Het arrest Van Anraat, het gebruik van chemische wapens tegen de eigen burgerbevolking en ‘generale preventie’

door Guido den Dekker

op 8 juli 2009 in Gastposts

Afbeelding bij Het arrest Van Anraat, het gebruik van chemische wapens tegen de eigen burgerbevolking en ‘generale preventie’

Op 30 juni 2009 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep dat namens Frans van Anraat was ingesteld, verworpen. De uitspraak van het Hof Den Haag van 9 mei 2007 is daarmee (in principe) onaantastbaar geworden, met de aantekening dat de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf op eigen initiatief heeft verminderd van zeventien naar zestien jaar en zes maanden. De zaak Van Anraat raakt vele aspecten van internationaal (straf)recht. In deze korte reactie richt ik mij op een enkel aspect ervan, namelijk de volkenrechtelijke grondslag van het verbod van het gebruik van chemische wapens tegen de eigen burgerbevolking.

Van Anraat is door het Hof veroordeeld wegens medeplichtigheid aan (medeplegen van) schending van de wetten en gebruiken van de oorlog door het gebruik van chemische wapens. Het gaat om twee onderscheiden ‘typen’ aanvallen met mosterdgas door het regime van Saddam Hussein vanwege zijn leveranties aan Irak van de voor mosterdgas essentiële grondstof TDG tussen 19 april 1984 en 25 augustus 1988. Ten eerste de aanvallen van het Irakese regime op Koerdische Irakezen in Irak op momenten tussen 5 juni 1987 en 3 mei 1988 en ten tweede de aanvallen op doelen in Iran op momenten tussen 11 april 1987 en 2 augustus 1988. Het hoeft geen betoog dat het Irakese regime aldus het internationale humanitaire recht op de meest ernstige wijze heeft geschonden door gerichte aanvallen (luchtbombardementen en grondoffensieven) uit te voeren tegen Koerdische (en Iranese) burgers. Burgers zoals deze, die niet participeren in het gewapende conflict, hebben recht op bescherming en humane behandeling onder alle omstandigheden. Irak is partij bij de Conventies van Genève van 1949 (sinds 1956).

Daarnaast is het gebruik van gifgassen zoals mosterdgas in het Geneefse Protocol van 1925 verboden. Irak is hierbij partij sinds 1931. Iran is partij sinds 1929. Dit laatste is belangrijk om te constateren omdat het Geneefse Protocol slechts werkt in de onderlinge relaties van staten. Irak heeft, overigens net als veel andere staten, bij de ratificatie van het Geneefse Protocol zelfs expliciet dit voorbehoud gemaakt, namelijk dat Irak het verbod op het gebruik van strijdgassen alleen accepteert op wederkerige basis, dus ten opzichte van een andere staat die hetzelfde verbod eveneens accepteert, én slechts zolang die andere staat zelf het verbod naleeft. Met ander woorden: voor Irak behelst het Geneefse Protocol van 1925 een verbod van eerste gebruik van strijdgassen in een internationaal gewapend conflict. Dat Irak het verdrag heeft geschonden door de (eerste) inzet van chemische wapens tegen Iran is dus duidelijk. Het Geneefse Protocol verbiedt echter niet de inzet van strijdgassen binnen de eigen grenzen tegen bijvoorbeeld een groep opstandelingen die gewapenderhand de macht willen grijpen. Pas met de totstandkoming van de Chemische Wapen Conventie in 1993 is in een verdrag vastgelegd dat elk gebruik van chemische wapens is verboden (en het gebruik van bepaalde chemische bestanddelen zoals traangas moet bij een interne oproer beperkt blijven tot riot control, en mag niet als strijdwapen worden ingezet). Ook de productie en het bezit van en de handel in (grondstoffen van) chemische wapens is met deze Conventie expliciet in de ban gedaan. Het gebruik van gifgassen wordt in het Statuut van Rome van 1998 uitdrukkelijk als oorlogsmisdrijf genoemd.

Natuurlijk kan er worden beargumenteerd dat er al veel eerder een internationaal gewoonterechtelijke norm is ontstaan die elk gebruik van chemische wapens verbiedt. In een bekende, omvangrijke Rode Kruis studie over de stand van ‘customary international humanitarian law’ uit 2005 wordt de conclusie getrokken dat het verbod op het gebruik van chemische wapens in niet-internationaal gewapend conflict onderdeel is van het internationaal gewoonterecht. Of dit verbod ook als zodanig gold in 1987 wordt uit de studie niet duidelijk, al staat vast dat de gasaanvallen tegen de Koerden destijds wereldwijd scherp zijn veroordeeld. Het ‘bewijs’ voor het op een bepaald moment bestaan van een specifieke gewoonterechtelijke verbodsnorm zoals hier aan de orde is niet eenvoudig te leveren, omdat de daarvoor benodigde statenpraktijk behalve in algemene afkeuring van het gebruik in voorkomende gevallen moet worden gevonden in de afwezigheid van dat gebruik, dat bovendien niet op een politieke overtuiging maar op een rechtsovertuiging moet berusten. Terzijde zij opgemerkt dat de welbekende gevolgen van het gebruik van gifgassen in de Eerste Wereldoorlog, waar ook in de onderhavige uitspraak meer dan eens aan gerefereerd wordt, juist leidde tot het verbod zoals neergelegd in het Geneefse Protocol van 1925.

In de onderhavige strafzaak heeft het Hof zich mede op internationaal gewoonterecht gebaseerd voor het verbod van het gebruik van chemische wapens, zoals blijkt uit de bewezenverklaring (“en/of”). Voorzover ik kan zien wordt in de uitspraak van het Hof echter niet expliciet gemaakt waarom het internationale gewoonterecht de inzet van chemische wapens tegen de eigen bevolking verbood in 1987 (en daarna). De P-G meent zelfs dat het zich baseren op het internationaal gewoonterecht zoals het Hof heeft gedaan op een vergissing berust omdat “het gebruik van chemische wapens, meer bepaald van mosterdgas, het uitvoeren van aanvallen die niet discrimineren tussen militairen en burgers” (niet door het internationaal gewoonterecht maar enkel) verboden is door geschreven normen van internationaal recht, namelijk het Geneefse Protocol van 1925 en gemeenschappelijk artikel 3 en artikel 147 van de Vierde Geneefse Coventie (par. 8.2 CPG). Die conclusie miskent m.i. de beperkte reikwijdte van het Geneefse Protocol, zeker in het geval van Irak, zoals hierboven toegelicht. De Hoge Raad doet overigens de aan dit punt verbonden klacht, inhoudende dat de feiten waaruit het al dan niet gelden van een regel van gewoonterecht wordt afgeleid ten onrechte niet zijn vermeld in de uitspraak, af met het argument dat het Hof zich ‘kennelijk’ heeft gebaseerd op feiten of omstandigheden van algemene bekendheid (die immers geen bewijs behoeven; r.ov. 7.3).

Het lijkt er sterk op dat het Hof de vraag naar de geldende internationaalrechtelijke norm langs andere weg heeft opgelost, namelijk door te overwegen dat de aanvallen tegen de Koerden waren ingegeven door de omstandigheid dat Irak hen ervan verdacht samen te werken met de vijand Iran (r.ov. 11.2). Dit zijn de – niet nader gespecificeerde – “bondgenoten, dan wel degenen die als zodanig werden beschouwd” waar het Hof (r.ov. 11.16) en ook de P-G (CPG, par. 6.14) over spreken. Zo krijgen de aanvallen een ‘internationaal’ tintje en kan het Geneefse Protocol van 1925 toch volledig worden binnengehaald. Helemaal sluitend lijkt mij dit overigens niet. De campagne tegen de Koerden was in de eerste plaats gericht op onderdrukking van hun gewapende strijd voor meer rechten en eigen autonomie. Dat was een zelfstandig doel en als zodanig geen onderdeel van de Irakese oorlogsinspanningen tegen Iran (vgl. de rapporten van Max van der Stoel, speciaal rapporteur van de Commissie Mensenrechten, over de toestand in Irak, welke ook door de Hoge Raad worden aangehaald in r.ov. 10).

Wellicht lijkt het voorgaande een schijnprobleem omdat niet de aard van de gebruikte wapens maar het faciliteren van de inzet van wapens tegen burgers de kern vormt van de bewezenverklaring tegen Van Anraat (Gemeenschappelijk artikel 3 en artikel 147 van de Vierde Geneefse Conventie gaan niet over het gebruik van verboden wapens maar over ‘wilful killing’ en ‘inhumane treatment’ van ‘protected persons’, zoals burgers). Er wordt in de uitspraak evenwel een duidelijk verband gelegd tussen de aard van het gebruikte wapen en degenen tegen wie het werd ingezet. Wrede en onmenselijke behandeling is per definitie wat de inzet van chemische wapens tegen burgers oplevert, zo lijkt mij de redenering van het Hof, gelet op de bewoordingen van de bewezenverklaring, de directe verwijzing naar het Geneefse Protocol in r.ov. 11.2 en de overweging dat Van Anraat wist dat het Irakese regime een “niets en niemand ontziend” karakter droeg (r.ov. 11.16). Uit dit laatste kan worden opgemaakt dat de veroordeelde wist dat zijn afnemers zelfs voor het inzetten van chemische wapens tegen ongewapende burgers niet zouden terugdeinzen. Ten slotte, zelfs als de opzet van Van Anraat niet van aanvang af was gericht op het verschaffen van middelen om de inzet van mosterdgas tegen de Koerden mogelijk te maken (maar enkel tegen doelen in Iran), moet worden aangenomen dat zijn opzet later, in elk geval vanaf de aanval op Halabja in Irak op 16 maart 1988, waarvan de beelden de hele wereld overgingen, tevens was gericht op het gebruik voor aanvallen op de Koerden. Het geeft hoe dan ook aan dat hij van aanvang af elk mogelijk gebruik voor lief heeft genomen.

Toch wringt er nog iets. Het Hof neemt bij zijn strafmotivering mede het effect van generale preventie in aanmerking, in wel heel algemene termen: “mensen of bedrijven die (internationaal) handelen, bijvoorbeeld in wapens of mede daartoe te gebruiken grondstoffen, moet worden ingescherpt dat zij – indien zij geen grote waakzaamheid betrachten – bij hoogst ernstige misdrijven betrokken kunnen raken”. Als de uitspraak werkelijk beoogt tot generale preventie bij te dragen lijkt het argument dat het faciliteren dát wapens zijn ingezet tegen burgers, ongeacht de aard van die wapens, doorslaggevend te (moeten) zijn. Dat impliceert echter dat de onderhavige uitspraak een wel erg breed bereik heeft. Ook iemand die (onderdelen van) conventionele wapens heeft geleverd aan Irak kan zo beschouwd opzet hebben gehad tot het faciliteren van misdaden die het Irakese regime jaren daarna pleegt tegen de burgerbevolking, wanneer maar kan worden aangetoond dat de (onderdelen in de) tanks, machinegeweren of granaten die zonder onderscheid tegen burgers zijn ingezet, daadwerkelijk door de betrokkene zijn geleverd en dit mogelijke gebruik hem niet onbekend was (omdat het land in oorlog was). Een dergelijke redenering met betrekking tot medeplichtigheid wegens schending van de wetten en gebruiken van de oorlog gaat wel heel erg ver, temeer daar de handel in conventionele wapens niet internationaal verboden is (tenzij er een bindend wapenembargo is afgekondigd tegen de betreffende bestemming). En bij welk ‘wapen’ wordt de grens dan getrokken: is het een redenering ad absurdum dat de leverancier van emmers en handdoeken aan het Amerikaanse leger in Irak medeplichtig is aan de schending van de wetten en gebruiken van de oorlog wanneer hij weet dat dergelijke voorwerpen gebruikt worden bij het martelen van gevangenen door waterboarding? De aard van de gebruikte (nog te fabriceren) wapens speelt dus wel degelijk een rol in het juridische beoordelingskader. De tijd zal leren of de zaak Van Anraat een witte raaf is in de Nederlandse strafrechtspleging of slechts het begin van een lange reeks van ‘generale preventie’.

Guido den Dekker is universitair docent en onderzoeker bij de Afdeling Internationaal, Sociaal en Economisch Publiekrecht van de Universiteit Utrecht.

Bron afbeelding: Radio Rover

Deel dit artikel:

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 M.J. Hoogendoorn 14 augustus 2009 om 14:41

Het is de internationaal strafrechtelijke versie van het Etalageruitarrest (NJ 1970/144). Het regime van Sadam Hoessein als equivalent van versleten banden en vallende bommen in plaats van glasscherven.

Reageren

Vorige post:

Volgende post: