Niets hoeft de Nederlandse grondwetgever ervan te weerhouden om het door mij voorgestelde interpretatierichtsnoer in de Grondwet op te nemen. Fleuren vreest hier onterecht een aantasting van het monisme en de hiërarchie van normen. Volgens mijn voorstel zou de Nederlandse rechter verdragsbepalingen toepassen in het licht van de Grondwet door het internationale niveau van bescherming waar mogelijk en nodig aan te vullen aan de hand van een indirecte toepassing van de grondrechten. Anders gesteld, men verwacht van de Nederlandse rechter om de hem toegelaten margin of appreciation in te vullen met een beroep op de grondrechten. Internationale hoven staan een dergelijke benadering helemaal niet in de weg. Zoals ook Peters en Boogaard in hun repliek terecht opmerken, het hof in Straatsburg voorziet immers alleen in een “minimumbescherming”. Nationale rechters zijn hier het obstakel; ze interpreteren verdragsbepalingen veelal restrictief terwijl dit helemaal niet nodig is. In mijn opvatting blijft de hiërarchie van normen dan ook overeind, aangezien de (Nederlandse) rechter een verdragsbepaling interpreteert en toepast – terwijl de Grondwet daarbij soms een bron van inspiratie kan zijn. Er is dus geen sprake van “grondwetsconforme interpretatie van verdragen” om Fleuren te citeren. Overigens, het richtsnoer zou alleen gelden voor het toetsen van formele wetten aan verdragsbepalingen, het heeft geen betekenis voor het toetsen van de Grondwet of het Statuut van het Koninkrijk aan zulke bepalingen. Tot zover mijn reactie op Fleuren.
Rest mij om op Peters en Boogaard te reageren. Deze auteurs verbinden het idee van een constitutioneel hof met geconcentreerde toetsing, terwijl dit verband niet vanzelfsprekend is. Het instellen van een dergelijk hof is niet per definitie onbestaanbaar met diffuse toetsing, wel betekent het dat er slechts één finale instantie is waar het gaat om de constitutionele interpretatie en toepassing van rechtsregels.
Tot slot, Peters en Boogaard komen tot de correcte constatering dat mijn artikel fors inzet, maar slechts een bescheiden conclusie kent. Dat was ook de bedoeling. De vraag die ik aan de orde stel is in ieder geval niet of er constitutionele toetsing van formele wetten moet zijn, zoals zij ook toegeven, maar is eerder begaan met de vorm van zulke toetsing. Dit vraagstuk is inderdaad niet alleen een kwestie van mythologie, maar zonder de retorica was de wetenschap echt wel een stuk armer.
Mr. G. van der Schyff is universitair docent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Tilburg.
Dit naschrift is verschenen in NJB 2009/40.
{ 0 reacties }


