Voorstanders van de afschaffing van het toetsingsverbod bewijzen zichzelf geen dienst door hun argumenten te baseren op staatsrechtelijk drijfzand. Enkele van deze mythes worden ontkracht. Eén van de meest gebruikte argumenten voor het uitbreiden van rechterlijke toetsing in Nederland, namelijk het ‘verdragsargument’, blijkt meer fundamentele vragen op te roepen dan vaak wordt gedacht.
1. Stand van zaken
Er is veel geschreven over het feit dat artikel 120 van de Grondwet de rechter verbiedt om wetten in formele zin te toetsen aan de Grondwet.1 In de afgelopen jaren zijn verschillende rapporten en initiatieven over dit onderwerp verschenen die verandering propageerden, maar tot op heden zonder succes.2 Het verbod van artikel 120 staat nog steeds overeind en kan inmiddels worden gekenschetst als een evergreen in het wetenschappelijk debat over constitutionele toetsing in Nederland.
Wanneer de logica achter artikel 120 in twijfel wordt getrokken, zien we dat een aantal standaardargumenten ter rechtvaardiging van de afschaffing van dit grondwettelijke toetsingsverbod in het debat steeds terugkeert. Eén van de meest relevante argumenten in dit verband is het ‘verdragsargument’.3 Het argument houdt in dat het onderscheid tussen het toetsingsverbod in artikel 120 tegenover het toetsingsgebod in artikel 94 niet langer kan worden gehandhaafd, omdat de Grondwet een dode letter dreigt te worden door het vermeende onderscheid tussen de toegestane toetsing aan direct werkende verdragsbepalingen en de verboden toetsing van wetten aan bepalingen in onze eigen Grondwet.4 Het is precies dit – volgens sommigen ongerechtvaardigde – onderscheid dat het wetsvoorstel-Halsema beoogt te doorbreken.
In het in 2002 ingediende initiatiefwetsvoorstel Halsema wordt een wijziging van de Grondwet bepleit die rechters toestaat de grondwettigheid van wetten te toetsen in overeenstemming met hun bevoegdheid om wetten aan rechtstreeks werkende verdragsbepalingen te toetsen.5 De argumenten van het wetsvoorstel rusten zwaar op wat beschouwd wordt als een ongerechtvaardigde onderscheid tussen het toetsen van wetten aan de Grondwet en aan verdragen; het ene moet en het andere mag juist niet.6 Op het eerste gezicht lijkt dit een steekhoudend argument: gelijke monniken, gelijke kappen, zou je op het eerste gezicht zeggen, maar zo simpel ligt het niet. De zaak wordt te eenvoudig voorgesteld. Toetsing onder artikel 120 verschilt namelijk fundamenteel van toetsing onder artikel 94. Dit betekent naar mijn mening dat, als het voorstel-Halsema staat of valt met het verdragsargument, de kans groot is dat het moet vallen. Het feit dat de Eerste Kamer het voorstel op 2 december 2008 tijdens de eerste lezing maar met de kleinst mogelijke meerderheid heeft aangenomen (37 stemmen tegen 36) voorspelt weinig goeds, gelet op de in de tweede lezing verlangde tweederde meerderheid. Ik meen dat een aantal mythes waarop het ‘verdragsargument’ steunt geen bijdrage levert aan de kwaliteit van het debat over de voors en tegens van een afschaffing van het verbod om wetten te toetsen aan de Grondwet. Voorstanders van de afschaffing van het toetsingsverbod bewijzen zichzelf geen dienst door hun argumenten te baseren op staatsrechtelijk drijfzand. In het navolgende zal ik daarom een aantal van deze mythes ontkrachten.
2. Mythe nr. 1: Eenheid van functie en doel
Wil het verdragsargument steekhoudend zijn, dan moeten de Grondwet en de internationale documenten hetzelfde doel dienen. Zinvolle rechtsvergelijking berust immers op het vergelijken van dingen die dezelfde functie vervullen en waarmee eenzelfde doel wordt beoogd.7 Hier loopt het verdragsargument gelijk al mank, aangezien het een mythe is om te veronderstellen dat de functie van onze Grondwet dezelfde is als die van de meeste mensenrechtenverdragen.
De Nederlandse Grondwet is niet zozeer bedoeld of ontworpen om als leidraad voor staatsoptreden te dienen; het is veeleer een codificatie van een geleidelijk gegroeide politieke praktijk.8 De Grondwet moet niet primair gezien worden als een document dat geboden bevat die bedoeld zijn om het overheidsoptreden te sturen, maar veel meer als een document dat een bepaalde constitutionele praktijk bevestigt. Dit wordt duidelijk als men het vergelijkt met bijvoorbeeld de Zuid-Afrikaanse Grondwet, die werd ontworpen als fundament van een geheel nieuw grondwettelijk stelsel in het algemeen, en in het bijzonder als hulpmiddel voor de rechter om dit stelsel af te dwingen.9
Hetzelfde geldt voor veel verdragen. Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat van grote betekenis is voor de Nederlandse rechtsorde, is van meet af aan bedoeld om door de rechter te worden afgedwongen, met name voor het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Een beginsel als autonomous interpretation stelt het Hof in Straatsburg in staat zijn eigen definities van rechtsbegrippen te maken in plaats van vast te moeten houden aan het gevestigde gebruik in de lidstaten van de Raad van Europa. Het is één van de beginselen die laten zien dat het EVRM niet bedoeld is om een status quo te bevestigen maar meer ontworpen is als instrument om staten te onderwerpen aan een onafhankelijke toetsing door een supranationale instantie.10 Dit wordt ook ondersteund door het feit dat het Hof in toenemende mate aarzelingen heeft om lidstaten een ruime margin of appreciation te geven, en juist benadrukt dat het zijn doel is om burgers daadwerkelijke bescherming te bieden tegen een inbreuk op hun door het EVRM toegekende mensenrechten.11 Het is, gelet op de functie van het EVRM, veel gemakkelijker om rechterlijke toetsing van wetten aan dit verdrag te verdedigen dan toetsing van wetten aan een nationale Grondwet die niet bedoeld of ontworpen is om op deze manier vraagtekens te zetten bij de bevoegdheden van de wetgever.
Daarnaast is de rechterlijke toetsing aan verdragen, zoals het EVRM, noodzakelijk ten behoeve van de bewaking van de integriteit en eenvormige uitleg van de tekst van deze verdragen.12 De instantie die primair de integriteit van een (nationale) grondwet moet garanderen is daarentegen meestal primair een politieke instantie, zoals het parlement, die verantwoording aflegt aan de kiezer over de mate waarin en manier waarop door de wetgever en het bestuur rekening wordt gehouden met de Grondwet. Aan verdragen is echter geen echte wetgever te pas gekomen die politieke rekenschap moet afleggen aan zijn kiezers. Dit betekent dat internationale gerechten en andere handhavinginstanties de taak hebben om de gezaghebbendheid van dergelijke documenten te beschermen, juist omdat direct te identificeren wetgevers ontbreken. Met andere woorden, de functie van een verdrag is om de overheidspraktijk in verschillende staten te sturen en te harmoniseren, iets wat, om daadkrachtig te kunnen geschieden, het best kan worden toevertrouwd aan een onafhankelijk internationaal hof. Dit geldt echter niet noodzakelijk voor het afdwingen van grondrechten die de verhoudingen tussen politieke instellingen en de maatschappij beheersen, zoals die zijn neergelegd in grondwetten.
Hieruit moet echter niet de conclusie worden getrokken dat grondwetten nooit door de rechter zouden moeten worden toegepast Het feit dat internationaal recht wordt toegepast door de nationale rechter is op zichzelf echter niet voldoende reden om aan te nemen dat nationaal constitutioneel recht óók door de rechter zou moeten worden toegepast.
3. Mythe nr. 2: Eenheid van toepassing
Mythe nr. 1 betreft het vergelijken van de functie van onze Grondwet met die van (mensenrechten)verdragen als zodanig. Wil het verdragsargument echter overtuigend zijn, dan is bovendien vereist dat het handhaven van grondrechten min of meer dezelfde functie heeft als het handhaven van mensenrechten. Met andere woorden, rechten in een grondwet moeten net zo geschikt zijn voor rechterlijke toetsing als rechten in of op basis van een verdrag. In de Nederlandse context is het een misvatting om te veronderstellen dat dit het geval is, hetgeen het verdragsargument nog verder aan het wankelen brengt.
Laten we opnieuw het EVRM als voorbeeld nemen. De rechten daarin zijn veelal verwoord als algemene grondbeginselen. Het uitgangspunt bij het opstellen van het recht op vrijheid van meningsuiting in artikel 10 EVRM is duidelijk om een fundamenteel beginsel te verwoorden en veilig te stellen, terwijl het gelijkaardige recht in artikel 7 Gw eerder heldere regels verwoord omtrent de vrijheid van meningsuiting en niet zozeer een algemeen beginsel formuleert. Sterker nog, men hoeft alleen maar het belang van de evenredigheidstoetsing onder het EVRM in aanmerking te nemen om te zien wat het verschil is met toetsing aan de Grondwet.13 Hoe meer een systeem geneigd is een evenredigheidstoetsing toe te staan, des te sterker mag worden aangenomen dat men te maken heeft met de uitleg van beginselen, die nooit een alles-of-niets-karakter bezitten, terwijl het tegenovergestelde eerder duidt een voorkeur voor toepassing van regels waarbij veel duidelijk sprake is van een normenhiërarchie.14
Hoewel het op het eerste gezicht wenselijker lijkt om de rechter regels te laten toepassen in plaats van beginselen is dit niet altijd het geval waar het de toepassing van hoger recht betreft. Rechters, vooral die in civil law systemen, realiseren zich al snel dat complexe constitutionele kwesties meestal niet kunnen worden teruggebracht tot eenduidige regels die zonder meer kunnen worden toegepast.15 Het is met andere woorden een mythe dat rechterlijke interpretatie van veel van onze grondwetsbepalingen op nagenoeg dezelfde wijze kan geschieden als het uitleggen van verdragsbepalingen die veel vaker een beginselkarakter bezitten. Daar komt nog bij dat de formulering van sommige bepalingen in de Nederlandse Grondwet ronduit ouderwets is. Waarom al die moeite doen om wetten in formele zin te toetsen aan grondwettelijke bepalingen die zelf eerst eens goed bekeken zouden moeten worden? Het hierboven naar verwezen artikel 7 Gw is daarvan een goed voorbeeld. Het aangrijpingspunt in de bescherming van de daarin vastgelegde vrijheid van meningsuiting is de vrijheid van drukpers, terwijl televisie- en radio-uitzendingen minder bescherming genieten en handelsreclame helemaal geen bescherming; moderne elektronische media zoals het internet worden niet eens met name genoemd. Vormt een dergelijk document een goed uitgangspunt bij het toetsen van wetten in formele zin? Zal dit alles rechterlijke toetsing niet ingewikkelder maken en tot verwarring leiden in samenhang met bijvoorbeeld artikel 10 EVRM?
Helaas lijkt een heroverweging van de formulering van grondrechten in Nederland geen prioriteit te hebben: tot op heden is er bijvoorbeeld niets gedaan met de aanbevelingen van de commissie-Franken uit 2000 om het recht van de vrijheid van meningsuiting in artikel 7 te herformuleren.16 Een dergelijke herziening zou het grondwettelijk recht beter vatbaar hebben gemaakt voor rechterlijke handhaving door het te beschermen grondbeginsel een prominentere plaats te geven en minder te concentreren op specifieke beschermingsvormen (drukpers, radio, televisie enz.) die in de nabije toekomst vrijwel zeker verouderd zullen raken door de snelle opkomt van allerlei nieuwe media en moderne communicatievormen.
De hier geventileerde scepsis betekent niet dat de rechter slechts kan falen bij het toetsen van wetten aan onze Grondwet, maar wil alleen aantonen dat het toetsen van wetten aan mensenrechtenverdragen op zichzelf nog niet voldoende reden is om de rechter ook automatisch dezelfde bevoegdheid te geven ten aanzien van nationale grondrechten.
4. Mythe nr. 3: Toegevoegde waarde
Om te overtuigen moet het argument van constitutionele toetsing van wetten in formele zin iets zinvols toevoegen ten opzichte van de toetsing aan verdragen alleen. Net zoals het bestaan van de Eerste Kamer moet worden gerechtvaardigd door zijn toegevoegde waarde te bewijzen ten opzichte van de rol van de Tweede Kamer in het wetgevingsproces, zo moet men rechterlijke toetsing aan de Grondwet rechtvaardigen door aan te geven waar zij internationale waarborgen overtreft. In dit verband is het een mythe dat grondrechten in de Nederlandse Grondwet een grote inhoudelijke toegevoegde waarde bezitten ten opzichte van de mensenrechten die zijn vastgelegd in veel internationale verdragen.
De meeste grondrechten in de Grondwet zijn ook reeds vastgelegd in verdragen, met als extra voordeel dat hun ‘internationale’ formulering bevorderlijker is voor een consistente implementatie ervan. Ervaringen in België laten zien dat als de rechter nationale rechten mag toepassen, een taak die aan het Belgische Grondwettelijk Hof is toevertrouwd, de interpretatie van deze waarborgen in de praktijk zwaar leunt op verwijzing naar vergelijkbare rechten die zijn opgenomen in verdragen.17 Dit roept de vraag op waarom we nog een extra rechterlijke toets willen toevoegen aan een proces dat toch al ingewikkeld genoeg is?
In Nederland is deze scepsis beantwoord door te wijzen op schaarse voorbeelden waarbij de Grondwet wel degelijk méér bescherming zou geven dan vergelijkbare bepalingen in verdragen, zoals het recht op onderwijs in artikel 23.18 Als dit klopt, rechtvaardigen deze schaarse tegenvoorbeelden dan een grondwetswijziging als voorzien in het voorstel-Halsema? Zou het initiatiefwetsvoorstel zich dan misschien niet beter kunnen concentreren op deze specifieke, thans minder beschermde, belangen in plaats van te proberen het toetsingsverbod op te heffen?
Een toegevoegde waarde die de Grondwet verder heeft, is natuurlijk de mogelijkheid om bepalingen te toetsen die te maken hebben met de structuur van de staat en het wetgevingsproces, onderwerpen die uiteraard niet aan de orde komen in verdragen als het EVRM en het BUPO. Hoewel dit inderdaad een nieuwe dimensie zou toevoegen die niet door internationaal recht wordt gedekt, is het voorstel-Halsema uitsluitend gericht op toetsing aan klassieke grondrechten en ziet het niet op toetsing van wetten aan deze andere bepalingen uit de Grondwet.
De mythe dat het voorstel-Halsema de bescherming die al beschikbaar is onder internationaal recht zou uitbreiden blijkt echter hardnekkig. Wat voorstanders van het wetsvoorstel vaak over het hoofd zien is echter dat, als het de rechter zou worden toegestaan te toetsen aan de regelgedreven bepalingen in de Grondwet, het resultaat wel eens het ontstaan van nieuwe verwarring zou kunnen zijn doordat het allerlei nieuwe interpretatiegeschillen oproept omtrent de verhouding Grondwet en mensenrechtenverdragen. Voeg hierbij de focus op de delegatieterminologie in onze Grondwet, die een poging vormt tot een formele scheiding van machten die internationaal gezien allang achterhaald lijkt en het plaatje is compleet.
Als bovendien het beeld bestaat dat de wetgever tekort schiet in zijn taak om de integriteit van de Grondwet te bewaken, dan ligt de oplossing om dat tegen te gaan bovendien misschien wel eerder op de weg van de politiek en dan die van de rechter.19 Bij het debat over het voorstel-Halsema in de Eerste Kamer benadrukten sommige politieke partijen dat, als er een probleem is met het parlement, het parlement ook de aangewezen instantie zou moeten zijn om zijn eigen tekortkomingen aan te pakken.20 Als het parlementaire debat over en het toezicht op Grondwet-gerelateerde zaken ontbreekt, dan verdient dat onze aandacht en moet het tekortschieten van het parlement niet worden gecompenseerd door het verruimen van de mogelijkheden tot rechterlijke toetsing. Het parlement is bovendien niet een star, enkelvoudig orgaan dat niet in staat is tot zelfreflectie, maar functioneert binnen een complex systeem van ‘çhecks and balances’.21 Het is een te simpele voorstelling van zaken dat constitutionele toetsing daarvoor een adequate vervanging is.22
Om zinvol te zijn moet hervorming altijd een toegevoegde waarde bezitten. Wat betreft de bescherming van grondrechten in Nederland ligt dit voordeel niet in meer rechterlijke toetsing maar in het stimuleren van de wetgever om de handen eens uit de mouwen te steken. In het geval van Westminster bijvoorbeeld speelt de Joint Parliamentary Committee on Human Rights een steeds grotere rol om het parlement bij de les te houden als het gaat om het respecteren van fundamentele rechten.23 Het Comité, dat voor het eerst bijeen kwam in 2001 en bestaat uit leden van Hoger- en Lagerhuis, heeft een belangrijke taak in het kritisch toetsen van wetsvoorstellen aan mensenrechtennormen. Hij treedt ook in debat over bredere juridische vraagstukken los van individuele gevallen. Interessant in dit verband is dat artikel 19 van de Human Rights Act 1998 ministers verplicht om wetsvoorstellen vergezeld te doen gaan van een statement of compatibility,24 waarin wordt aangegeven dat het ingediende wetsvoorstel geen inbreuk maakt op de waarborgen van de Human Rights Act. Als een dergelijke verklaring niet kan worden afgegeven, moet de verantwoordelijk minister dat vermelden. Vervolgens is het aan het parlement of het een dergelijk wetsvoorstel accepteert. Ook in Nederland zou er op een vergelijkbare manier kunnen worden gezocht naar een slagvaardige bescherming van rechten in plaats van voor te houden dat het bestaan van toetsing aan verdragsrecht een vanzelfsprekende springplank naar rechterlijke toetsing aan de Grondwet kan zijn.
5. Mythe nr. 4: Onze rechterlijke organisatie is erop ingericht
Nog een mythe die het verdragsargument ondersteunt, is dat de rechter even deskundig zal zijn in het toepassen van nationaal recht als van internationaal recht. Het is geen verrassing dat het voorstel-Halsema juist dit idee steunt met het argument dat gespreide toetsing aan een selectie van grondrechten zonder bezwaren kan worden toegestaan, vergelijkbaar met de positie onder artikel 94.25 Het argument wil dat, omdat toetsing op basis van artikel 94 in de loop der jaren naar behoren heeft gewerkt, dezelfde dispensatie kan worden toegepast op artikel 120. Hoewel deze positie politiek opportuun mag worden geacht, brengt zij wel nieuwe problemen met zich.
Het klopt dat de Nederlandse rechter het internationale recht over het algemeen succesvol toepast, maar het is daarmee nog niet vanzelfsprekend dat dit met de Grondwet ook het geval zal zijn. Dit lijkt misschien vreemd; waarom zouden rechters problemen tegenkomen als zij constitutioneel gaan toetsen als ze al zo ervaren zijn in verdragstoetsing? Eigenlijk ligt het antwoord voor de hand. De belangrijkste verdragen die de Nederlandse rechtbanken moeten handhaven zijn verdragen met een internationaal rechterlijk college. Hierbij valt te denken aan het Europese Hof voor de Mensenrechten te Straatsburg en het Europese Hof van Justitie te Luxemburg. Deze gerechtshoven hebben het laatste woord over de interpretatie en toepassing van de verdragen waar ze over beslissen. Nationale rechters worden niet aan hun lot overgelaten maar kunnen, moeten zelfs, de beslissingen van deze hoven in aanmerking nemen. De rechtspraak op het gebied van mensenrechten bijvoorbeeld zou ondenkbaar zijn zonder een centrale leiding vanuit Straatsburg. Er zou weinig terechtkomen van bepaalde minimale waarborgen in de talrijke staten van de Raad van Europa zonder deze bakens. Het voorstel-Halsema voorziet echter niet in een dergelijke coördinerende rechtbank in de vorm van bijvoorbeeld een constitutioneel hof. In de loop der jaren zijn er vele (meestal vruchteloze) voorstellen gedaan zoals constitutionele toetsing toevertrouwen aan een speciale Kamer van de Hoge Raad of de Raad van State of voor dit doel een heel nieuw constitutioneel hof instellen.26 Dat deze ideeën niet in praktijk zijn gebracht komt niet omdat het moeilijk is zo’n hoogste constitutionele instantie in het leven te roepen. Daarvoor is niet eens een grondwetswijziging nodig en zou gewone wetgeving volstaan. Vermoedelijk weegt de vrees voor het onbekende zwaarder dan de behoefte aan hervorming. Bij de invoering van rechterlijke toetsing van formele wetten wordt het kennelijk belangrijker gevonden dat het wetvoorstel tot constitutionele toetsing aangenomen wordt dan dat de Grondwet eenduidig wordt toegepast. Daarbij wordt gemakshalve vergeten dat bij de toepassing van verdragsrecht die eenduidigheid al bewaakt wordt door één hoogste instantie. Dit is eveneens een voorbeeld van een onterechte aanvoering van het verdragsargument; het model van verdragstoetsing kan niet zomaar worden toegepast op de Grondwet zonder om voldoende acht te slaan op de constitutionele context.
6. Hoe nu verder?
Het ontkrachten van de mythes die uitsluitend steunen op het verdragsargument om het verbod in artikel 120 Gw gewijzigd te krijgen lijkt misschien een rechtstreekse aanval op het idee van constitutionele toetsing zelf. Dat is echter niet mijn bedoeling. Het doel van deze bijdrage is louter om aan te tonen dat een van de meest gebruikte argumenten voor het uitbreiden van rechterlijke toetsing in Nederland meer fundamentele vragen oproept dan vaak wordt gedacht.
Rechtshervorming moet altijd toegevoegde waarde hebben; op meer van hetzelfde zit niemand te wachten en hervorming kan verder ook nooit een doel op zichzelf zijn. Het (gedeeltelijk) loslaten van het toetsingsverbod van artikel 120 Gw vergt een heroverweging van de redenen voor verandering. In het geval van het verdragsargument werden die redenen in het voorgaande gewogen en te licht bevonden.
Betekent dit nu dat het idee van rechterlijke toetsing van formele wetten aan de Grondwet moet worden verworpen? Een eenvoudige kosten-batenanalyse op basis van het bovenstaande zou gemakkelijk tot die conclusie kunnen leiden. Men zou daarom de invoering van constitutionele toetsing ook kunnen beperken tot slechts de toetsing van die grondwetsbepalingen die de grondrechtenbescherming die reeds bestaat op basis van verdragen daadwerkelijk uitbreiden, zoals het geval is bij het recht op onderwijs uit artikel 23 Gw.27 Dit kan worden geregeld door een kleine aanpassing van de Grondwet volgens het voorstel-Halsema maar dan met een nog verdere beperking van de categorie grondrechten die worden uitgezonderd van het toetsingsverbod in artikel 120 Gw.
Een andere mogelijkheid is dat een interpretatierichtsnoer in de Grondwet wordt opgenomen dat verdragsbepalingen die grondrechten minder goed beschermen moeten worden geïnterpreteerd door de Nederlandse rechter in het licht van grondwettelijke bepalingen die een betere bescherming toekennen. Het voordeel van deze oplossing is dat zij de rechtsbescherming uitbreidt zonder de gebruikelijke problemen en bedenkingen die voorstellen tot directe constitutionele toetsing door de rechter met zich meebrengen. Rechten die worden gewaarborgd in het internationale recht blijven het uitgangspunt, terwijl er ruimte wordt gelaten voor de grondrechten om waar mogelijk en noodzakelijk iets toe te voegen aan de door de mensenrechten verleende bescherming. Op deze manier worden grondrechten een aanvullende inspiratie of extra beschermingsmogelijkheid en niet een apart, maar een geïntegreerd systeem waarin deze rechten afdwingbare verdragsrechten complementeren vermits ze niet botsen met de aard en toepassing van verdragsrechten. Daardoor kan de rechter zich richten op de beginselen die door de Grondwet worden beschermd en hoe deze toevoegen aan ons begrip van bijvoorbeeld het EVRM, zonder dat de Grondwet als zodanig wordt toegepast.
Aangezien de Grondwet dan alleen een secundaire rol speelt, zou eerst kunnen worden vastgesteld of de bestaande hoogste rechtscolleges hun taak naar behoren vervullen of dat toch moet worden overwogen om een apart, coördinerend constitutioneel hof in te stellen. Op deze manier zal ook de tijd leren welke nationale grondrechten geschikt zijn voor (indirecte) rechterlijke toetsing, en welke misschien geherformuleerd moeten worden om beter als interpretatie-instrument te kunnen functioneren. Door het goede voorbeeld van de internationale praktijk te volgen, wordt ook voorkomen dat twee uiteenlopende interpretatiesystemen ontstaan; de nationale aanvullende interpretatie mag immers niet op gespannen voet staan met het karakter van de internationale rechtsbescherming.
Welke kant het debat ook opgaat, feit blijft dat elke hervorming van constitutionele toetsing moet worden gerechtvaardigd ondanks de bestaande verdragstoetsing en niet vanwege die verdragstoetsing, hetgeen tot nu toe steeds het geval is geweest. Hierin ligt de belangrijkste constitutionele implicatie van het internationale recht, waar de Nederlandse rechtsorde heden ten dage steeds zwaarder op steunt.
Mr. G. van der Schyff is universitair docent Staats- en bestuursrecht, Universiteit van Tilburg. Deze bijdrage is geschreven in het kader van een NWO Veni-project inzake rechterlijke toetsing. Met dank aan prof. dr. R.A.J. van Gestel en drs. K.F.A.M. Sijtsma.
Dit artikel is verschenen in NJB 2009/38.
- Voor algemene overzichten, zie L. Prakke, Toetsing in het publiekrecht, Assen, Van Gorcum, 1972; M.L.P. van Houten, Meer zicht op wetgeving, Tjeenk Willink, 1997; M. Adams en G. van der Schyff, ‘Constitutional review by the judiciary in the Netherlands: A question of politics, democracy or compensating strategy?’, 66 Zeitschrift für ausländisches öffentliches Recht und Völkerrecht 2006, 399-413; R. de Lange, ‘Constitutionele toetsing van wetgeving in Nederland’, Regelmaat 2006, 142. ↩
- De meest recente voorstellen in dit opzicht waren die van de Nationale Conventie, die haar rapport publiceerde in 2006. R.J. Hoekstra, Hart voor de publieke zaak: Aanbevelingen van de Nationale Conventie voor de 21e eeuw, Den Haag, Nationale Conventie, 2006. ↩
- Samengevat door P.B. Cliteur, ‘Argumenten voor en tegen constitutionele toetsing’, NJB 1989, 1369, 1373-1374; L.F.M. Besselink, ‘Constitutionele toetsing in internationaal perspectief’, 52 Ars Aequi 2003, 89, 94-95. ↩
- Bijv. W.J. Witteveen, Evenwicht der machten, Zwolle, Tjeenk Willink, 1991, 85-86. ↩
- Kamerstukken II 2001-2002, 28 331, nr. 2; Kamerstukken II 2002-2003, 28 331, nr. 9. ↩
- Kamerstukken II 2002-2003, 28 331, nr. 9, 11-12. ↩
- Zie K. Zweigert en H. Kötz, An Introduction to Comparative Law, 3e druk, Oxford, Clarendon Press, 1998, 34-36 over het belang van functionele rechtsvergelijking. ↩
- G. Leenknegt, ‘The protection of fundamental rights in a digital age’, in E. Hondius en C. Joustra (red.), Netherlands Report to the Sixteenth International Congress of Comparative Law, Antwerpen, Intersentia, 2002, 325, 328. ↩
- In S. v. Makwanyane, 1995 (3) SA 391 (CC), 1995 (6) BCLR 665 (CC), par. 262, is door het Constitutioneel Hof de functie van de Zuid-Afrikaanse Grondwet als volgt verwoord: “In some countries, the Constitution only formalizes, in a legal instrument, a historical consensus of values and aspirations evolved incrementally from a stable and unbroken past to accommodate the needs of the future. The South African Constitution is different: it retains from the past only what is defensible and represents a decisive break from, and a ringing rejection of that past (…). The contrast between the past which it repudiates and the future to which it seeks to commit the nation is stark and dramatic.” ↩
- Zie George Letsas, ‘The truth in autonomous concepts: How to interpret the ECHR’, 15 European Journal of International Law 2004, 279. ↩
- Bijv. de kleine beoordelingsmarge in EHRM, zaak Refah Partisi v. Turkey van 13 februari 2003. ↩
- Dezelfde opvattingen zijn geuit door E.C.M. Jurgens, ‘Wetgever heeft laatste woord over uitleg van Grondwet’, Regelmaat 1995, 68. ↩
- Zie voor deze kwestie de samenvattingen en denkbeelden van A.W. Hins, ‘Constitutionele toetsing, proportionaliteit, Verhältnismässigkeit’, in A.J. Nieuwenhuis, B.J. Schueler en C.M. Zoethout (red.), Proportionaliteit in het publiekrecht, Deventer, Kluwer, 2005, 61; R.J.B. Schutgens, ‘Het wetsvoorstel-Halsema en de toetsbaarheid van de wet’, Regelmaat 2007, 12, 15-16. ↩
- Zie voor de relatie tussen beginselen en evenredigheid in constitutionele rechtspleging, R. Alexy, A Theory of Constitutional Rights, Oxford, Oxford University Press, 2002. ↩
- Zie Michel Rosenfeld, ‘Constitutional adjudication in Europe and the United States: Paradoxes and contrasts’, 2 International Journal of Constitutional Law 2004, 633, 635. ↩
- H. Franken, Rapport: Commissie grondrechten in het digitale tijdperk, Den Haag, 2000. ↩
- Bijv. Arrest nr. 167/2005 van 23 november 2005. ↩
- Zie ook commentaar en voorbeelden in F. Halsema en S. Taalman, ‘Leve de Grondwet!’, Openbaar bestuur 2004, 36. ↩
- Zie C.L.G.F.H. Albers en R.J.N. Schlössel, ‘Terrorismebestrijding: Het bestuursrecht aan zet, de rechtsstaat in gevaar?’, NJB 2006, 2526. ↩
- Kamerstukken I 2004-2005, 28 331, B; Kamerstukken I 2004-2005, 28 331, C. ↩
- Zie bijv. het Rapport: Parlementaire zelfreflectie 2007-2009, Kamerstukken II 2008-2009, 31 845, nrs. 2-3. ↩
- Over de complexiteit van het parlement en het wetgevingsproces, zie J.Th.J. van den Berg, ‘Het parlement: een instelling, drie instituties’, in J.Th.J. van den Berg, J.L.W. Broeksteeg en L.F.M. Verhey (red.), Het parlement, Nijmegen Wolf Legal Publishers, 2007, 15; P.P.T. Bovend’Eert, ‘De wetgevende macht van het parlement’, in J.Th.J. van den Berg, J.L.W. Broeksteeg en L.F.M. Verhey (red.), Het parlement, Nijmegen Wolf Legal Publishers, 2007, 91. ↩
- J. Wadham, H. Mountfield, A. Edmundson en C. Gallagher, Blackstone’s Guide to the Human Rights Act, 4e druk, Oxford, Oxford University Press, 2007, 13. ↩
- J. Wadham e.a., Blackstone’s Guide to the Human Rights Act, ibid., 65. ↩
- Kamerstukken II 2002-2003, 28 331, nr. 9, 16-18. ↩
- Voor de verschillende voorstellen die zowel in de loop der jaren als recentelijk zijn langsgekomen, zie C.A.J.M. Kortmann, ‘Advies van prof.mr. C.A.J.M. Kortmann’, 17 NJCM-Bulletin 1992, 305; R.J. Hoekstra, Hart voor de publieke zaak: Aanbevelingen van de Nationale Conventie voor de 21e eeuw, Den Haag, Nationale Conventie, 2006, 9, 47; C. Zoethout, J.W. Sap, Roel Kuiper en O. Ramadan, Een grondwet voor de 21ste eeuw: Voorstudie van de werkgroep Grondwet van de Nationale Conventie, Den Haag, Nationale Conventie, 2006, 34; J.W. Sap, ‘De aanbeveling van de Nationale Conventie om een Constitutioneel Hof in te stellen’, 32 NJCM-Bulletin 2007, 590; E.A. Alkema, ‘Repliek: Toetsing door een speciaal Constitutioneel Hof?’, 32 NJCM-Bulletin 2007, 792; E.M.H. Hirsch Ballin, ‘Een levende Grondwet’, Regelmaat 2005, 161. ↩
- Hoewel het recht op onderwijs nu precies één van de redenen is waarom de politieke macht terughoudend is bij het aanpassen van de Grondwet volgens C.A.J.M. Kortmann, ‘Toetsing aan artikel 23 Grondwet’, NJB 2002, 1203. ↩
{ 3 reacties }


{ 3 trackbacks }