Nadat de Hoge Raad in 2002 besliste dat het niet aan hem was om smartengeld voor naasten in te voeren, kwam de regering in 2003 met het voorstel voor een troostgeld voor naasten en nabestaanden. Dit wetsvoorstel affectieschade liep in 2006 echter averij op in de Eerste Kamer; zij wilde weten waar het naasten en nabestaanden werkelijk om gaat. Eén van de kernvragen was of zij werkelijk de voorkeur geven aan een vast bedrag ongeacht wat er gebeurd is, ongeacht wie er is gekwetst of overleden. Discussie over de vergoeding zou de verwerking, aldus Donner, nadelig beïnvloeden. De weerstand in de Kamer was de aanleiding voor een onderzoek naar de behoeften van slachtoffers in het algemeen en van naasten en nabestaanden.
Deel 1 leverde in 2007 op dat het slachtoffers in het algemeen behalve om compensatie ook gaat om gerechtigheid, erkenning, waarheid, voorkomen dat een ander hetzelfde overkomt. Verder is het afwikkelingsproces van belang: het kan bijdragen aan bevrediging van hun behoeften, maar ook belastend zijn. De regering concludeerde dat de inrichting van het aansprakelijkheidsrecht intact kan blijven gelet op het bestaande ‘potentieel’ op het vlak van de emotionele behoeften: procedure op tegenspraak, autonomie van partijen, mogelijkheid het eigen verhaal te kunnen doen, formele karakter van een procedure. Omdat de nadruk in de praktijk echter wel degelijk vrijwel volledig op financiële afwikkeling ligt, zou winst te behalen zijn op het vlak van verbetering van het afwikkelingsproces. Meer dan de in 2006 totstandgekomen Gedragscode Behandeling Personenschade ‘volgen’ doet de regering echter niet. Zij gokt op zelfregulering.
Op 9 februari jl. heeft zij deel 2 over de behoefte aan affectieschade aan de Eerste Kamer aangeboden. Zowel nabestaanden bij overlijden als naasten in geval van ernstig blijvend letsel blijken inderdaad behoefte te hebben aan vergoeding van affectieschade. Zij is echter een ‘middel tot een doel’: vergoeding draagt bij aan bevrediging van behoeften die hoger worden aangeslagen: erkenning door het recht van de emotionele gevolgen voor de naasten, erkennen van de fout door de dader en het vragen van een opoffering van de verantwoordelijke partij. Er is duidelijk geen voorkeur voor een vast bedrag: slechts 16% van de respondenten koos daarvoor. Verder blijkt de wijze van afwikkeling van belang. De onderzoekers suggereren een persoonlijke brief van de verzekeraar. Belangrijk is ten slotte dat de afhandeling niet tegelijkertijd met de afwikkeling van ‘financiële schade’ plaatsvindt, maar in een apart traject.
De regering verzoekt de Senaat nu de behandeling van het wetsvoorstel weer op te pakken. De wijze van afwikkeling laat zij over aan zelfregulering. Ook verder blijft het oorspronkelijke voorstel intact. Ondanks de uitgesproken voorkeur voor iets anders blijft het namelijk bij één vast bedrag. Het kabinet klampt zich vast aan het feit dat een aantal respondenten heeft aangegeven dat discussie over de hoogte van het bedrag de verwerking zou hebben belemmerd en geïnterviewde Vlaamse ervaringsdeskundigen hebben aangegeven dat zij het als onaangenaam hebben ervaren om over de hoogte van de vergoeding te moeten discussiëren. De voorkeur van Nederlandse respondenten, juist geen vast bedrag, is daarom, aldus het kabinet, wellicht ingegeven door hun verwachting dat een vast bedrag vanwege het abstracte karakter minder erkenning biedt, maar wordt niet gecorrigeerd door ervaring met een debat over de hoogte van het bedrag. Dat het onderzoek zelf aangeeft dat het geen betrouwbare basis is voor deze conclusie, weerhoudt de regering er niet van vast te houden aan een lijn die de Eerste Kamer eerder ergerde: de regering meent gewoon te weten dat naasten het beste af zijn met een vast bedrag.
In het oog springt de politiek van zelfregulering zowel bij afwikkeling van personenschade in het algemeen als van affectieschade, zij het dat de regering daar bij de omvang nota bene tegen de stroom in de leiding neemt. Sowieso valt het beperkte ambitieniveau van de regering op: als waar is dat vergoeding van affectieschade in een ‘apart’ traject moet geschieden om tot haar recht te komen, zou dan niet eens naar de afwikkeling van smartengeld in het algemeen moeten worden gekeken? In de praktijk wordt veelal een ‘lump sum’ vastgesteld waar het smartengeld ‘in zit’. Slachtoffers realiseren zich dat vaak niet en verwarren smartengeld met vergoeding van vermogensschade. Wordt zo de emotionele meerwaarde van smartengeld gerealiseerd? En als waar is dat discussie over de omvang van de affectieschadevergoeding de verwerking frustreert, zou dat dan anders liggen bij discussies die personenschadeslachtoffers in het algemeen over de omvang van hun vergoeding moeten voeren? Het affectieschadeonderzoek heeft juist opgeleverd dat men afwikkeling van de financiële schade het allerbelangrijkst vindt. Zouden we daar dan niet meer werk van moeten maken?
De aandacht de afgelopen jaren in beleid en doctrine voor de emotionele behoeften van slachtoffers, naasten en nabestaanden, moet ons niet afleiden van het feit dat het bij afwikkeling van personenschade toch vooral om geld gaat. Herstel van inkomensschade, financiering van herstel en verzorging en, in de vorm van smartengeld, ‘goedmaken wat niet meer te herstellen is’. Heeft het werkelijk de belangstelling van ‘Den Haag’ dat slachtoffers dat veelal moeten bevechten, dat er soms ordinair handjeklap plaatsvindt? Zou ‘Den Haag’ weten dat ons omringende landen het smartengeldniveau het laatste decennium fors hebben zien stijgen, in Duitsland is het plafond zelfs verdubbeld tot 500.000 euro, terwijl het Nederlandse plafond nog steeds ca. 136.000 euro, het niveau van 1999, bedraagt? Omdat geld niet alleen in onze eurobeleving minder waard is geworden, is het smartengeldniveau de facto gedaald.1
‘Den Haag’ zet geld op rechters en zelfregulering en neemt zo de ene na de andere gok ten koste van slachtoffers van personenschade. Het komt echter niet allemaal vanzelf goed en in ieder geval niet snel genoeg. De regering toont zich krachtig waar het gaat om een ‘minor issue’ als de omvang van de affectieschadevergoeding. Laat zij haar spierballen beter benutten: op het veld van de afwikkeling van de personenschade is meer dan voldoende werk aan de winkel.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/10.
Bron afbeelding: _Teb
{ 0 reacties }

