Jomandas aan banden leggen vraagt om aanpassing wet

door Aart Hendriks

op 6 juli 2009 in Artikelen

Afbeelding bij Jomandas aan banden leggen vraagt om aanpassing wet

De Amsterdamse rechtbank heeft het medium Jomanda onlangs vrijgesproken. De strafzaak betrof haar betrokkenheid bij de zorg aan de in 2001 overleden Sylvia Millecam. Over de zorgverlening aan deze bekende comédienne en de daaropvolgende straf- en tuchtrechtelijke procedures tegen alternatief-werkende artsen is afgelopen jaren veel te doen geweest. Zo besloot het openbaar ministerie (OM) aanvankelijk de zaak tegen Jomanda en twee alternatief-werkende artsen te seponeren. Volgens het OM had Millecam namelijk bewust gekozen voor alternatieve behandeling en was dit haar eigen wil. Het Hof Amsterdam moest eraan te pas komen om het OM alsnog te bewegen vervolging in te stellen.

Hieronder sta ik slechts stil bij de wettelijke mogelijkheden om te voorkomen dat hulpbehoevenden door niet-artsen als Jomanda’s worden afgehouden van reguliere behandelwijzen. Die zijn mijns inziens (te) beperkt. De zorgplicht die de Amsterdamse rechtbank voor deze ‘genezers’ formuleert oogt wellicht sympathiek, maar is juridisch niet goed houdbaar.

Allereerst nog even de feiten op een rijtje. Artsen constateren op 22 september 1999 bij Millecam een tumor in haar rechterborst. Bij een borstsparende operatie bedragen de overlevingskansen op dat moment ruim 94%. Millecam verschijnt echter niet op de vervolgafspraak, maar zij raadpleegt andere artsen en hulpverleners die zich inlaten met niet-reguliere geneeswijzen. In mei 2000 constateert een regulier-werkende arts bij Millecam een kwaadaardige tumor. Haar overlevingskansen zijn dan, afhankelijk van het type behandeling, 69-81%. Millecam blijft echter vertrouwen op niet-reguliere hulpverleners, waaronder Jomanda. Jomanda begeleidt Millecam intensief van mei 2000 tot en met mei 2001. In die periode – volgens Jomanda betrof dit een vriendschapscontact, waarbij geen rekeningen zijn verstuurd – ondersteunt Jomanda Millecam in het geloof dat Millecam geen borstkanker heeft, maar een bacteriële infectie. Millecam overlijdt op 21 augustus 2001 aan de gevolgen van borstkanker.

De uitspraak in de strafzaak tegen Jomanda luidde dus: vrijspraak.1 De rechtbank achtte namelijk niet bewezen dat Jomanda Millecam had afgehouden van een (regulier werkende) arts of zich had bemoeid met de vraag welke medicijnen goed voor Millecam waren. Het veroorzaken van schade was niet aangetoond. Wel staat vast, aldus de rechtbank, dat Jomanda heeft gesproken over kanker.2 Dit is volgens de rechtbank een woord uit de medische wetenschap. Daarmee heeft Jomanda haar zorgplicht geschonden. Deze bestaat er onder meer uit dat zij zich als niet-arts niet mag begeven op het terrein dat aan artsen is voorbehouden. Omdat diverse personen waren betrokken bij de behandeling van Millecam staat, aldus de rechtbank, niet vast dat er causaal verband bestaat tussen deze schending van de zorgplicht en de afwijzing door Millecam van reguliere zorg.

Hoe begrijpelijk het ook lijkt te zijn dat we proberen te voorkomen dat niet-gekwalificeerde ‘genezers’ hulpzoekenden afhouden van reguliere zorg respectievelijk dat patiënten hun gezondheid (verder) in de waagschaal leggen door te vertrouwen op – misschien oneerbiedig gezegd – kwakzalvers3, de wetgever heeft patiënten daartoe welbewust de mogelijkheid geboden. Als we die vrijheid willen terugdraaien, is het niet gepast deze alternatieve ‘hulpverleners’ met oneigenlijke zorgplichten op te zadelen, zoals de Amsterdamse rechtbank doet. Dit vraagt om wijziging van de wet.

De wettelijke achtergrond is namelijk als volgt. In 1995 is de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) ingevoerd. De wetgever wilde patiënten meer vrijheid laten om zelf te kiezen door wie zij zich laten behandelen; regulier of alternatief. Dit in reactie op het oude regime, waar de uitoefening van de geneeskunst was voorbehouden aan artsen. Tegelijkertijd wilde de wetgever patiënten beschermen tegen ondeskundig en onzorgvuldig medisch handelen. Daarom is besloten dat het voeren van bepaalde beroeps- en opleidingstitels, waaronder arts en verpleegkundige, gereserveerd werd voor diegenen die daarop controleerbaar aanspraak maken. Voorts geldt volgens de Wet BIG dat – enkel – deze beroepsbeoefenaren ‘verantwoorde zorg’ moeten bieden en dat het zelfstandig uitvoeren van de meest risicovolle handelingen is voorbehouden aan artsen, tandartsen, verloskundigen en – sinds kort – gespecialiseerd verpleegkundigen. Het uitoefenen van de individuele gezondheidszorg werd voor het overige vrij gelaten, behalve het voor iedereen geldende verbod tot het toebrengen van schade aan de gezondheid.

Het is alternatieve hulpverleners sindsdien dus toegestaan handelingen op het gebied van de gezondheidszorg te verrichten. Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen hulpverleners met een wettelijke beroeps- of opleidingstitel die óók alternatief werken (bijv. een arts die de homeopathie beoefent) en ‘echte’ alternatieve genezers, zoals de Jomanda’s. Alternatief-werkende artsen moeten dus wél verantwoorde zorg leveren en kunnen tuchtrechtelijk worden vervolgd; voor ‘echte’ alternatieven geldt feitelijk alleen het verbod tot schaden van de gezondheid als grens.

Op dit systeem bestaat in toenemende mate kritiek. Patiënten die zijn uitbehandeld – maar zij niet alleen – zoeken en masse hun heil bij Jomanda’s. Anders dan artsen die (ook) alternatief werken, kunnen zij niet door de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de tuchtrechter worden teruggefloten (hetgeen n.a.v. de zaak Millecam inmiddels ook is gebeurd).4 Het is ongewis wat er bij deze alternatieve hulpverleners gebeurt en hoeveel geld er over de toonbank gaat. Terugkoppeling naar de reguliere sector en dossiervoering vinden nauwelijks plaats. De Inspectie kan geen toezicht uitoefenen en de tuchtrechter is niet bevoegd klachten te behandelen.

Zo ontsprong Jomanda jarenlang de juridische dans. Maar die ruimte heeft de wetgever haar bewust geboden. En van Sylvia Millecam kan moeilijk worden gezegd dat zij niet haar eigen wil kon bepalen. Van de haar geboden vrijheid zelf te kiezen maakte zij schijnbaar gretig gebruik.

Het is mijns inziens terecht dat keuzevrijheid niet mag betekenen dat we als samenleving machteloos moeten toezien hoe levenslustige medeburgers worden afgehouden van goede zorg en dat iedere vorm van toezicht daarop ontbreekt. Keuzevrijheid veronderstelt namelijk de vrijheid en mogelijkheid om op basis van begrijpelijke en betrouwbare informatie welbewust keuzes te maken. Het is in dit licht moeilijk voorstelbaar dat een – aldus de rechtbank – ‘intelligente’ maar ‘angstige’ vrouw, die ‘dolgraag wilde blijven leven’, vrijelijk heeft gekozen zoals ze heeft gedaan als zij zou hebben geweten dat haar kans op herstel aanvankelijk bijna 100% was en de perspectieven nadien ook nog lange tijd gunstig waren. De wet moet dan zien te voorkomen dat ongeruste burgers naarstig aanklampen bij en zich onder behandeling stellen van ‘genezers’ van wie naar objectieve maatstaven niets goeds valt te verwachten.

Het valt evenwel niet mee, zoals ook de Rechtbank Amsterdam concludeert, te bewijzen dat iemand als Jomanda door haar handelen of nalaten de gezondheid van een patiënt heeft geschaad. Daarvoor zijn de thans luidende wettelijke bepalingen te terughoudend geformuleerd (zie bijv. art. 96 Wet BIG). Het geeft tegelijkertijd geen pas, zoals de rechtbank zegt, dat de zorgplicht van alternatieven impliceert dat zij niet mogen treden op het terrein dat aan artsen is voorbehouden en geen medisch jargon mogen bezigen. Dat mogen zij volgens de Wet BIG juist wel, zolang zij maar geen voorbehouden handelingen verrichten of ten onrechte een beroepstitel voeren. De uitspraak van de rechtbank is op dit punt niet houdbaar.

Tegen deze achtergrond is het begrijpelijk dat in de literatuur is gesuggereerd dat het stellen van een diagnose moet worden voorbehouden aan (reguliere) artsen. In het verlengde hiervan moet ook voor alternatieven gaan gelden dat zij doen aan dossiervoering, dienen terug te koppelen aan de huisarts of andere hoofdbehandelaar en hun patiënten moeten gaan wijzen op het bewijs van reguliere behandelwijzen en het ontbreken hiervan bij alternatieve behandelvormen. De Inspectie dient daarop te kunnen toezien. Dit laatste veronderstelt ook dat er minimaal een register komt van alternatieve hulpverleners. Daarmee maken we – en dat is een taak van de wetgever – de speelruimte van alternatieven veel kleiner dan thans het geval is. Dat lijkt me echter niet alleen gerechtvaardigd, maar ook een plicht van een rechtsstaat, die het recht op leven en op gezondheid hoog in het vaandel heeft staan.

Aart Hendriks is hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden en medewerker van het NJB.

Bron afbeelding: Allmightymo

  1. In de gelijktijdige zaken tegen twee alternatief-werkende artsen verklaarde de rechtbank wel bewezen dat sprake was geweest van opzettelijke benadeling, Rb. Amsterdam 12 juni 2009, LJN BI7370 en LJN BI7422.
  2. (Ook) uit de rechtspraak weten we, dat de term ‘kanker’ in tal van verschillende – doorgaans weinig complimenteuze – betekenissen wordt gebezigd. Zie bijv HR 19 juni 2007, LJN BA3598, Rb Utrecht 25 november 2009, LJN BI4661 en Hof Leeuwarden 23 maart 2009, LJN BH7396.
  3. HR 15 mei 2009, NJB 2009, 1055, LJN BH1193.
  4. CTG 19 juni 2007, nr. 2006/137, 138, 139 en 141, GJ 2007, 133-135 (m.nt. F.C.B. van Wijmen onder nr. 136), TvGR 2007, 39-41 (m.nt. B. Sluijters), Stcrt. 2007, 127.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 M.J. Hoogendoorn 24 juli 2009 om 16:09

De observatie dat de wet moet worden aangepast, wil men toestanden als die rond het overlijden van Sylvia Millecam voorkomen, lijkt mij juist. Of dat ook wenselijk is, is een andere vraag.

Ik vrees dat de ingreep fundamenteler zal zijn dan de heer Hendriks voorstelt, althans indien men wil “zien te voorkomen dat ongeruste burgers naarstig aanklampen bij en zich onder behandeling stellen van ‘genezers’ van wie naar objectieve maatstaven niets goeds valt te verwachten.”

Mijns inziens gaat de heer Hendriks er ten onrechte vanuit dat de keuzevrijheid van de patiënt een keuze is tussen alternatief of regulier. De keuzevrijheid van de patiënt is echter niet een keuzevrijheid tussen reguliere geneeskunde en (het intellecutele equivalent van) een modderbad, maar simpelweg de vrijheid om zich wel of niet te laten behandelen door een arts. Die vrijheid zal men overboord moeten gooien, wil men dit soort toestanden voorkomen.

Bij de voorgestelde registratieplicht bestaat er bovendien een levensgroot afbakeningsprobleem. Hoe bepaalt men of iets een alternatieve geneeswijze is, in plaats van een onschuldige jubelsessie of een op subjectief welbevinden (en welbevinden is gezond!) gerichte ontspanningsbehandeling? En als dat onderscheid al te maken is, mag men wel van behandeling afzien om zich met overgave op de drank te storten, maar niet om zich aan geneeskrachtige kruidenthee te laven?

Kern van de zaak is dat een intelligente vrouw diverse malen bij reguliere artsen is geweest, daarbij geïnformeerd is over de reguliere diagnose en de reguliere behandelmogelijkheden en dat zij er toch voor gekozen heeft om zich niet regulier te laten behandelen. Zij heeft, juist geïnformeerd, bij vol en ruim voldoende verstand, een onverstandige keuze gemaakt. Daartegen is, behalve reguliere behandeling onder dwang, geen kruid tegen gewassen.

Reageren

Vorige post:

Volgende post: