Mensen gevangen in een verrukkelijk arrest

door Ton Hartlief

op 23 november 2009 in Vooraf

Mensen gevangen in een verrukkelijk arrest

“Een verrukkelijk arrest”. Aan het woord was Otto van Wassenaer van Catwijck bij de gelegenheid van een lezing over verkeersaansprakelijkheid voor een juridisch genootschap. Object van zijn bespiegelingen was het zojuist gewezen arrest inzake Ingrid Kolkman (NJ 1991, 720) waarin in het verlengde van het arrest inzake Lars Ruröde (NJ 1990, 778) in wezen het eigenschuldverweer bij verkeersslachtoffers jonger dan 14 jaar werd afgeschaft.

En zijn toehoorders begrepen precies wat hij bedoelde. Dit was rechtsontwikkeling in optima forma: de Hoge Raad nam voortbouwend op eerdere rechtspraak een belangrijke, spectaculaire beslissing en gaf daarbij in een overweging ten overvloede ook alvast aan dat van hem nog wat te verwachten viel wanneer hem de vraag zou worden voorgelegd of ook regresnemers, ziektekostenverzekeraars bijvoorbeeld, van deze nieuwe lijn kunnen profiteren. Subrogeren zij in zieligheid? Enkele jaren later luidde het antwoord ontkennend (NJ 1998, 400-402 inzake Marloes de Vos e.a.).

Smullen van ‘plaatjes van arresten’. Je zult het de hoofdrolspelers in de zaken die de Hoge Raad uiteindelijk tot standaardarresten brengt niet horen zeggen. Het is eerder het perspectief van de wetenschapper die van de casus, de zaak waarin mensen van vlees en bloed centraal staan, meer weet te maken: een rechtsvraag, een abstracte vraag waarvan het antwoord uitstraalt naar andere gevallen. Ook de praktizijn komt aan zijn trekken: hij kan verder met de nieuwe beslissing, heeft nieuwe munitie gekregen of juist geleerd dat hij zijn heil elders moet zoeken, in een ander verweer bijvoorbeeld.

Het bekende boekje van Bruinsma (De Hoge Raad van onderen) waarvan de aangevulde 3e druk op punt van verschijnen staat, wierp een ander licht op deze hoogtepunten van het rechtsbedrijf. Bruinsma stelde niet de rechtsregel of de betekenis van het arrest voor het recht centraal, maar de mensen die ons met ‘hun’ arrest hebben verrijkt. Wat bezielde hen, wat heeft de zaak voor hen betekend, met hen gedaan? Hoe kijken zij aan tegen het arrest en tegen de Hoge Raad? Van onderen bleek het beeld van de Hoge Raad heel wat minder fraai. Recent ‘veldonderzoek’ door Lindenbergh en Bakels bevestigt dat het beeld dat De Hoge Raad van onderen opriep, niet aan actualiteitswaarde heeft ingeboet.1 Bakels heeft verslag gedaan van een interview met de ouders van Kelly wier zaak is uitgemond in het wrongful life-arrest (NJ 2006, 606);2 Lindenbergh presenteert hierna de resultaten van gesprekken met vier ‘beroemde’ slachtoffers die als kind door het noodlot werden getroffen en een standaardarrest op hun naam hebben staan. Een duidelijk thema is de beperkte betekenis van de beslissing van de Hoge Raad. Zo wordt de overwinning bij de Hoge Raad in de zaak van Kelly door de direct betrokkenen niet werkelijk zo beleefd: de strijd is na verwijzing gewoon voortgezet. Verder legt zowel Bakels als Lindenbergh een werkelijkheid voor de slachtoffers en hun omgeving bloot waarvan slechts een flauw aftreksel in de feiten, zoals wij die kennen uit de arresten zelf, is terechtgekomen. Dat kunnen we vanuit het ‘vak’ best verklaren, maar ik maak mij sterk dat vele in dit vak werkzame lezers dit ‘nieuwe materiaal’ wel degelijk als meer dan enkel interessante, juist als relevante, informatie zullen zien. Dat zou ons aan het denken moeten zetten. Lindenberghs slotwoorden spreken voor zich:

‘De vier vertellingen geven bovenal een gezicht aan de onderwerpen die op dit gebied in het recht van betekenis zijn. En dat lijkt in het recht nog wel eens te worden vergeten: dat het hier om mensen gaat.’

Wat wij van partijen menen te weten, is ook niet altijd even juist. Zo blijkt uit de beschouwingen van Bakels, Lindenbergh en Bruinsma dat de betrokkenheid van partijen bij ‘hun’ arrest soms anders is dan ‘courtwatchers’ denken. Vele slachtoffers vermelden dat één van de motieven om van hun (on)geval een zaak te maken, om ondanks tegenslag door te vechten, is dat zij herhaling voor de toekomst wensen te voorkomen om anderen een beter lot te geven. Daarmee lijken zij uitstraling van de beslissing in hun zaak naar andere zaken te beogen. In de recent opgetekende verhalen komt echter vooral naar voren dat zij willen dat er recht wordt gedaan aan hun zaak. Veel minder dan voor repeat players gaat het hen om de rechtsvraag, om ‘de regel’.

Dat is weliswaar geen nieuw inzicht, maar wel van betekenis in het licht van de hervormingen aan het front van de Hoge Raad. Vooralsnog lijkt het erop dat de voorstellen van de Commissie Hammerstein worden omhelsd, zodat we in de nabije toekomst te maken krijgen met selectie aan de poort, intensiever gebruik van de figuur der cassatie in het belang der wet en prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Grof gezegd gaat de Hoge Raad meer doen aan rechtsvorming, maar minder aan rechtsbescherming (niet iedereen immers komt nog ‘binnen’). Ik begrijp best dat de Hoge Raad meer ruimte wil hebben voor zijn rechtsvormende taak, maar vrees dat het accent hierop niet goed aansluit bij de behoeften van onze samenleving. Geven de verhalen ‘van onderen’ niet vooral voeding aan de gedachte dat er juist aan het front van de rechtsbescherming nog het nodige te winnen valt?

De plannen afdoen als marginale verschuivingen zou geen recht doen aan wat er speelt. Vranken concludeert niet voor niets dat ‘in het nieuwe stelsel een verschuiving plaatsvindt van een overwegend zaakgerelateerde naar een meer rechtsvraaggerelateerde aanpak van betrokkenen’.3 Hij zal gelijk hebben: het zijn ontwikkelingen die niet alleen de Hoge Raad, maar ook lagere rechters, advocaten en uiteindelijk in het bijzonder partijen, de mensen die gezicht geven aan het recht, raken. Zij zaten hier echt op te wachten: dat hun zaak vooral als rechtsvraag wordt gezien. En zij vrezen het ergste: dat hun zaak een ‘verrukkelijk arrest’ blijkt te hebben opgeleverd.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2009/41.

  1. Beiden spreken tijdens de NJB-salon van 19 januari 2010 gewijd aan ‘De Hoge Raad van onderen en van boven’ dat ter gelegenheid van de verschijning van de 3e druk van het boekje van Bruinsma plaatsvindt.
  2. Ex libris Hans Nieuwenhuis, Deventer p. 427 e.v.
  3. NJB 2009, p. 1086.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

Reageren

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: