentegen wil in zijn conclusie in de Enschedese ontuchtzaak van geen rek in de bestaande regeling weten. Hij bekent zich zonder omhaal4 tot de door de Hoge Raad sinds jaar en dag gekozen strikte interpretatie van het novum-criterium. Omdat beide advocaten-generaal worden geacht te spreken voor de procureur-generaal, moet de conclusie hieruit luiden dat de procureur-generaal in deze twee conclusies met zichzelf in tegenspraak is.

Het nieuwe criterium is ondeugdelijk

De formulering nieuw feit of (nieuw) bewijsmiddel wekt de indruk dat het om twee verschillende zaken gaat: het een of het ander moet het geval zijn. Dat kan niet de bedoeling zijn omdat een nieuw feit immers slechts in de vorm van een nieuw bewijsmiddel aan de Hoge Raad kan worden aangeboden. Nieuwe feiten vormen een deelverzameling binnen de grotere verzameling van nieuwe bewijsmiddelen, die meer dan alleen ‘nieuwe feitelijke omstandigheden’ omvat, zoals, onder strikte voorwaarden, gewijzigde deskundigeninzichten. Omdat de deelverzameling van nieuwe feitelijke omstandigheden geheel besloten ligt in de ruimere verzameling van nieuwe bewijsmiddelen, zou in de wettelijke formulering met het meer omvattende criterium van een nieuw ‘bewijsmiddel’ volstaan kunnen worden. Dat heeft zelfs de voorkeur opdat misverstand wordt uitgesloten.

Onzeker is echter wat in de nieuwe redactie onder ‘bewijsmiddelen’ moet worden verstaan. Gaat het om de bewijsmiddelen zoals in art. 339 Sv uitputtend opgesomd? De MvT wekt de indruk dat alleen een gewijzigd deskundigeninzicht (zoals in de Puttense moordzaak) of de verklaring van een nieuwe deskundige (zoals in de zaak van Lucia de B.) als nieuw bewijsmiddel grond voor herziening kan vormen. Maar als het de bedoeling is om onder ‘bewijsmiddelen’ in de nieuwe redactie van art. 457 Sv alle in art. 339 Sv opgesomde ‘bewijsmiddelen’ te begrijpen, dan kan men zich afvragen of een getuige die zijn belastende en voor bewijs gebruikte verklaring op een later tijdstip weer intrekt ook een grond voor herziening kan vormen. En wat te denken van een voor bewijs gebruikte ‘verklaring van verdachte’ (bekentenis) die naderhand weer wordt ingetrokken? Wij denken dat het niet de bedoeling is om beide laatst genoemde mogelijkheden gronden voor herziening te laten zijn, maar dat zou dan betekenen dat de term ‘bewijsmiddel’ in een en dezelfde wet (Sv) twee betekenissen krijgt en dat kan, denken wij, helemaal niet de bedoeling zijn.

Ook het nieuwe criterium is te beperkt

Ook de voorgestelde nieuwe redactie van lid 2 van art. 457 Sv sluit uit dat tot herziening kan worden besloten omdat de rechter, hoewel door middel van het dossier volledig geïnformeerd5, enig aspect van de zaak over het hoofd heeft gezien of niet juist begrepen. Dat zoiets kan voorkomen behoeft geen betoog. ‘Toch is,’ schrijft Knigge in zijn conclusie over de zaak van Lucia de B. (p. 11), ‘volgens de restrictieve uitleg van de Hoge Raad, een feit dat de rechter over het hoofd heeft gezien’ geen novum. En hetzelfde geldt voor ‘als de rechter het feit wel heeft gezien, maar niet op waarde heeft weten te schatten’. Rechterlijke onoplettendheid en rechterlijk onbegrip zijn ook in de nieuwe redactie van art. 457 lid 2 Sv geen gronden voor herziening. Knigge betreurt dat (p. 16): ‘Er is (…) geen goede grond om nog langer vast te houden aan de gedachte dat herziening alleen kan volgen in gevallen waarin de rechter geen blaam treft.’ En hij vervolgt: ‘… bij de uitleg van de (nieuwe) wettelijke regeling (moet) afstand worden genomen van de gedachte dat de fout niet in de feilbaarheid van de rechter mag worden gezocht’, zoals daar zijn: onlogische redeneringen, ondeugdelijke vooronderstellingen, tekorten aan kennis, zaken die over het hoofd worden gezien en feiten die door tunnelvisie worden genegeerd; de opsomming is van Knigge (p. 18). ‘De rechter is tenslotte ook maar een mens en daarmee een bron van fouten,’ zo voegt Knigge enigszins mismoedig toe.

Daar denkt de minister kennelijk anders over: ook in de nieuwe redactie wordt de rechter uit de wind gehouden. Anders dan Knigge wil de minister vasthouden aan de illusie dat een goed geïnformeerde rechter nimmer een fout maakt. Waarom houden de minister en zijn medestanders op dit punt zo hardnekkig vast aan die illusie? Omdat het vertrouwen in de rechter wordt aangetast als wij hem officieel een fout kunnen toedichten? Maar dat doen wij toch al telkens als in appèl een vonnis vernietigd wordt of een beroep in cassatie slaagt?

‘Een ernstig vermoeden’

Hoe men de gronden voor herziening ook definieert, zij moeten ook in de nieuwe redactie leiden tot ‘het ernstige vermoeden (…) dat indien dat feit of bewijsmiddel bekend geweest zou zijn’ de zaak door de rechter anders zou zijn beslist. Het probleem met deze zowel in de oude als de nieuwe redactie voorkomende restrictie6 is dat zij van degene die over een herziening moet beslissen een onzekere voorspelling vraagt over wat rechters in een nog niet gerealiseerd geval zouden denken. Zij vraagt derhalve om een vorm van helderziendheid van de beslisser.

Van zulk een helderziendheid geeft advocaat-generaal Schipper in zijn conclusie over de Enschedese ontuchtzaak bij herhaling blijk. In die zaak rapporteerde de CEAS dat in het aan de rechter voorgelegde dossier processen-verbaal van een reeks onderzoekshandelingen7 ontbraken. De advocaat-generaal voorspelt dat ‘ook de inhoud van deze (door de CEAS boven water getilde) documenten naar mijn mening niet het ernstige vermoeden kan wekken’ dat herziening zou rechtvaardigen. En hij vervolgt: ‘Het hof is er bij zijn oordeelsvorming immers al vanuit gegaan dat er op deze punten (waarvan het hof dus niets wist) geen voor de aanvrager belastend bewijsmateriaal bestond aangezien het dossier daarover niets bevatte’ (cursivering toegevoegd). Het valt ons moeilijk om in deze redenering geen satire te zien. In plaats daarvan opperen wij het vermoeden dat Schipper even is vergeten dat er naast irrelevante en belastende informatie ook nog ontlastende informatie zou kunnen zijn.

Dit alles illustreert dat het vereiste van ‘een ernstig vermoeden’ om een subjectieve beslissing vraagt. Nu kan men zeggen dat zulk een subjectief element in iedere rechterlijke uitspraak besloten ligt omdat die immers, behalve op de bewijsmiddelen, tevens op de overtuiging van de rechter berust. De hiervoor weergegeven redenering van Schipper en talrijke daarop lijkende redeneringen in zijn conclusie8 demonstreren dat het vereiste van een ernstig vermoeden ruimte voor misbruik biedt. Wij gunnen Schipper weliswaar zijn particuliere vermoedens, maar in zijn positie als lid van het parket van de Hoge Raad zou men van hem toch mogen verwachten dat hij zich bereid toont om althans sommige van die vermoedens, die berusten op redeneringen waarvan de eigenaardigheid hem toch niet ontgaan zal zijn, daadwerkelijk door een rechterlijke instantie te laten toetsen. Kunnen Schippers op onderdelen wonderlijke redeneringen gezien worden als momenten van magistratelijke verstandverbijstering, of als uitdrukking van de wens om de collegiale verhoudingen in de zittende magistratuur niet te verstoren?

Een beter criterium voor herziening?

Zoals hiervoor vermeld, ziet Knigge ‘geen goede grond om nog langer vast te houden aan de gedachte dat herziening alleen kan volgen wanneer de rechter geen blaam treft’. Die mening wordt, blijkens zijn uitingen in de media in het nabije verleden, gedeeld door voorzitter Buruma van de toelatingscommisie van de CEAS.9 Die mening lezen wij zelfs in een artikel in Trema van de hand van de voorzitter van de College van Procureurs-Generaal Brouwer10, waar hij (op p. 13) opmerkt: ‘Misschien kan (…) gezegd worden dat in de meeste gevallen een novum kritiek op de feitenrechter juist insluit.’11 Met zulke gezaghebbende medestanders wagen wij het om een eigen formulering voor het criterium voor herziening voor te stellen:

Herziening van een onherroepelijk geworden strafrechtelijke veroordeling is mogelijk als zich bij de opsporing en berechting ervan zo ernstige manco’s hebben voorgedaan, dat die veroordeling niet langer veilig kan worden geacht.

Het woord ‘manco’s’ ontlenen wij aan de instructie van het College van Procureurs-Generaal aan de CEAS, die met die aanduiding geen problemen gehad lijkt te hebben. Het woord ‘veilig’ ontlenen wij aan de instructie aan de Engelse Criminal Cases Review Committee, die met die aanduiding uit de voeten blijkt te kunnen. Een beperking van het criterium voor toelating tot gevallen waarin de aanvrager tot een gevangenisstraf van tenminste tien jaren is veroordeeld, komt ons onnodig voor als voorzien wordt in een toelatingsprocedure zoals die thans ook geldt voor de CEAS. Onwenselijk bovendien omdat ook een onterechte veroordeling tot een geringere straf het rechtsgevoel van de betrokkene diep kan schokken, zo weten wij uit eigen waarneming. De voorgestelde formulering geeft weliswaar de door velen gewenste grotere ruimte voor beslissingen over herziening van strafzaken, maar zal in ieder geval aanvankelijk jurisprudentiële verduidelijking behoeven. De vraag wie het meest geschikt is om die jurisprudentie te verschaffen, vormt het onderwerp van hetgeen volgt.

 
De rol van de Hoge Raad bij herziening

‘De vanzelfsprekendheid dat rechterlijke oordelen, juist ook onherroepelijke rechterlijke vonnissen houdende veroordeling in strafzaken, opnieuw moeten kunnen worden onderzocht als daartoe aanleiding bestaat, moet worden ingevuld vanuit het principe dat een dergelijk onderzoek alleen door rechters wordt uitgevoerd.’ Dit citaat ontlenen wij aan Hermans en Mevis12, die de meest uitgesproken vertegenwoordigers zijn van dit standpunt, maar zij staan daarin niet alleen: ook voorzitter Harm Brouwer van het College van Procureurs-Generaal en, nog onlangs, de scheidende president van de Hoge Raad13 laten zich in die zin uit, al drukken zij zich minder apodictisch14 uit. ‘De regie’ bij herzieningszaken moet bij de Hoge Raad blijven, schrijven Hermans en Mevis, een woordgebruik dat de argwaan wekt dat het hun er vooral om gaat buitenstaanders buiten de deur te houden.15 Doel van hetgeen volgt is (nogmaals) uit te leggen waarom dat nu juist geen goed idee is.

De Hoge Raad als feitenrechter

Het heet dat de Hoge Raad niet over de feiten gaat; zijn taak is het te waken over de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid. Toch is dat niet helemaal waar. Ook in cassatie kan worden geklaagd en wordt niet zelden geklaagd over de onbegrijpelijkheid van een door de feitenrechter genomen beslissing: de gebezigde bewijsmiddelen en de erop gebaseerde bewijsoverwegingen kunnen volgens de klager de beslissing van de feitenrechter niet dragen. Zo’n klacht heeft zelden succes omdat de Hoge Raad haar slechts marginaal toetst: de feitenrechter moet het bij de bewijsbeslissing wel heel bont gemaakt hebben, wil een motiveringsklacht slagen.

Een belangrijker uitzondering op het principe dat de Hoge Raad niet over de feiten gaat, is de herzieningsprocedure. Daarbij gaat het nu juist wél over de feiten16: over de vraag welke feiten de lagere rechter onder ogen heeft gehad, of een feit dat als een novum wordt aangeboden dat inderdaad is en zo ja, of dat voor de bewijsbeslissing verschil zou hebben gemaakt. Het minste wat men over deze gang van zaken kan zeggen, is dat het om voor de cassatierechter ongebruikelijk werk gaat.

Er is ook een indirecte wijze waarop de Hoge Raad over de feitelijke strafrechtspraak gaat: door de wijze waarop hij in de loop van de tijd de regels voor strafrechtelijk bewijs, zoals die in de derde afdeling van het Wetboek van strafvordering zijn vastgelegd, heeft geïnterpreteerd. Daarbij heeft hij een vrijzinnige houding aan de dag gelegd, die gemaakt heeft dat de regels voor strafrechtelijk bewijs grotendeels van hun oorspronkelijke betekenis zijn ontdaan.17 De paradoxale situatie doet zich voor dat deze vrijzinnige houding ten aanzien van de regels van strafrechtelijk bewijs fel contrasteert met de zeer restrictieve, welhaast fundamentalistische wijze waarop diezelfde Hoge Raad het wetsartikel interpreteert waarin de gronden voor herziening zijn omschreven: ‘enige omstandigheid’ in het tweede lid van art. 457 werd, zonder dat de wetstekst daartoe dwingt, ‘een feitelijke omstandigheid’ of, nog beperkter, ‘een nieuw feit’, dat de lagere rechter niet alleen niet onder ogen moet hebben gekregen, maar zelfs op geen enkele wijze onder ogen had kunnen krijgen. Het ligt niet voor de hand om te verwachten dat de rechterlijke instantie die jarenlang de schroeven voor herziening steeds strakker heeft aangedraaid zich bereid zal tonen die schroeven losser te draaien nu de nieuwe redactie van art 457 Sv daartoe de gelegenheid bedoelt te bieden. Het zou niet de eerste keer zijn dat de Hoge Raad zich tegen de uitdrukkelijke wens van de wetgever keert. Dat begon vrijwel onmiddellijk na de invoering van de Wetboek van Strafvordering met het de auditu-arrest en vond in het nabije verleden zijn voorlopige apotheose in het arrest van 11 april 2006, waarmee de Hoge Raad de strekking van het kort tevoren (1 januari 2005) ingevoerde art. 359, lid 2 drastisch inperkte.18

Hoe onafhankelijk is de Hoge Raad in herzieningszaken?

Herziening in strafzaken komt slechts aan de orde wanneer de opeenvolgende rechterlijke instanties, meestal inclusief de Hoge Raad, zich over een strafzaak hebben uitgelaten en tot de conclusie zijn gekomen dat er bij de berechting niets fout is gegaan, althans niets dat zo fout was dat de veroordeling niet in stand kan blijven. De zaak is onherroepelijk geworden. Wie dan nog om herziening van zijn zaak vraagt, vraagt de Hoge Raad om een onherroepelijke beslissing te herroepen en de mogelijkheid onder ogen te zien dat de met driedubbele waarborgen omgeven rechtsgang toch nog heeft gefaald. Het komt in het maatschappelijk verkeer vaak voor dat de ene partij meent dat de andere partij een zaak niet juist heeft afgehandeld en dat daarom correctie is geboden. In zo’n geval is het niet ongebruikelijk om het verschil van inzicht aan een onafhankelijke derde voor te leggen. Die onafhankelijke derde is in veel gevallen de rechter, juist omdat wij van de rechter als buitenstaander in zo’n geschil strikte onpartijdigheid verwachten.

In een strafrechtelijke herzieningszaak beklaagt de aanvrager zich erover dat alle rechters die achtereenvolgens over de zaak hebben geoordeeld, een of meer fouten hebben gemaakt om welke reden dan ook: omdat zij onvolledig geïnformeerd waren en dat niet hebben opgemerkt, of de informatie die hen verstrekt was door onoplettendheid of onbegrip niet op de juiste waarde hebben weten te schatten. Omdat de rechter belast is met het toezicht op het werk van het openbaar ministerie, richt de klacht van een verzoeker zich onvermijdelijk ook tegen de rechter, die in zijn toezichthoudende taak blijkbaar tekortgeschoten is. In een herzieningsprocedure is de tegenstander van de aanvrager niet langer het openbaar ministerie, maar de rechter. En die vragen wij in de bestaande herzieningsprocedure en ook in de door het wetsontwerp voorgestelde nieuwe herzieningsprocedure om een nieuwe beslissing over een zaak waarover hij eerder al het finale oordeel dacht te hebben geveld. De vraag ligt voor de hand of de rechterlijke macht over zo’n zaak nog wel belangeloos kan oordelen en of zelfs niet de schijn van ontbrekende belangeloosheid vermeden moet worden. Is ontwijfelbare belangeloosheid niet de raison d’être van de rechterlijke macht?

Ons bezwaar geldt niet alleen of zelfs maar in de eerste plaats dat de mogelijkheid dat men in een beroepsgroep waar men elkaar kent en dikwijls in een eerder stadium al collegiaal heeft samengewerkt, elkaar niet voor het hoofd wil stoten. Fundamenteler is het probleem van common mode errors, dat erin bestaat dat mensen die dezelfde opleiding hebben genoten en zich in de praktijk dezelfde manier van denken eigen hebben gemaakt, geneigd zijn ook dezelfde fouten te maken.19 Op het terrein van, bijvoorbeeld, de industriële veiligheid probeert men common mode errors te voorkomen door beslissingen over ontwerp en beheer van potentieel gevaarlijke installaties te laten beoordelen door verschillende teams, die niet op dezelfde manier zijn opgeleid en die bij het opsporen van risico’s gebruik maken van verschillende apparatuur en programmatuur. Die werkwijze verdient de voorkeur in iedere situatie waarin beslissers een jarenlange training hebben ondergaan in de typische denktrant die bij zo’n situatie heet te horen. Herziening in strafzaken in handen leggen van mensen die zijn voortgekomen uit de kringen van mensen wier werk zij moeten beoordelen en die gepokt en gemazeld zijn in de manier van denken die in die kring gebruikelijk is, is vragen om common mode errors.

Het wetsontwerp gaat aan deze bedenkingen voorbij, sterker, het doet zelfs een stap terug in vergelijking met de voor het moment bestaande situatie. De CEAS bestaat uit lieden die niet, in ieder geval niet voltijds, deel uitmaken van de zittende magistratuur. Zij doen hun onderzoeken onafhankelijk van de rechterlijke macht, mogen zich over het functioneren daarvan ook niet uitdrukkelijk uitlaten, maar doen dat onvermijdelijk bij implicatie wel.

Toen de CEAS zijn werk begon was zijn opdracht om ‘na te gaan of zich in een specifieke strafzaak in de opsporing, vervolging en/of presentatie van het bewijs ter terechtzitting ernstige manco’s hebben voorgedaan die een evenwichtige beoordeling van de feiten door de rechter in de weg hebben gestaan’. De vraag wat er met een CEAS-rapport zou moeten gebeuren wanneer in een zaak zulke manco’s werden gerapporteerd, bleef aanvankelijk onbeantwoord. Maar daar kwam spoedig verandering in: door de CEAS vastgestelde manco’s kunnen alleen rechtsgevolgen hebben als tenminste één daarvan een novum genoemd kan worden in de definitie die de Hoge Raad daaraan pleegt te geven. Het was de procureur-generaal bij de Hoge Raad die besloot om met CEAS-rapporten om te gaan op de in zijn kring gebruikelijke wijze. Dat werd duidelijk bij het verschijnen van het CEAS-rapport over de zaak van Lucia de B. Dat rapport documenteerde dat er op de rechtsgang velerlei aan te merken was, maar was er wel een novum? Zo niet, dan zou er aan die zaak niets meer te doen zijn.

Het kostte advocaat-generaal Knigge grote moeite om in die zaak een novum aan te wijzen. Dat vond hij niet in het voor de rechtsgang zeer kritische CEAS-rapport, hij moest het zelf creëren door in een 15 bladzijden lang betoog het novum-criterium te herdefiniëren – ‘op te rekken’ in zijn woorden – en door vervolgens een nieuwe deskundige, prof. Meulenbelt, onderzoek te laten doen en het resultaat daarvan tot novum in zijn definitie te verklaren. Ook in de Enschedese ontuchtzaak moest door advocaat-generaal Schipper naar een novum gezocht worden, maar hij richtte al zijn energie erop om door de CEAS aangedragen nieuwe feiten óf niet nieuw genoeg te vinden, óf niet ernstig genoeg. Knigge en Schipper mogen van mening verschillen over de ruimte die het novum-criterium biedt, zij zijn het erover eens dat herziening ook van door de CEAS indringend bekritiseerde zaken alleen mogelijk is als er een novum is. Maar als alleen een novum, in welke voor de Hoge Raad acceptabele definitie dan ook, tot herziening kan leiden, dan was het instellen van de CEAS helemaal niet nodig geweest. Wie een valabel novum had, kon immers altijd al rechtstreeks om herziening van zijn zaak vragen.

Wat de CEAS aan de sinds jaar en dag bestaande herzieningsprocedure toevoegde was, dat de aanvrager hulp kon krijgen bij het vinden en onderbouwen van een novum, hulp zoals nu ook door het ontwerp van wet in uitzicht wordt gesteld. Was aanvankelijk onduidelijk dat een CEAS-onderzoek alleen tot een advies tot herziening zou kunnen leiden als het onderzoek een novum opleverde, thans anticipeert de toegangscommissie van de CEAS al op de common mode van denken van de Hoge Raad en wijst zaken, hoe onbevredigend die ook verlopen zijn, af als de toegangscommissie het vinden van een novum op het eerste gezicht onwaarschijnlijk acht. De voorzitter van die commissie, prof. Buruma, noemde dat tijdens zijn televisie-optreden bij NOVA onbevredigend.20 Er zijn zaken waarbij het ernstige vermoeden gerechtvaardigd is dat het onherroepelijke rechterlijke oordeel herziening behoeft zonder dat er sprake is van een novum in de oude dan wel nieuwe definitie van dat criterium.21

Met het overhevelen van het werk dat thans (tijdelijk) door de CEAS gedaan wordt naar de Hoge Raad en zijn parket, zou het probleem worden opgelost dat bij herzieningsverzoeken de rol van de zittende magistratuur buiten beschouwing moet blijven, omdat de Hoge Raad zich, anders dan de CEAS, ook kan uitlaten over de wijze waarop de rechters hun werk in concrete zaken hebben gedaan. Dat doet de Hoge Raad immers met zekere regelmaat in cassatiezaken. Dat zou men als een verbetering kunnen zien. Waarom stemmen wij dan toch niet in met de in het ontwerp van wet voorgestelde gang van zaken?

Een onafhankelijk bestuursorgaan

Wij willen aannemen dat de in het ontwerp van wet voorgestelde gang van zaken bij revisies is bedoeld als oplossing voor althans een deel van de hiervoor genoemde problemen, maar het risico dat er in de praktijk van die oplossing, door de vermenging van belangen en het risico van common mode fouten, weinig terecht zal komen, achten wij groot. Wij pleiten er daarom voor om de beslissing over herziening van strafzaken bij de Hoge Raad weg te halen, al was het alleen maar omdat dat instituut, zoals de scheidende president in het al eerder aangehaalde interview zei, ‘bedolven raakt’ onder het alsmaar toenemende werk en ‘aan de kerntaak – de grenzen van het recht markeren – te weinig toe komt’.

Maar voor zo’n principiële ingreep is natuurlijk meer nodig dan alleen een praktische overweging. Een principiële reden voor zo’n ingreep is dat de Hoge Raad zich niet kan onttrekken aan tenminste de schijn dat hij bij herzieningsverzoeken niet in ieder opzicht belangeloos is. De wijze waarop de Hoge Raad in de jurisprudentie de nauwe toegangspoort naar herziening van lid 2 van art. 457 Sv voortdurend verder heeft vernauwd dan waartoe de letter van de wet verplicht, wekt tenminste de schijn dat de Hoge Raad weinig opheeft met het herroepen van onherroepelijke rechterlijke beslissingen. Dat is vanuit zijn standpunt bezien ook wel begrijpelijk: heropening van afgedane zaken ‘ondermijnt het gezag van de rechtspraak’, zoals Hermans en Mevis het uitdrukken.22 En even later schrijven zij: ‘Bij peilingen van het vertrouwen dat de bevolking in haar geheel in de rechterlijke macht stelt, blijkt telkens weer dat het met dat vertrouwen in ons land nog niet zo slecht gesteld is.’ Wij weten niet welke bronnen de beide auteurs hebben geraadpleegd voor de constatering dat het in ons land met het vertrouwen in de rechterlijke macht ‘nog niet zo slecht’ gesteld is. Onze indruk en, belangrijker, die van het College van Procureurs-Generaal is een andere. Zo schrijft zijn voorzitter Brouwer in reactie op het artikel van Hermans en Mevis waaruit wij daarnet citeerden: ‘Stil blijven zitten was geen reële optie toen in de tweede helft van 2005 het vertrouwen in de rechterlijke macht danig geschokt was…’23. Hermans en Mevis lijken, zoals dat in het Engels wel genoemd wordt, in denial. Er moet wel degelijk iets ondernomen worden om het afbrokkelende vertrouwen in de strafrechtspleging te stoppen.

Dat oordeel deelt de minister blijkbaar; vandaar het wetsontwerp. Maar alles in het ontwerp lijkt erop gericht om de gang van zaken binnen het vertrouwde kader van de rechterlijke macht te houden. Het door procureur-generaal Brouwer gesignaleerde24 ‘gebrek’ van de CEAS, namelijk ‘dat om staatsrechtelijke redenen de rol van de zittende magistratuur buiten beschouwing blijft’, wordt er niet door hersteld. Bovendien wordt in artikel 462 van het wetsontwerp bepaald dat ‘de benoeming van de leden’ van de onderzoek/adviescommissie, die het werk van de CEAS moet gaan overnemen, ‘geschiedt door de Minister van Justitie op voordracht van de procureur-generaal’ bij de Hoge Raad, en in art. 463 van het ontwerp dat ‘de leden van het onderzoeksteam’ dat de adviescommissie bij zijn onderzoek moet bijstaan, ‘worden benoemd door de procureur-generaal’, en ten slotte dat ‘de werkzaamheden van het onderzoeksteam geschieden onder leiding en verantwoordelijkheid van de procureur-generaal’. Is het malicieus om te denken dat deze artikelen ervoor bedoeld zijn om te voorkomen dat ‘onbetrouwbare’ personen aan het herzieningswerk zouden kunnen deelnemen en om ‘onwenselijke’ uitkomsten te voorkomen? Zelfs als dat vermoeden redelijke grond ontbeert, nemen deze bepalingen in ieder geval niet de schijn weg dat zij bedoeld zijn of in ieder geval kunnen worden gebruikt om herziening binnen de perken en onder controle te houden. Het ontwerp van wet kan het in de afgelopen jaren onmiskenbaar afbrokkelende vertrouwen in de belangeloosheid van de met herziening belaste instantie onvoldoende herstellen.

Het is om die reden dat wij25 en anderen gepleit hebben voor het opdragen van het onderzoek naar de gegrondheid van herzieningsverzoeken aan een onafhankelijk bestuursorgaan, dat wij aanduidden als een ‘revisieraad’, waarvan de leden geen deel mogen uitmaken van de zittende of staande magistratuur, bij voorkeur benoemd door de Commissie voor Justitiezaken van de Tweede Kamer, aan wie zij ook rapporteert en die vervolgens aan de Hoge Raad adviseert om een gerechtshof op te dragen om een zaak opnieuw te berechten, met inachtneming van de door de revisieraad gerapporteerde redenen voor die beslissing. Wij zouden ons kunnen voorstellen dat zulke revisiezaken dan behandeld zouden worden door een telkens speciaal te vormen revisiegerechtshof, bestaande uit drie raadsheren die uit verschillende bestaande gerechtshoven worden gerekruteerd.

De in de vorige alinea gegeven summiere uitwerking geven wij gaarne voor een betere. Voor het moment is het van belang op te merken dat het wetsontwerp om redenen hiervoor aangegeven, het nog steeds bestaande wantrouwen in de strafrechtspleging niet (voldoende) kan herstellen. De schijn van belangenverstrengeling en het risico van common mode errors worden er immers niet door opgeheven.

Dit artikel is verschenen in NJB 2009/10.

Bron afbeelding: quinn.anya

  1. Volgens de Memorie van Toelichting moest de Hoge Raad zich daarbij ‘(noodgedwongen) in juridische bochten wringen’ (p. 18). Wat was dan de nood die in dit geval zo dwong? De publiciteit?
  2. Zie in dit verband: H. Israëls & H.F.M. Crombag, Een novum van de Hoge Raad, NJB, 2004, 79, 1299-1301.
  3. Aansluitend bij de Duitse regeling voor herziening (p. 18 e.v.).
  4. Knigge besteedt in zijn conclusie aan een discussie over het novum-criterium 25 bladzijden; Schipper heeft voor hetzelfde onderwerp nog geen hele bladzijde nodig.
  5. In zijn conclusie over de zaak van Lucia de B. schrijft Knigge dat ‘als het dossier omvangrijk en onoverzichtelijk is, (…) dat uitgangspunt het karakter van een fictie kan krijgen’.
  6. Die wij in het voorgaande kortweg hebben aangeduid met het woord ‘nieuw’.
  7. Zoals onderzoek naar de financiën van de verdachten waaruit had kunnen blijken dat zij inkomsten uit handel in videobanden met kinderporno hadden verworven, hetgeen niet het geval bleek; of transcripties van telefoongesprekken van een van de verdachten met zijn dochter, waarin hij er bij zijn dochter herhaaldelijk op aandrong om de waarheid te vertellen.
  8. Zoals zijn overtuiging dat het hof niet minder geloof gehecht zou hebben aan de aangifte van een van de beweerde slachtoffers als het weet had gehad van de in de transcriptie ontbrekende vijf bladzijden, waaruit blijkt dat de halfzus van het beweerde slachtoffer op zeker moment het verhoor van de ondervragende rechercheurs heeft overgenomen.
  9. In de uitzending van het televisieprogramma NOVA op 22 september 2008 en op 23 september in NRC Handelsblad.
  10. Nr. 1, 2008, 10-13.
  11. Op p. 12 van zijn beschouwing noemt Brouwer het feit ‘dat om staatsrechtelijke redenen de rol van de zittende magistratuur buiten beschouwing blijft’ onder de ‘gebreken’ die de CEAS-procedure aankleven.
  12. Herman Hermans & Paul Mevis, Commentaar op de rechter. Trema, nr. 10, 2007. In dezelfde zin Mevis in NRC Handelsblad van 31 mei 2008.
  13. Willibrord Davids in een interview in NRC Handelsblad van 31 oktober 2008.
  14. De mededeling dat hun standpunt ‘vanzelfsprekend’ is, maakt van hun ‘principe’ een petitio principii.
  15. De gedachte dat de Hoge Raad enige ‘regie’ in strafzaken voert, wat daaronder dan ook verstaan zou moeten worden, is verrassend. Zij komt voor zover wij weten nergens in de literatuur voor.
  16. De onder a en b in lid 1 van art. 457 Sv genoemde herzieningsgronden laten wij buiten beschouwing. Over de wijze hoe daarmee om te gaan hebben wij geen uitgesproken ideeën.
  17. Voor onderbouwing van dit verwijt: H.F.M. Crombag, P.J. van Koppen & W.A. Wagenaar, Dubieuze Zaken. Amsterdam: Olympus, 2006 (4de druk), i.h.b. p. 444.
  18. Daarover: W.H.B. Dreissen, Bewijsmotivering in Strafzaken. Den Haag; Boom Juridisch Uitgevers, 2007, passim.
  19. Daarover: J.T. Reason (1990), Human Error. Cambridge: Cambridge University Press, Ch. 9; en J.W. Sanders & N. Moray (1991), Human Error: Cause, Prediction, and Reduction. London: Lawrence Erlbaum Associates, Ch. 9.
  20. Citaat: ‘Op dit moment hebben we zaken waarbij het door de politie en het OM allemaal wel redelijk gedaan is, maar dat je toch als je er naar kijkt niet begrijpt waar de rechter zijn overtuiging op gebaseerd heeft waarop die tot zijn veroordeling is gekomen. (…) Er is voorgekomen dat ikzelf met mijn commissie dacht: kunnen we nou niet ergens een gaatje vinden om dat onderzoek open te breken. En dan konden we dat gaatje niet vinden…’.
  21. Voor onderbouwing van die bewering zie: W.A. Wagenaar, P.J. van Koppen & H. Israëls, De Slapende Rechter. Amsterdam: Prometheus.
  22. Op. cit., p. 414.
  23. H.N. Brouwer, Eerherstel voor de CEAS. Trema, nr. 1 2008.
  24. Op. cit., p. 12.
  25. NRC Handelsblad van 13 maart 2007. In dezelfde zin: H.F.M. Crombag, Wie geven wij het allerlaatste woord? NJB, nr. 38, 2007.
Deel dit artikel:

{ 1 reactie }

Reageren

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: