Het was geen vriendenboek, althans het had, volgens degene die het aanbood, voor de ontvanger met een liber amicorum slechts de spanning gemeen. Het rapport van de Commissie Davids door haar naamgever aangeboden aan premier Balkenende trekt conclusies die nog op de dag van aanbieden aanleiding gaven voor een crisissfeer. De verklaring van premier Balkenende en de beantwoording door hem van vragen van de pers riepen het beeld op van een politicus die niet de tijd neemt om de bevindingen op zich te laten inwerken en niet bereid is te leren van het verleden. De indruk dat hij de conclusie van de commissie omtrent het ontbreken van een adequaat volkenrechtelijk mandaat afdeed als ‘ook maar een mening’ deed voor velen de deur dicht. PvdA-fractievoorzitter Hamer kon zich niet goed voorstellen dat ‘haar’ bewindsliedensmaldeel, zoals zo’n club in tijden van politieke oorlog heet, had ingestemd met de strijdwijze van de premier en eiste nog op dezelfde dag een nieuwe verklaring. Daarmee droeg zij duidelijk bij aan het beeld dat het kabinet in zwaar weer terecht was gekomen. Een nieuwe verklaring kwam er niet, wel een brief aan de Tweede Kamer die kou uit de lucht nam, niet alleen omdat het kabinet aangaf, in zijn eigen bewoordingen, het rapport van de Commissie Davids wel degelijk serieus te nemen (het zal ‘leidend zijn’), maar ook omdat op het specifieke punt van het volkenrechtelijk mandaat werd toegegeven dat een beter (adequater) volkenrechtelijk fundament niet alleen ‘wenselijk, maar ook ‘noodzakelijk’ was geweest. Aldus werd voorkomen dat een serieus juridisch punt al meteen in het politieke geweld werd afgedaan. Hier heeft de politiek het (volken)recht serieus genomen.
De Maastrichtse Gemeenteraad ontving twee weken geleden een rapport van het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten over de affaire rond de aankoop door Gerd Leers, behalve privépersoon op dat moment ook burgemeester van Maastricht, van een villa in Bulgarije. Ook dit rapport, net als dat van de Commissie Davids eigenlijk op verzoek dan wel instigatie van degene die onder vuur lag, tot stand gekomen, bevat enkele stevige oordelen voor betrokkene. Zo wordt Leers aangerekend dat zijn aankoop onhandig en onverstandig was, dat hij de schijn van belangenverstrengeling heeft doen ontstaan en uiteindelijk de stad Maastricht schade heeft berokkend. Ook dit rapport is daarom geen vriendenboek, al putte de burgemeester nog hoop uit het feit dat BING geen bewijs had gevonden voor ambtsmisbruik. Op de avond waarop in de Tweede Kamer werd gedebatteerd over de wijze waarop de premier het rapport van de Commissie Davids in ontvangst had genomen, werd in de Maastrichtse gemeenteraad Leers’ politieke lot bezegeld. Al zappend van het ene live te volgen debat naar het andere was ik getuige van nationale, maar ook van lokaal bedreven politiek. Het kamerdebat was soms weinig verheffend, het Maastrichtse opmerkelijk ordentelijk en respectvol. Een voor Leers nadelige motie die een meerderheid dreigde te krijgen, deed hem afstappen van zijn oorspronkelijke plan het op een stemming te laten aankomen en gaf hem aanleiding zelf ten volle verantwoordelijkheid te nemen voor zijn foute beslissing van destijds. Ik was nooit erg gecharmeerd van lokale politiek, noch van lokaal ‘staatsrecht’. Op deze avond wenste ik premier en fractieleiders echter toe dat zij al internettend (wat zitten zij anders de hele tijd te doen met die apparaatjes op schoot?) L1 TV zouden vinden en getuige zouden zijn van het liveverslag vanuit Maastricht.
Deze week is de derde druk van Freek Bruinsma’s ‘Hoge Raad van onderen’ verschenen en tijdens de NJB-salon ‘De Hoge Raad van onderen en van boven’ aangeboden aan Hans Fleers, vice-president van de (eerste kamer van de) Hoge Raad. Ook dit is weliswaar leerzame kost, maar moeilijk als vriendenboek te beschouwen. Met zijn eerdere drukken heeft ‘De Hoge Raad van onderen’ naam gemaakt. ‘Schokkend’ en ‘verplichte kost voor juristen’, werd gesteld bij de eerste en de tweede druk door respectievelijk Iens Verburgh (toen raadsheer in de Hoge Raad) en Maurits Barendrecht. De derde druk, waarin een aantal nieuwe verhalen volgens beproefd recept zijn opgetekend, verdient niet minder. Nog steeds geldt dat er het nodige te verbeteren valt, nog steeds valt op dat de betrokkenheid van partijen bij ‘hun’ arrest anders is dan ‘courtwatchers’ plegen te denken. Het verbaast niet dat Bruinsma aandacht vraagt voor de context waarin deze nieuwe druk verschijnt. Dat is inderdaad een bijzondere: het rapport-Hammerstein (Versterking van de cassatierechtspraak, Den Haag 2008) en de daarin bepleite invoering van een systeem van selectie aan de poort, een intensiever gebruik van de figuur der cassatie in het belang der wet en de introductie van de mogelijkheid voor lagere rechters om prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Er is dus een verschuiving gaande van rechtsbescherming naar rechtsvorming. Bruinsma stelt uiteraard kritische vragen vanuit het consumentenperspectief: zitten rechtzoekenden te wachten op een hoogste rechter die eigenlijk alleen tijd vrij wil maken voor zaken ‘die er toe doen’ en vooral in de gelegenheid wil zijn tijdig een adequate bijdrage te leveren aan het front van de vorming van nieuw recht? Vanuit een ander perspectief ligt het voor de hand dat ook de verhouding van deze moderne en ambitieuze Hoge Raad tot andere rechtsvormers, in het bijzonder regering en Staten-Generaal, op enig moment de aandacht krijgt die zij verdient. De Hoge Raad doet er verstandig aan zich voor te bereiden op een toenemende aandacht van de politiek voor zijn werk, van de politiek voor het recht. Worden we daar vrolijk van?
Ton Hartlief
Zie ook Na de Commissie Davids: Nederland, Irak en het volkenrecht van André Nollkaemper, Mensen gevangen in een verrukkelijk arrest van Ton Hartlief en Het rapport Hammerstein: de vlucht naar voren van de Hoge Raad van Freek Bruinsma.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/03.
Bron afbeelding: flyzipper
{ 0 reacties }

