De onderzoekende en/of googelende rechter

door Coen Drion

op 30 maart 2009 in Vooraf

Afbeelding bij De onderzoekende en/of googelende rechter

Ondanks hoge productie- en werkdruk is de Nederlandse rechter vaak een betrokken geschilbeslechter, die niet zelden expliciet de rechtvaardigheid zoekt in het individuele geval. Soms is dat relatief eenvoudig, bijvoorbeeld omdat de desbetreffende procespartijen en hun procesvertegenwoordigers alle relevante feiten, vorderingen en verweren als op een presenteerblaadje aanbieden, maar niet zelden is het leven voor de rechter minder gemakkelijk. Dan wil hem soms het gevoel bekruipen dat de zaak tot meer helderheid gebracht zou moeten worden, of, minder neutraal geformuleerd, dat een partij een beetje geholpen zou moeten worden. Daartoe staan de rechter tal van instrumenten ter beschikking. Hij kan de materieelrechtelijke weg bewandelen door bijvoorbeeld de rechtsgronden aan te vullen of de redelijkheid en billijkheid te hulp te roepen, maar soms zit het probleem in de naar voren gebrachte feiten of verweren, of, preciezer gezegd, in de juist níet of te gebrekkig naar voren gebrachte feiten of verweren. Dan loopt hij op tegen wettelijke grenzen, zoals die welke in de artikelen 149 en 24 Rv zijn neergelegd; kort gezegd het verbod om bij de beslissing rekening te houden met feiten, anders dan feiten van algemene bekendheid, die niet door partijen zijn aangevoerd, respectievelijk, het verbod om een beslissing te baseren op een rechtsfeit waarop ten onrechte geen beroep is gedaan.

Met beide wettelijke beperkingen valt wel creatief om te gaan en met name de comparitie biedt prachtige mogelijkheden. Bij vragen van de rechter als “bedoelt u misschien te zeggen dat…”, “is er wellicht nog iets anders, bijvoorbeeld in de producties waar wij het net over hadden, waarop u zich hier wenst te beroepen” of “kunt u mij aangeven waarom het door u gevorderde conform de redelijkheid en billijkheid zou zijn”, veert de ervaren procesadvocaat op. Hier is een actieve rechter aan de gang en dan is het opletten geblazen, hoewel niet eenvoudig om iets te ondernemen. Een enkele keer geeft de Hoge Raad grenzen aan1, maar een aanzienlijke vrijheid lijkt het uitgangspunt, hetgeen ook niet zo gek is omdat partijen er zelf bij zijn.

Anders ligt het indien de rechter buiten de comparitie of (zelfs) de gedingstukken om op zoek gaat naar bouwstenen voor een rechtvaardige uitkomst. Soms mag dat expliciet volgens de Hoge Raad, bijvoorbeeld bij uitleg van overeenkomsten. Behoudens het geval dat partijen het eens zijn over een bepaalde uitleg,2 mag de rechter een uitleg bezigen die door geen der partijen is verdedigd3 en hij hoeft partijen daar ook niet over te horen.4 Buiten de uitlegproblematiek lijkt de Hoge Raad strenger en gaat de feitenrechter sneller een grens over, waarbij met name van belang is dat het recht op verdediging niet geschonden mag worden en/of geen verrassingsbeslissing mag worden gegeven.5

Artikel 149 Rv bevat, zoals bekend, in lid 2 nog een interessante escape voor de rechter die een partij te hulp wil schieten. Feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels mogen aan de beslissing ten grondslag worden gelegd, ook als zij niet zijn gesteld, en behoeven geen bewijs. De eerste categorie lijkt voor de praktijk het belangrijkst. Dan gaat het, zoals de parlementaire geschiedenis zegt, om “notoire feiten die ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen”. Digitale archieven of het internet bieden interessante mogelijkheden.6 Wat dacht u van de volgende voorbeelden, komende uit de praktijk van kantoorgenoten?

In de eerste (verzekerings)zaak ruzieden partijen over de vraag of een Porsche Carrera meer besturingsrisico meebracht dan een Audi (Quattro). Partijen beschouwden de Audi als een gewone gezinsauto, maar de rechter gaat internetten7: “Vergelijking van snelheid en vermogen van beide auto’s via Internet leert dat beide auto’s in globaal dezelfde categorie vallen, zodat [verzekeraar] onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van risicoverzwaring.”. In de tweede zaak vond het slachtoffer in een asbestzaak slechts een paar relevante publicaties die wetenschap van de aangesprokene aannemelijk zouden maken, doch die werden alle gemotiveerd weersproken. De rechter gaat zelf op onderzoek: “De kantonrechter heeft (…) nader onderzoek gedaan in het krantendepot van de Koninklijke Bibliotheek. [de kantonrechter vindt dan diverse publicaties, CDR] De kantonrechter moet ervan uitgaan dat de directeuren van [aangesprokene] (…) een van deze kranten gelezen zullen hebben. (…) Wanneer zij in het geheel geen dagbladen lazen is dat voor hun rekening.”.8

Deze rechters gaan ver. Te ver? Ik vind van wel. Maar mag een rechter dan nooit meer googelen (en daarvan eerlijk kond doen)?9 Jawel, maar niet binnen de sleutel van art. 149 lid 2 Rv, zou ik menen. Hij moet partijen tenminste in de gelegenheid stellen zich uit te spreken, variërend van wraking tot procesrechtelijke en inhoudelijke betwisting, voordat hij een oordeel velt.10 Met andere, en spelend met Dommerings gevleugelde, woorden: het internet mag niet dankzij art. 149 lid 2 Rv11 een vergiet zijn waardoor beginselen van behoorlijk procesrecht wegvloeien.

Update: zie hier een blogbericht over Wikipedia als bron van rechtspraak en hier een artikel uit The New York Times over googelende juryleden.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/14.

Bron afbeelding: 96dpi

  1. HR 26 september 2003, NJ 2004, 460 (Regiopolitie/Hovax), zie r.o. 5.2 en 5.3.
  2. Zie HR 6 oktober 1978, NJ 1979, 91 (Nobra/Dingemans) en HR 16 februari 1996, NJ 1997, 186 (Zürich/Siemens), tenzij de vaststaande feiten grond geven voor een op een zuiver rechtsoordeel berustende andere kwalificatie (Zürich/Siemens).
  3. HR 19 februari 1993, NJ 1994, 290 (Gem. Groningen / Erven Zuidema); HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566 (FMN / Prêt-à-porter), alsmede HR 16 januari 2004, NJ 2004, 164 (X/Atlanta). Zie ook HR 9 mei 2008, R06/108HR, LJN: BC1255 (X en Y / Eilandgebied Sint Maarten) en (met name in randnummer 28 van de conclusie van AG Huydecoper) HR 5 september 2008, C07/052HR, LJN: BD2984 (BT / Scaramea).
  4. HR 20 januari 1984, NJ 1987, 25 (Leutscher / Van Tuyn c.s. en Derksen q.q.), HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566 (FMN/PàP) en HR 21 juni 1996, RvdW 1996, 145 (Van Genk / De Wild).
  5. HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92 (Poort c.s./ Stoppels), HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158 (Spector/Fotoshop), HR 31 maart 2006, NJ 2006, 233 (E.on / Motion Fors), HR 24 november 2006, NJ 2007, 539 (MSM/Kostelijk c.s.), HR 30 maart 2007, NJ 2007, 293 (LBF / Stichting Jan Rebel).
  6. De Hoge Raad kan wel toetsen, zij het beperkt. Zie onder meer HR 13 januari 2006, NJ 2006, 282 (London/Aegon).
  7. Rechtbank Zutphen, Enkelvoudige Kamer, 2 november 2005, rolnr. 69512 / HA ZA 05-437.
  8. Rechtbank Amsterdam, Sector Kanton, 17 februari 2009, rolnr. CV 06-803.
  9. Misschien komt het fenomeen vaker voor dan we denken, omdat niet alle rechters ervan zullen getuigen in hun uitspraken.
  10. Artikel 19 Rv kan dus wellicht zelfs als basis dienen voor de googelende rechter. Zie ook HR 23 maart 2007, NJ 2007, 178 (Veldhuis/Veldhuis).
  11. Of andersom.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 Jeanine Gérard 17 juni 2009 om 18:23

Mijn inziens moet een rechter zich bovenal bezig houden met waarheidvinding.
De Hoge Raad zou zich af moeten vragen waarom een rechter aan het “googellen” zou zijn geweest en
niet alleen maar kijken of de rechtsgang juist is verlopen.
Zelfs een kind zou het hebben geweten en ook hebben aangevoeld dat de wederpartij glashard onwaarheden te berde bracht tijdens het getuigenverhoor.

groeten Jeanine

HR 17 februari 2006 Spector/Fotoshop

Reageren

Vorige post:

Volgende post: