Wanneer is een concurrent een parasiet en wanneer niet?

door Folkert Jensma

op 30 juni 2009 in De Uitspraak

Afbeelding bij Wanneer is een concurrent een parasiet en wanneer niet?

Mag een fabrikant zijn producten aanprijzen als goedkopere imitaties van met name genoemde duurdere merken? Wanneer is er sprake van ‘parasiterende concurrentie’?

De zaak. Twee fabrikanten versturen aan inkopers van parfumerieën vergelijkingslijsten om reclame te maken voor hun producten. Daarop geven ze precies aan welke van hun parfums ongeveer net zo ruiken als die van hun concurrent. Het gaat bijvoorbeeld om een vergelijking tussen een goedkoop parfum als ‘Pink Wonder’ met een kostbare luxeparfum als ‘Miracle’ van Lancome.

Het conflict speelt in het Verenigd Koninkrijk. Parfumproducenten l’Oreal, Garnier en Lancome vinden dat er een inbreuk op hun (Europese) merkenrecht is gedaan. De kern van hun verwijt is dat ze worden aangevallen door een concurrent die expliciet imitatie of namaak aanprijst van een merk dat van hun is. De Britse rechter roept het EU-Hof in Luxemburg te hulp en vraagt om een bindende uitleg van de EU-richtlijnen. Die gelden ook in Nederland, zodat de Europese uitspraak hier ook gevolgen heeft.

Waar gaat het niet om?

Om de vraag of de producten te veel op elkaar lijken, in uiterlijk of naam. Merkenrecht gaat meestal over economische schade door imitatie. Er is hier wel enige overeenkomst in vorm en kleur van de verpakking, maar meer dan een knipoog is het niet. Het gaat hier dus niet om misleiding van de consument, maar om spelregels tussen fabrikanten. Meer dan dat het publiek beide producten wel met elkaar in verband moet kunnen brengen is hier niet nodig.

Waarom is dit belangrijk?

Feitelijk gaat het over de vrijheid om vergelijkende reclame te maken en daarmee dus ook om de vrijheid van concurrentie. Hoeveel respect moet je hebben voor de marketinginvesteringen van een ander. Wanneer gaat dat oorspronkelijke merk verwateren, vervagen of afbrokkelen? En mag je daaraan actief bijdragen door expliciet je imitatieproduct ernaast af te beelden en aan te prijzen. Is het onderscheidende vermogen, de reputatie van een beroemd merk dus ook beschermd? Of mag iedereen zijn pindakaas naast die van Calvé zetten met de mededeling: voor een fractie van de prijs en smaakt net als Calvé?

Wat zegt de Europese rechter in Luxemburg?

Die hakt een knoop door en definieert wanneer er sprake is van ‘ongerechtvaardigd voordeel’: wie in het kielzog van een merk probeert te varen, om zo te profiteren van prestige en reputatie zonder daarvoor te betalen, zit fout. Voor ongerechtvaardigd voordeel is het niet nodig dat er ook verwarringgevaar dreigt of dat het dure merk zelf duidelijk schade lijdt. Bij meeliften (free-riding) gaat het niet om feitelijke schade, maar om het profijt dat de concurrent uit de vergelijking haalt ‘dankzij de afstraling van het imago van het merk’. Daarvan is sprake als de bekendheid van het merk wordt geëxploiteerd, meent het EU Hof. Wat hier wordt bestraft is commercieel misbruik maken van andermans reputatie.

Zijn er al reacties?

In het commentaar onder de uitspraak wordt opgemerkt dat het kennelijk niet meer nodig is om enig effect op het koopgedrag van de consument te bewijzen. Alleen het ‘deloyale gedrag’ van de concurrent moet worden aangetoond. Daarmee is de positie van de houders van beroemde merken behoorlijk versterkt.

Het arrest van het EU Hof is hier te vinden. De noot onder het arrest van de Groningse hoogleraar Charles Gielen staat hier. Op deze auteursrechtenweblogs wordt dit arrest besproken: hier op boek9.nl en hier op class46.eu.

Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur. Reacties verschijnen op beide sites.

Bron afbeelding: teejaybee

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 8 reacties }

{ 8 reacties… lees hieronder of reageer }

3 T vd Werf 30 juni 2009 om 20:15

Namaken van producten mag misschien wel interessant lijken, maar het originele merk heeft tijd, geld en mensen gestoken in onderzoek.
De imitator snoept alleen de prijskopers bij de uitvinder vandaan.
Dat betekend dat de uitvinder tegengas kan geven door het verschil in kwaliteit te benadrukken, en dat er zonder investeringen in nieuwe zaken, alleen grijze muizen als kopietjes overblijven.

De imitator is in mijn ogen direct al de verliezer, hij geeft met de vergelijking openlijk toe, dat hij niet in staat was zelf met het idee te komen.
Daarnaast grenst het aan diefstal van intellectueel eigendom van de uitvinders.

Er vanuitgaande dat elk recept een uitvinding is.
En helaas, door Europese regelgeving, moet tegenwoordig elk ingredient zo’n beetje vermeld worden, zodat namaak ook in de hand gewerkt wordt.

4 N. van Dijke 1 juli 2009 om 23:30

Objectieve vergelijkende reclame??

That would be a first…

5 W. Dekker 2 juli 2009 om 11:27

Bij de Tour de France vindt niemand het onredelijk, dat de voorste wielrenners het werk doen, en de rest ontspannen in hun kielzog meepeddelt. Waarom zou dit bij intellectuele eigendom, in dit geval merkenrecht, anders moeten zijn? Zeker heeft dit te maken met het principe van het vermogensrecht, dat de eigenaar de zeggenschap over zijn eigendom heeft. De slaafse navolger komt in dit geval aan het eigendom van de merkhouder, alleen al door het meeliften op de reputatie van het merk. De merkhouder moet dit via de rechtbank kunnen tegenhouden.

Er moet wel daarvoor worden opgepast, dat een door intellectuele eigendomsrechten gegarandeerd monopolie niet zodanig groot wordt, dat elke economische activiteit op het desbetreffende gebied verder in de kiem wordt gesmoord. Dit geldt met name voor octrooien, maar dat is weer een ander verhaal.

6 jn de graaff 3 juli 2009 om 05:41

Overnemen van inhoud en/of vorm is in de kunstwereld en ook in bijvoorbeeld de autoindustrie een veel voorkomend verschijnsel. Natuurlijk lijden zij die het concept bedachten in de regel schade. Dus zou het zo kunnen zijn dat er een conceptvergoeding afgesproken wordt.

Maar dan nog. Want wie gemalen pinda’s en wat zout in een potje doet heeft pindakaas. En dat er in de promotie zowel het afzetten tegen alswel het overeenkomen met gepraktiseerd wordt is ook gemeengoed. Dus als bedrijf A wat honing toevoegd aan de pindakaas en bedrijf B doet dat ook en stelt daarbij dat het goedkoper danwel lekkerder danwel wat ook is danwel identiek dan is het niet het produkt maar de promotie waar de schoen wringt. En daar is ook erg eenvoudig wat aan te doen. Dan verandert men de promotie. Dan is het bijvoorbeeld: onze pindakaas ruikt lekkerder dan Chanel 5. Al is het water. En de kans dat klanten Chanel 5 op hun brood zullen gaan smeren is erg klein. Al weet je het nooit natuurlijk. Wie weet komt Chanel dan wel in de verleiding om een eetbare parfum te ontwikkelen. “Nog nooit rook uw toilet zo fijn”. Naar azijn.

7 Martin van de Wardt-Olde Riekerink 4 juli 2009 om 00:28

Wat is goodwill? Het recht om datgene wat anderen prettig, lekker of mooi vinden te exploiteren? Dat lijkt me parasiteren. Op de samenleving wel te verstaan.

Het is abject om iemand voordelen te geven alleen omdat hij de eerste was, iets dat in zichzelf al een voordeel is.

Vrije concurrentie kan enkel bestaan als er vrijheid van informatie is, en die wordt hier geschonden.

8 D. Levinson-Arps 8 oktober 2009 om 22:51

Heren, even als juriste een niet juridische (niet geleerde) kanttekening. Een citaat van Desmond Morris uit ‘De Naakte Aap’: “Gelukkig is de maatschappij die zich verheugt in de geleidelijk verwerving van een volmaakt evenwicht tussen imitatie en nieuwsgierigheid, tussen slaafs, onnadenkend kopieren en progressief, rationeel experimenteren.” Van het gym herinner ik mij de termen imitatio en aemulatio? De weegschaal slaat door in het nadeel van de “concurrent” op het moment dat de “vernieuwing” niets oorspronkelijks aan het oorspronkelijke ontwerp toevoegt. Er moet iets meer zijn dan kinderlijke imitatieabsorptie…

Reageren

Vorige post:

Volgende post: