In ”Slapende rechters’ of ‘dwalende deskundigen’?’ vindt Marc Loth dat de rechtspsychologen Wagenaar, Israels en Van Koppen zich in hun boek ‘De slapende rechter’ te buiten gaan aan (vrij vertaald) ‘rechtertje pesten’. Binnen de rechterlijke kring verliezen de auteurs hierdoor aandacht en sympathie, aldus Loth. Waarop hij die algemeenheid baseert, weet ik niet. Ik voel me er in ieder geval niet door aangesproken. De bijdrage van rechtspsychologen aan het debat over de kwaliteit van de rechtspraak vind ik over het algemeen zeer nuttig. Ik heb het dan niet alleen over hetgeen ook door Loth wordt onderkend, namelijk dat er door de rechtspsychologen op wordt gewezen dat de rechter te weinig kennis heeft van forensische aspecten. In hun werk vind ik ook allerlei andere kritische noties die voor mij waardevol en herkenbaar zijn. Ook wanneer die noties juridisch wat lastiger zijn te duiden. Van het ‘pejoratieve’ (ik moest het woord opzoeken in Van Dale) taalgebruik heb ik niet zo’n last. Om een Amsterdamse politierechter te parafraseren: de rechter moet tegen een stootje kunnen, zolang het maar geen kopstootje is.
In het boek wordt erop gewezen dat wanneer de rechter een bekentenis ‘wegstreept’ hij wel moet uitleggen waarom hij andere beweringen van diezelfde persoon dan wél gelooft. Nu kun je zoals Loth doet, zeggen dat dit onzinnig is, omdat de auteurs niet hebben begrepen dat met het fenomeen ‘wegstrepen’ wordt gedoeld op het omzetten van de tenlastelegging in de bewezenverklaring. Echter, voor een bereidwillige verstaander ligt er in die opmerking de notie verscholen dat een vonnis of arrest in juridisch-technische zin wellicht piekfijn is uitgewerkt, maar dat dit nog niet betekent dat de bewijsredenering helder is dan wel (erger) dat deze reden tot twijfel kan geven. De waarde van het werk van de rechtspsychologen vind ik in zijn algemeenheid gelegen in het feit dat het de mogelijkheid biedt te reflecteren over de kern van het rechterlijk werk. Daar kunnen geen tien cursussen strafvordering tegenop.
Verder vind ik het betoog van Loth op één inhoudelijk punt niet overtuigend. Loth meent dat de rechtspsychologen er onjuiste ideeën op nahouden omtrent de waarheidsvindende taak van de strafrechter. Smalend merkt hij op dat de rechtspsychologen in de strafrechter ‘kennelijk een soort wetenschapper in toga (zien), die vrijelijk en ongehinderd gaat vaststellen wat er nu ‘werkelijk’ is gebeurd’. Loth impliceert dat het niet de taak van de strafrechter is om de hypothese te toetsen die het OM de strafrechter in de vorm van de tenlastelegging voorhoudt. Interessant is het dan om te weten hoe de taakopvatting van de strafrechter volgens Loth wel luidt. Hij merkt daarover – in vage bewoordingen – op dat strafrechtelijke waarheidsvinding is ‘ingebed in een juridisch discours waarin ook andere partijen, overwegingen en regels een rol spelen’. ‘Daardoor krijgt de waarheidsvinding een institutioneel karakter, die mede berust op wat die partijen hebben ingebracht, de regels over wie wanneer wat mag inbrengen, en niet in de laatste plaats, de redelijke termijn waarbinnen dit alles zijn beslag dient te krijgen’.
Het is de vraag of Loth gelijk heeft wanneer hij zegt dat de strafrechter niet aan hypothesetoetsing doet. Ik merk op dat Corstens daarover in ieder geval iets anders zegt. Hij merkt op dat de tenlastelegging ‘het karakter van een hypothese (draagt) die in het erop volgende eindonderzoek wordt getoetst’. Voorts vindt Loth Corstens ook niet direct aan zijn zijde wanneer hij met zoveel woorden zegt dat het in het strafproces niet gaat om wat er ‘werkelijk is gebeurd’. Bij Corstens valt te lezen dat het wel degelijk gaat om de werkelijkheid, maar dat deze via de tenlastelegging wordt gereduceerd tot haar strafrechtelijk relevante aspecten (zie het Nederlands strafprocesrecht p. 530). Ik denk dat gewoon zo is dat er geen eenduidige theorie is omtrent de omvang van de waarheidsvindende taak van de strafrechter. Zolang dat zo is, vind ik het verwijt dat de rechtspsychologen in dit opzicht uitgaan van eigenzinnige opvattingen voorbarig.
Mr. C. van der Wilt is rechter in de rechtbank te Dordrecht.
Deze reactie is verschenen in NJB 2009/23.
{ 1 reactie }



{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }
Er is nog een derde – nogal fundamenteel – punt waarop Loth van mening lijkt te verschillen met Corstens (en met vrijwel elke andere auteur). Hij schrijft dat het wettig en overtuigend bewijs berust op “het meest aannemelijke verhaal” en de verankering daarvan in de bewijsmiddelen.
De wet schrijft voor dat de rechtbank de vraag beantwoordt of bewezen is dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Volgens Corstens (p. 632) moet onder bewijzen in het strafrecht worden verstaan “aantonen dat in redelijkheid niet kan worden getwijfeld aan de juistheid van het verwijt dat aan de verdachte wordt gemaakt”.
Stel dat een moord is gepleegd en er drie mogelijke scenario’s zijn die elk een waarschijnlijkheid hebben van 20% en een vierde scenario, dat als enige scenario Dimitri K. als dader impliceert (de casus wordt genoemd door Corsten), met een waarschijnlijkheid van 40%.
Het vierde scenario is dan “het meest aannemelijke verhaal” (want meer waarschijnlijk dan elk van de andere scenario’s) en zou volgens de formulering van Loth tot schuldigverklaring van Dimitri moeten leiden.
Dat Dimitri de moord heeft gepleegd staat echter bepaald niet buiten redelijke twijfel vast. Integendeel: het is veel waarschijnlijker dat hij de moord niet heeft gepleegd (60%) dan dat hij dat wel zou hebben gedaan (40%).
Het “buiten redelijke twijfel”-criterium bestaat omdat het van zijn vrijheid beroven van een onschuldige onnoemelijk veel schokkender voor de rechtsorde wordt geacht dan het laten gaan van een crimineel. Zou Loth die opvatting delen?