De ontsnapping van Saban B.

door Ybo Buruma

op 17 september 2009 in Gastposts

De ontsnapping van Saban B.

De onrust is groot over de schorsing van de detentie van vrouwenhandelaar Saban B. die van de gelegenheid gebruik maakte om te ontsnappen. Zojuist heeft het Hof Arnhem een verklaring afgegeven. De gedetineerde zat ruim 2,5 jaar in voorarrest in afwachting van zijn hoger beroep.

Het OM ging op 4 september akkoord met een onderbreking van de voorlopige hechtenis van enkele dagen. Het gerechtshof heeft het verzoek toegewezen, mede omdat Saban B. volgens de wettelijke bepalingen meer dan de helft van de door de rechtbank opgelegde straf al in voorarrest had uitgezeten. Ook nam het gerechtshof in aanmerking dat de zaak pas in de loop van 2010 tot een afronding zal komen. Wel moest Saban B. zijn paspoort inleveren en zich dagelijks op het politiebureau melden. Aanvankelijk hield Saban B. zich aan die voorwaarden. Dit duidt erop dat op het moment van de eerste beslissing de vluchtgevaarlijkheid van meneer nog niet bekend was.

Kennelijk kwam pas na de beslissing het bericht over de vluchtgevaarlijkheid binnen. Van de politie, ofvan de inlichtingendienst van gevangeniswezen. Op 10 september vraagt het OM dan aan het Hof de schorsing voortijdig op te heffen. Het Hof wijst dat af, omdat meneer zich op dat moment niet aan de gestelde voorwaarden had onttrokken.

De cruciale vraag is in dit licht of wij een rechter willen die 5 dagen na een eerdere beslissing over dezelfde kwestie, terugkomt op die beslissing op grond van een inschatting. Als rechters dat zouden doen lopen ze het risico een farce van de rechtszekerheid te maken. Dat de rechters alleen wilden terugkomen op de beslissing, als er een hard feit had plaatsgevonden (dat hij zich niet aan de voorwaarden had gehouden) en niet louter op grond van een inschatting is in dat licht te begrijpen.

Of je dat goed vindt of niet, is iets anders. Achteraf is het natuurlijk hoogst onwenselijk dat meneer is ontsnapt. De rechter kon op het moment van beslissen beseffen dat de ernst van een mogelijke ontsnapping van deze man groot zou zijn. Maar moet de rechter dan onmiddelijk de officier gelijk geven als die zegt “volgens ons gaat ie ontsnappen”? Ik denk dat iedereen zal willen dat de rechter toch even wil weten hoe die officier daar bij komt: niet alleen de ernst van het mogelijk gevolg doet ertoe, maar ook de kracht van de aanwijzingen en (daarmee) de betrouwbaarheid van de voorspelling.

Na deze verklaring van het Hof zou ik dus wel willen weten wat er nu precies is doorgegeven over dat vluchtgevaar.

Deze post is ook verschenen op Buruma blogt.

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 Floris van Laanen 21 september 2009 om 11:37

In het persbericht van het Hof lezen we wat betreft de opheffing van de geschorste voorlopige hechtenis het volgende: ‘Volgens het hof is echter niet aannemelijk geworden dat Saban B. de gestelde voorwaarden op dat moment al overtreden had. Het hof heeft die vordering toen afgewezen. Bij beschikking van 15 september jl. heeft het hof de verdere gevangenhouding van Saban B. alsnog bevolen, toen deze een van de voorwaarden alsnog niet bleek na te komen.’ Als de eerste volzin is bedoeld als concludente redenering, en daar lijkt het wel op, dan legt het Hof naar mijn idee een te scherpe maatstaf aan. Art. 82 Sv bepaalt immers dat de rechter deze opheffing ‘te allen tijde’ kan bevelen en dat is niet alleen wanneer een voorwaarde is geschonden (ook zo de MvT uit 1913, p. 86, Reijntjes in Melai/Groenhuijsen e.a., Stamhuis in T&C, Corstens). Vgl. ook art. 84 Sv: aanhouding bij schending voorwaarde ‘of indien uit bepaalde omstandigheden blijkt van het bestaan van gevaar voor vlucht’.

De bevoegdheid van de rechter ex art. 82 Sv is discretionair: hij ‘kan’ opheffen. Dat vereist uit de aard der zaak een inschatting (ik gebruik dat woord dus wat anders dan Buruma doet) en op grond van het hierboven geschrevene concludeer ik dat die inschatting niet alleen op basis van harde feiten (lees: een schending van voorwaarden), maar ook op basis van wat zachtere feiten (ik zou in het verlengde van art. 84 Sv zeggen: bepaalde omstandigheden) kan plaatsvinden. Wel moet er ‘iets nieuws’ zijn. Met Buruma meen ik dat rechtszekerheid een groot goed is, een rechter kan niet willekeurig op moment T het een beslissen en op T+5 op basis van dezelfde feiten het ander. De inschatting zal een op het concrete geval toegespitste balans moeten zijn. Hoe hard is het feit en hoe serieus zijn de gevolgen, voor rechtspleging, rechtsorde en slachtoffers, als de schorsing verkeerd uitpakt: een melding van een ex-medegedetineerde dat een geschorste first-offender vermoede kleine XTC-dealer hem zou hebben gezegd zijn controleplasje niet in te leveren, is bijvoorbeeld wat anders dan een melding van dezelfde persoon dat een geschorste vermoede verkrachter van buiten-Europese komaf hem heeft gezegd dat hij echt wel weet hoe je uit Nederland wegkomt en dat ze hem dan nooit meer terugzien.

Wat in deze concrete zaak heeft gespeeld, weten we niet. Misschien kan dat ook niet, verzetten overwegingen van privacy, veiligheid, opsporing of onschuldpresumptie zich daartegen. Dat had dan in voorkomend geval echter wel in het persbericht mogen worden gezegd. Hoe dan ook meen ik dat het bericht van het Arnhemse Hof nieuwe vragen oproept. Ik zwijg verder maar van het nietszeggende, wel heel ver van de gemoederen in de samenleving staande persbericht van de Raad voor de Rechtspraak. Vanuit communicatieoogpunt geven die persberichten te denken.

Tot slot, het vorenstaande laat inderdaad onverlet de beslissing of het verstandig was, ook met de kennis van toen, om betrokkene überhaupt te schorsen. Daarover laat ik mij ook niet uit, ik ken het dossier niet. Iets anders is dat ik het niet begrijp. Ook hier zie ik een communicatiemanco. In zijn persbericht geeft het Hof wel globaal aan wat pro schorsing pleitte (bijzondere persoonlijke omstandigheden, lang durende voorlopige hechtenis en nog een poos voor de boeg), maar geenszins of het heeft overwogen of en zo ja wat daartegen pleitte. Er is commotie. De samenleving en ‘het veld’ vragen zich, toch niet onbegrijpelijk, af of de verdenking van omvangrijke mensenhandel en de veiligheid van de gestelde slachtoffers ook i.v.m. de modi operandi een rol heeft gespeeld bij de afweging om, naar verluidt, verdachte onbegeleid bij zijn bij een van de betrokken vrouwen verwekte kind te laten. Wie de pers zoekt – dat is dan om iets uit te leggen en, mag ik aannemen, de gemoederen te apaiseren – ontkomt er toch niet aan ook daar wat over te zeggen?!

Floris van Laanen
universitair docent straf- en strafprocesrecht UvT

Reageren

Vorige post:

Volgende post: