Wie vroeger veel in een ouderwetse levensmiddelenwinkel kwam, herinnert zich misschien nog wel de gevleugelde woorden van de bovenstaande titel. Zo’n vraag deed een beroep op het gebruik dat wie een pond kaas wil kopen, ook thuis kan komen met een onsje of vier of zes, al naar gelang de snede van dat moment en de, al dan niet structurele, bias van het winkelpersoneel dat het mes hanteerde. De klant werd geacht daarover niet te zeuren en hij stemde in de praktijk ook immer in met deze standaardvraag, zodat hij ook rechtens niets meer om over te mekkeren had.
Tot nu toe ging, bij mijn weten en uitzonderingen op basis van bijvoorbeeld de redelijkheid en billijkheid daargelaten, het kooprecht ervan uit dat, bij gebreke van zo’n afwijkende afspraak, de verkoper de zaak moet leveren die is overeengekomen. Pacta sunt servanda. Ook geringe afwijkingen van de redelijke verwachtingen van de koper leveren in beginsel wanprestatie op en de koper heeft in principe recht op alle remedies die het recht hem toekent. In die redelijke verwachtingen van de koper zit natuurlijk wel de intrinsieke mogelijkheid om echt gemekker op de vierkante millimeter de pas af te snijden, maar als die route onbegaanbaar is, als de wanprestatie daar is, dan is de koper van de kaas ook spekkoper: hij kan de overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbinden, de actio quanti minoris hanteren als hij een consument is, nakoming vorderen en de verkoper tot schadevergoeding aanspreken.
Nou ja, spekkoper, zo lijkt het voor wie alleen de wet leest en denkt dat die de werkelijkheid weergeeft. De realiteit is dat heel veel kopers, met name in de privésfeer, hun rechten niet kunnen effectueren, omdat (professionele) verkopers niet thuis geven en de belangen te gering zijn om een vordering in rechte te rechtvaardigen. Met andere woorden: bij bagatelproblemen in het kooprecht trekt de (professionele) verkoper vaak aan het langste eind in de verhouding met de (consument)koper.1 Bevredigt dat? Dacht het niet en op dit probleem wordt dan ook al decennialang gestudeerd en zien zo nu en dan imperfecte, maar noodzakelijke deeloplossingen, zoals geschilbeslechtingscommissies, het licht.
Als dit waar is dan ligt niet erg voor de hand dat wij een stormvloedkering nodig zouden hebben tegen frivolous claims of, neutraler geformuleerd, opgeklopte of min of meer triviale vorderingen van (consument)kopers, bijvoorbeeld tot schadevergoeding vanwege genotsderving. En toch heeft de Hoge Raad kennelijk gemeend dat die kering er moet komen (HR 5 december 2008, Pollen / Linssen Yachts). In wat ik als de kernoverweging zie, zegt de Hoge Raad: ‘Indien een zaak niet dadelijk in alle opzichten onberispelijk functioneert, is daarmee nog niet gegeven dat de uitgaven die de koper heeft gedaan ter verkrijging van het met behulp van die zaak te behalen onstoffelijk voordeel hun doel in rechtens relevante mate hebben gemist. Dat hangt af van de bijzondere omstandigheden van het geval.’.
In dit arrest lijkt de Hoge Raad te zeggen dat de koper het risico draagt van kleine gebreken in de zaak, althans in die zin dat de koper de kosten die hij heeft gemaakt (waardevermindering en rentederving daaronder begrepen) ter verkrijging van – gemist – onstoffelijk voordeel in privé2 (genotsderving), behoudens bijzondere omstandigheden van het geval, niet als vermogensschade kan verhalen op de verkoper die heeft gewanpresteerd. Een ontzegging (in principe) van een deel van de normale remedies dus. Doet de Hoge Raad daar goed aan?3
Dogmatisch komt het mij minder wenselijk voor dat bij de remedies in het kooprecht een drempelsysteem voor vergoeding van bepaalde schade zou worden ingevoerd. Toegegeven, de Hoge Raad hanteert dat bij de toepassing van de redelijkheid en billijkheid ook – in die zin dat bij de ontbinding minder drempels gelden dan bij de andere remedies –, maar daar zijn dan ook al vele pennen tegen in het geweer gekomen, waaronder die van mij. De verhouding tussen de remedies wordt bij (gedifferentieerde) drempels onoverzichtelijk en lastig te hanteren. Bovendien lijkt een drempel bij de schadevergoeding zich niet onmiddellijk goed te verhouden met een onverkorte toepassing van de gedeeltelijke ontbinding en de actio quanti minoris, welke beide tot dezelfde resultaten kunnen leiden voor de koper als de schadevergoedingsactie. En, waarom zou een schadevergoeding bij huur, waar het uit de aard der zaak om genotsverschaffing gaat, wel mogelijk zijn om dat soort schade vergoed te krijgen en zou dat bij koop problematisch moeten zijn?4
Volgens mij moet er juist niet een remedy-specifieke benadering worden gehanteerd, maar een integrale. Bij alle remedies zou in beginsel in principieel gelijke zin5 de R&B-correctie toegepast moeten kunnen worden. Zie bijvoorbeeld de Draft Common Frame of Reference6, Artikel III.-I:103.7 Een dergelijke benadering biedt duidelijkheid maar ook een plek voor alle omstandigheden van het geval. Een alternatief zou een benadering kunnen zijn waarbij in de causaliteitssfeer privé-genotsderving minder snel wordt toegerekend dan andere vormen van schade. De weg die de Hoge Raad hanteert, hoewel misschien cassatietechnisch in deze zaak onvermijdelijk, leidt toch tot een situatie waarbij het aan de verkoper is om te bepalen dat hij een onsje meer of minder doet, weliswaar op straffe van herstel, maar niet met het afschrikwekkender schadezwaard op de achtergrond. Geldt ook voor het recht: wie het kleine niet eert…?
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/21.
Bron afbeelding: D² Imaging
- Want zijnerzijds zorgt hij er bijna altijd wel voor om betaald te hebben gekregen voordat de problemen zich voordoen. ↩
- Deze casus gaat dus alleen over privé-genotsderving. ↩
- De Hoge Raad lijkt AG Spier te volgen die een principieel betoog houdt voor het aannemen van een drempel voor genotsdervingsschade in de privésfeer. ↩
- Niet voor niets waren de eerste genotsdervingszaken huurkwesties. Zie de conclusie van AG Spier. ↩
- Misschien niet in alle omstandigheden in gelijke mate. ↩
- Von Bar e.a., Principles, Definition and Model Rules of European Private Law, Sellier European Law Publishers 2009, o.a. hier beschikbaar. ↩
- Waar het hele systeem uitgaat van het concept ‘legally relevant damage’ en zelfs in VI-6:102 expliciet wordt bepaald: ‘Trivial damage is to be disregarded.’. W.H. van Boom plaatst dit laatste in zijn redactioneel in NTBR van mei 2009 expliciet in het kader van het aloude leerstuk van het ‘de minimis non curat praetor’ en hij behandelt met name de vraag of strooischade langs deze lijnen volgens de DCFR wellicht niet voor vergoeding in aanmerking zou komen (hetgeen hij onwenselijk oordeelt). ↩
{ 0 reacties }

