Bij de heropening van het parlementaire debat stelde een kamerlid de minister-president een vraag over zijn toekomst. In de bladen werd gespeculeerd over een mogelijke functie van de minister-president bij de nieuwe Europese Raad. De premier antwoordde dat hij op dezelfde manier zou reageren als hij tegenover een journalist in een televisierubriek had gedaan. De parlementariër wilde echter niet als een journalist behandeld worden. Kennelijk wilde hij een andere positie dan journalisten, alsof de relatie van de premier met de media scherp te onderscheiden viel van de parlementaire relatie. Op verzoek van andere parlementariërs antwoordt hij uiteindelijk dat hij de intentie heeft te blijven, maar geen garanties kan geven. Dat is dus een wat genuanceerder antwoord.
De premier gaf de volgende dag voor de media toe niet in vorm te zijn geweest. Een terechte methode om zijn tegenvallende presentatie voor het Nederlandse publiek te verantwoorden. Dat publiek had immers meegekeken.
Naar het meeluisterende publiek heeft de premier in de loop van het parlementaire debat ook uitdrukkelijk verwezen. Parlementariërs spelen volgens hem ook op de camera. Naar aanleiding van het voornemen om 20 ambtelijke commissies in te stellen, was door een kamerlid een stapel rapporten op tafel gelegd. Dat deed het goed voor de camera. Er werd visueel gemaakt dat op alle terreinen waarop de commissies voorstellen zouden moeten doen, al onderzoek gedaan is. Volgens de premier was het leidende motief bij alle rapporten echter niet: bezuinigen.
Zo blijven het parlement en de premier elkaar vliegen afvangen over de vraag met wie het debat moet worden gevoerd. Aan de ene kant roept men elkaar op tot het volgen van de regels van een parlementair debat, aan de andere kant wordt het debat via de media met de (potentiële) achterban gevoerd. Voor het debat met de achterban via de media is openbaarheid van het grootste belang. Dus worden er stukken gelekt. En dat blijft in ieder geval zo totdat de stukken volledig openbaar worden gemaakt vanaf het moment dat die stukken aan belangrijke deelnemers aan het debat worden gegeven. Aan de ene kant erkent de premier het belang van de media, bijvoorbeeld door zijn verontschuldigingen voor een onvoldoende optreden daar aan te bieden, aan de andere kant mogen die media het publiek niet goed voorbereiden op een debat.
Zou het kabinet de discussie steeds breder trekken, dan zou er naar mijn mening minder bezwaar bestaan tegen het instellen van de ambtelijke werkgroepen. Die ambtelijke werkgroepen kunnen de discussie ordenen en weer een stap verder helpen. Dit kabinet kiest voor een deel steeds tot het verbreden van het debat, maar doet dat niet principieel. Een essentieel onderdeel van het debat is immers de openbaarheid, en die moet te vaak in langdurige processen worden afgedwongen. De voorbeelden rond de premier als de Catshuis-brand, de troebelen rond Irak en het Koninklijke Huis spreken daarover boekdelen.
De premier kan ervoor kiezen de feiten en omstandigheden rond de bouw van het buitenverblijf op Mozambique niet te onderzoeken en niet te publiceren. Dat is dan een strategie. Hij zou er dan voor kiezen verdere bekendmakingen aan de media over te laten. Volgens de klassieke regels van het parlementaire spel is dat niet zo mooi.
Voor de aanwezigheid van de betrokken partijen in de media speelden ook de moties van wantrouwen een belangrijke rol. Een van de moties, gehoord de beraadslagingen en kennisgenomen hebbende van de Miljoenennota, wordt door 3 partijen ondersteund. De betrokken fracties kunnen aan de mensen in het land niet meer uitleggen waarom zij dit kabinet nog zouden vertrouwen. De premier vindt het indienen ervan een gotspe. De Kamer is ervoor het beleid te controleren; vertrouwt zij niet meer dat het beleid effectief is, dan is het aannemen van zo’n motie te rechtvaardigen. Gelet op de wijze waarop zij werd verdedigd, lijkt de boodschap aan de mensen in het land een belangrijk motief te zijn. De meeste moties geven de achterban het signaal dat zij wordt vertegenwoordigd. Waarom zou dat bij een motie van wantrouwen niet kunnen?
Wordt het land nu ook betrokken bij de 20 ambtelijke commissies? Zij krijgen maar liefst een jaar om hun onderzoek te doen. Opnieuw mag worden gekeken naar de hoeveelheid bestuurslagen, terwijl ook nu al kan worden besloten tot een reductie van het aantal provincies tot 3 of 4. Dat levert geheid bezuinigingen op. Er wordt echter gewacht op de resultaten van de 20 commissies. Het concept van het samenhangende beleid zal bij het kabinet wel stevig tussen de oren zitten, maar het voeren van een samenhangend beleid, zeker met een projectie op de toekomst, het is al zo vaak gezegd, is niet mogelijk. Het blijft een kwestie van zo goed mogelijk, onder voortdurende bijstelling.
Zo roept het kabinet soms het volk aan, soms de vertrouwelijkheid, soms samen aanpakken, soms laat ons het maar doen, soms visies, soms nu, soms later. Parlementaire democratie, participatie democratie en dramademocratie gaan daardoor vervloeien zonder een inspirerende relatie aan te gaan. Ministers en parlementariërs roepen op tot goede omgangsvormen met elkaar. Maar omdat het debat via de media ook met de samenleving wordt gevoerd, zullen er nieuwe omgangsvormen moeten worden bedacht om het minder rommelig te maken. De directe aanwezigheid van de media heeft nu eenmaal serieus te nemen gevolgen. Een mediagenieke motie van wantrouwen indienen, is geen gotspe. Er moet een mediagenieke reactie op volgen, gebaseerd op een heldere visie.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/33.
{ 0 reacties }


