De schrik van het burgerlijk recht

door Ton Hartlief

op 12 oktober 2009 in Vooraf

Vooraf bij NJB 34/09: De schrik van het burgerlijk recht

Gealarmeerd door een buurvrouw rent een jonge moeder het woonerf in en treft haar dochtertje dat buiten was gaan spelen daar levenloos aan. Het meisje is overreden door een taxibusje. Wat heeft het schadevergoedingsrecht de moeder te bieden? Ons recht gaat uit van een beperkte kring van gerechtigden, zodat bij overlijden alleen die nabestaanden die in art. 6:108 BW worden genoemd recht hebben op vergoeding en dan ook slechts ter zake van schadeposten die aldaar worden aangeduid. Deze afgeleide schade, schade geleden door het overlijden van een ander, komt slechts onder strikte voorwaarden voor vergoeding in aanmerking. Dat verklaart de affectieschadeproblematiek: omdat nabestaanden in art. 6:108 geen smartengeld is toebedeeld, hebben zij daarop geen recht. In het Taxibus-arrest (NJ 2002, 240) vond de Hoge Raad het buiten zijn rechtsvormende taak vallen om hierin verandering te brengen. Hij cedeerde het probleem daarmee aan de wetgever die de handschoen ook heeft opgepakt. Het wetsvoorstel affectieschade ‘hangt’ in de Eerste Kamer, maar lijkt deze zomer vlotgetrokken. Het kon de centraal gestelde jonge moeder geen baat brengen: art. 6:108 gaf haar slechts recht op de begrafeniskosten.

In het Taxibus-arrest geeft de Hoge Raad echter inhoud aan een andere optie: een op art. 6:162 gebaseerde schrikschadevordering terzake van schade die nu juist niet door het overlijden, maar door iets anders is veroorzaakt. Het gaat dan niet om afgeleide, maar om rechtstreeks geleden schade. Voor eiseres in kwestie bracht dat inderdaad uitkomst. Schending van een verkeers- of veiligheidsnorm, zo blijkt, is namelijk niet alleen onrechtmatig jegens degene die is gekwetst, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van het ongeval of, zoals in het geval van eiseres, door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel (een in de psychiatrie erkend ziektebeeld) voortvloeit. Nabestaanden hebben dus geen recht op vergoeding van affectieschade, maar kunnen soms wel met succes het pad van de schrikschadevordering bewandelen.

Het gaat hier om twee sporen die geen van beide los kunnen worden gezien van een overlijden, maar inhoudelijk dienen te worden onderscheiden. Anders dan bij affectieschade gaat het bij schrikschade niet om afgeleide schade, is het geen schade door het verlies van een naaste als zodanig. Op het affectieschade-spoor is de wetgever bezig, het schrikschade-spoor wordt ontwikkeld door de Hoge Raad.

Het viel te verwachten dat hij ooit zou moeten aangeven wat rechtens is wanneer het niet om de gevolgen van een verkeers- of arbeidsongeval gaat, maar bijvoorbeeld om die van een geweldsdelict. Ook dan kan schrikschade aan de orde zijn, niet alleen voor de getuigen, maar ook voor diegenen die daarna met de gevolgen zijn geconfronteerd. Die laatste categorie, niet de getuigen maar degenen die na het gebeuren met de gevolgen worden geconfronteerd, stelt de rechtspraak voor problemen. Hoe om te gaan met de schrikschadevordering van een vader wiens dochter op een afschuwelijke manier door haar echtgenoot blijkt vermoord? Voor een succesvolle vordering is nodig dat hij op de vereiste wijze met (de gevolgen) van het gebeuren is geconfronteerd, maar is dat in casu wel rechtstreeks genoeg? Hij heeft het lichaam van zijn gruwelijk toegetakelde dochter pas na enkele dagen gezien en alleen via politie en familie zicht gekregen op het afschuwelijke verloop van de gebeurtenissen. De Arnhemse rechtbank zag daarin geen beletsel: hoe ernstiger de normschending des te minder is vereist op het punt van de directheid van de confrontatie met de gevolgen. Zij paste deze redenering ook toe op de schrikschadevordering van de ouders van Maja Bradaric en de moeder van Nadia van de Ven. Hoe ernstiger de normschending des te soepeler het recht. In een zaak waarbij drie jonge mensen bij een verkeersongeval omkwamen na een wilde achtervolging waarvoor een veroordeling terzake van doodslag volgde, wees het Bossche hof deze redenering echter af. Bij het afzwakken van de confrontatie-eis zou het onderscheid met nabestaanden die ‘gewoon’ worden geconfronteerd met het overlijden van een naaste steeds lastiger worden en zou afbreuk worden gedaan aan het restrictieve wettelijke stelsel. In deze zaak toont ook de Hoge Raad (9 oktober jl.) zich niet bereid de in het Taxibusarrest aangewezen omvang van de schadevergoedingsverplichting jegens nabestaanden te verruimen in gevallen waarin het, anders dan in de Taxibus-zaak, gaat om een opzettelijk veroorzaakt verkeersongeval: ‘De in het Taxibusarrest gegeven algemene gezichtspunten, waaronder het aspect dat het … de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat af te wijken van het restrictieve wettelijke stelsel, gelden nog onverkort, ook voor gevallen waarin het verkeersongeval opzettelijk is veroorzaakt.’ De Hoge Raad weet dat hij in de toekomst waarschijnlijk met één of meer van de Arnhemse zaken zal worden geconfronteerd. Zijn jongste arrest geeft geen reden te denken dat dan, gegeven de aard van de normschending in kwestie, wel soepeler met vergoedingsvoorwaarden zal worden omgegaan.

Dat valt te betreuren, omdat dan de gevolgen van geweldsdelicten in de mal van die van verkeersongevallen worden geperst en relevante verschillen daarmee buiten beeld blijven. De Bradaric- en Van de Ven-zaken bewijzen dat er bij geweldsdelicten voor naasten bijzondere, extra confronterende, gevolgen in het geding zijn: publiciteit, strafrechtelijk onderzoek, een strafproces. De verklaring is naar mijn indruk uiteindelijk de angst voor punitieve elementen in het civiele schadevergoedingsrecht. Dat is deze zomer ook gebleken in het debat in de Eerste Kamer over het wetsvoorstel affectieschade. Toen Hirsch Ballin eindelijk afstand nam van de vaste vergoeding (de bekende 10.000 euro) en toezegde met een voorstel tot differentiatie te komen, omdat het ene geval het andere nu eenmaal niet is, stond bij diverse kamerleden de schrik in de ogen: de aard van de normschending gaat toch niet de vergoeding bepalen?

Ik juich een bevestigend antwoord juist toe, zowel bij affectieschade als bij schrikschade, niet alleen om recht te doen aan verschillen, maar ook omdat ook het burgerlijk recht stevig mag reageren op ernstige normschendingen.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/35.

Bron afbeelding: aldoaldoz

Deel dit artikel:

{ 2 reacties }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 mr. Rose Marie Doppegieter 19 oktober 2009 om 22:05

Als altijd een heldere tekst van Ton Hartlief.
Een vaste vergoeding als ‘doekje voor het bloeden’ lijkt mij inderdaad niet in lijn met een zorgvuldige beoordeling van (verschillende) gevallen. Een moeilijk punt kan zijn in hoeverre de normschending was gerelateerd aan een al dan niet erkend ziektebeeld bij de veroorzaker. In het gezondheidsrecht speelt dat bijvoorbeeld wel degelijk een rol bij het al dan niet mogen opzeggen van de behandelingsovereenkomst. En of degene die met de gevolgen van de normschending is geconfronteerd, zelf ook een (mogelijk) aandeel had in het plaatsvinden daarvan (bijv. vader vermoord kinderen waarvan ex-vrouw getuige is).

Reageren

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: