Discriminatiesignalen

door Corien Prins

op 11 januari 2010 in Vooraf

Afbeelding bij Discriminatiesignalen

Het lijkt erop dat de Eerste Kamer zonder veel ophef akkoord zal gaan met een aanzienlijke verruiming van het gebruik van gegevens over etniciteit. Op 26 januari staat de behandeling geagendeerd van de aanpassing van de Wet op de jeugdzorg t.b.v. de introductie van de Verwijsindex risicojongeren. Via deze verwijsindex kan een breed scala aan instanties betrokken bij jeugdigen (gemeente, consultatiebureau, school, zorgverlener, schuldhulpverlening, jeugdzorg, politie, ziekenhuis, etc.) op elektronische wijze signalen uitwisselen wanneer een jeugdige naar hun mening bloot staat aan risico’s die de ontwikkeling in de weg staan. Art.2j onder l stelt dat dergelijke signalen worden uitgewisseld ‘als de jeugdige bloot staat aan risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen’. De regeling ontbrak in het oorspronkelijke wetsvoorstel, maar is toegevoegd na een motie vanuit de Tweede Kamer. Laat ik direct stellen geen bezwaren als zodanig te hebben tegen registratie van gegevens over etniciteit. Mijn grote zorg ligt bij de wijze waarop het besluit is genomen en vooral de redenering daarachter.

Allereerst de wijze waarop. Vlak voor het zomerreces, bij het afhandelen van stapels laatste voorstellen, zet de Tweede Kamer zonder een gedegen discussie bij motie een deur open die verregaande consequenties heeft. Een opening die bovendien waarschijnlijk strijdig is met het non-discriminatieverbod, zoals neergelegd in richtlijn 2000/43/EG. Deze verplicht lidstaten maatregelen te nemen tegen ongeoorloofd direct en indirect onderscheid op grond van ras of etnische afstamming. Onder meer op het terrein van de sociale bescherming. En juist op dat terrein beoogt de verwijsindex een instrument te zijn. Maatregelen zijn alleen dan toegestaan wanneer ze objectief worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en ze voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Bij een vermoeden van discriminatie, moet conform art. 8 richtlijn zijn aan te tonen dat het beginsel van gelijke bescherming niet is geschonden. Zonder een moment stil te staan bij deze en andere discriminatieverboden, is de voornoemde motie aangenomen. Bovendien zijn relevante instanties, zoals het College Bescherming Persoonsgegevens (Cbp) niet in de gelegenheid gesteld te adviseren toen de minister besloot de motie op te volgen. Hij vond dat niet nodig.

Het Cbp nam overigens enkele jaren geleden bijna 12 maanden de tijd voor een oordeel over de Verwijsindex Antilianen (VIA) en trok de discussie toen niet breder dan het concrete probleem dat voorlag. Ook de ABRvS kwam in september 2008 in het oordeel over de rechtmatigheid van de VIA niet aan de achterliggende kwesties toe.1 Geen van deze partijen heeft de gelegenheid gekregen dan wel genomen een bredere gedachtegang te ontwikkelen en op zoek te gaan naar criteria. Met als gevolg dat een treurige en inhoudelijk zeer zwakke discussie in de Tweede Kamer resulteert in een regeling die alle ruimte biedt tot registratie van etnische gegevens. Veel meer ruimte dan de huidige wetgeving biedt (waar een “verbod, tenzij..” als uitgangspunt geldt). Bovendien is registratie toegestaan aan een zeer breed arsenaal aan organisaties dat jeugdigen op hun pad vindt. Overigens had minister Van der Laan vlak na zijn aantreden nog aangekondigd de discussie in de volle breedte te gaan voeren. De thematiek “…vergt een principiële discussie verbonden met de grondwet en internationale verdragen, die vraagt om betrokkenheid van meerdere bewindspersonen en om een zorgvuldige afweging.” Het kabinet kondigde aan voorjaar 2010 met een standpuntbepaling te komen.

Minister Rouvoet heeft dit kabinetsstandpunt kennelijk niet willen afwachten en nam de motie van de Tweede Kamer zonder slag of stoot over. Deze opstelling heeft waarschijnlijk alles te maken met zijn (ook in de MvA te vinden) opvatting dat er in het geval van de verwijsindex geen sprake is van registratie op grond van etniciteit. En hier ligt mijn tweede punt van zorg: de achterliggende redenering. Die staat mijlenver af van de dagelijkse praktijk. Het klopt, zoals de minister opmerkt, dat signalen in de verwijsindex worden afgegeven via het burgerservicenummer en geen verdere inhoudelijke gegevens (dus geen herkomstgegevens) worden verstrekt. Pas als hulpverleners vervolgens (min of meer verplicht) contact met elkaar opnemen worden meer gegevens (en dus etniciteit) uitgewisseld. Maar welke hulpverlener zal een signaal afgeven zonder de aanleiding hiervoor gedocumenteerd te hebben (en dus gegevens over etniciteit te registreren)? Welke professional zal, wanneer hij door een derde op de hoogte wordt gebracht van de (etnisch gerelateerde) problemen, dit vervolgens niet ook weer in zijn digitale dossier aantekenen? Zorgvuldige hulpverlening verlangt immers goede documentatie. En daarmee is de feitelijke registratie van gegevens over etnische herkomst door een bont gezelschap van organisaties (in sommige lokale verwijssystemen participeren meer dan 40 instanties) een feit. Softwarebouwers zullen elektronische dossiers onherroepelijk inrichten met een verplicht in te vullen veld “herkomst”. In feite kan het kabinet in de standpuntbepaling niet meer terug.

Registratie naar etniciteit kan in uitzonderingsgevallen een optie zijn. Bijvoorbeeld als bepaalde problemen uitsluitend effectief zijn aan te pakken wanneer dergelijke gegevens (land van herkomst, etc.) beschikbaar zijn. De recente problemen in Culemborg zijn mogelijk illustratief. Noodzaak en legitimiteit kunnen er ook zijn wanneer het, bij het doen van een urgent en specifiek hulpaanbod wenselijk is rekening te houden met iemands culturele achtergrond. Maar de stap naar het registreren van etniciteit t.b.v. het genereren van beleidsinformatie of sturing op het individuele niveau (hulpverlening, handhaving) mag uitsluitend na een gedegen en brede discussie over noodzakelijkheid en legitiem belang worden gezet. Waarbij bovendien de internationale discriminatieverboden waar ons land aan is gehouden eens serieus worden genomen.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/02.

  1. Zie Brouwer en Houtzager, NJB 2009, 203, afl. 5, p. 302.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: