Treuzelenderwijs

door Peter Wattel

op 25 januari 2010 in Vooraf

Afbeelding bij Treuzelenderwijs

Sinds 1 oktober 2009 geldt de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Een na ingebrekestelling nog steeds treuzelend bestuursorgaan verbeurt een dwangsom, oplopend van € 20 tot € 40 per dag tot maximaal € 1.240 (art. 4:17 Awb). Tegen overtijdig getreuzel staat bovendien beroep open op de bestuursrechter. Die stelt desgevraagd de in de aanvraag- of bezwaarfase verbeurde dwangsom vast (maximaal € 1.240 dus) en is verplicht om bovendien een “nadere” dwangsom op te leggen als ten tijde van zijn uitspraak nog steeds geen besluit of uitspraak op bezwaar is bekendgemaakt door het bestuursorgaan (art. 8:55d Awb). De teller voor die “nadere” dwangsom begint te lopen twee weken na de rechterlijke uitspraak. Het bedrag per treuzeldag is overgelaten aan de rechter, evenals het treuzelsomplafond.

Kennelijk voorziet de wet in een behoefte. Al op 19 november 2009 deed de Rechtbank Haarlem uitspraak op een op 6 oktober ingesteld antitreuzelberoep,1 en op 17 december had die rechtbank al een zodanige routine ontwikkeld dat op die datum beslist werd op een antitreuzelberoep ingesteld op 27 november, dus in minder dan drie weken.2 Dat de rechtbank snel en zonder zitting beslist op dergelijk beroepen is ook de bedoeling (art. 8:55b(1) Awb), althans van de initiatiefwetsvoorstellers (wellicht niet zozeer van de regering, die een eigen, vager wetsvoorstel had waarmee het initiatiefvoorstel is geïntegreerd). Het duurt immers allemaal al te lang (daarom is juist beroep open gesteld) en er hoeft geen commissie-Davids ingesteld te worden om een termijnoverschrijding te constateren.

Diverse gepubliceerde uitspraken suggereren bestaansrecht van de dwangsom. De Rechtbank Breda3 ontving een beroep van een belanghebbende die op 23 oktober 2001 bezwaar had gemaakt tegen voldoening van omzetbelasting. De inspecteur wilde uitstel; de belanghebbende stemde in met uitstel tot 1 januari 2005 (de redenen daarvoor blijken niet). Maar er gebeurde niets, hoewel ook na de verlengde termijn contact bleef bestaan over de bezwaarafdoening en de belanghebbende ook bezwaar indiende over een later tijdvak. Op 3 februari 2009 (meer dan vier jaar na de uiterste beslisdatum; meer dan zeven jaar na bezwaar) schreef de belanghebbende de inspecteur dat hij nog steeds op een beslissing wachtte en dat hij een reactie wilde. Er volgde geen uitspraak. Op 23 oktober 2009 (exact acht jaar na bezwaar; een kleine negen maanden na de ingebrekestelling) ging de belanghebbende in beroep. De inspecteur had gevoel voor humor: volgens hem was het beroep niet-ontvankelijk; het was immers onredelijk laat ingesteld (zie art. 6:12(4) Awb). Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank was er nog steeds geen uitspraak op bezwaar, zodat de rechtbank een dwangsom moest vaststellen. Dat deed zij: € 100 per dag met een maximum van € 15.000. Die bedragen zijn afgestemd tussen de rechtbanken; de Rechtbank Haarlem legde in beide boven genoemde zaken – beide tegen het College van B&W Haarlem – dezelfde dwangsom op.

Uit de Bredase omzetbelastingzaak blijkt niet waaróm de inspecteur er zo lang over deed. In één van de twee Haarlemse zaken werd wel een verklaring gegeven door het College van B&W: “de afhandelingstermijn is nadelig beïnvloed door het grote aantal ingediende bezwaar- en beroepschriften in verhouding tot de ongewijzigde personele bezetting.” Tja … wie heeft die personele bezetting ongewijzigd gelaten? In de andere Haarlemse zaak was het College creatiever; in die zaak had de CRvB het College op 4 juni 2009 opgedragen opnieuw op het bezwaar (tegen een besluit van 23 december 2005) te beslissen. Omdat de CRvB in zijn uitspraak daar geen termijn voor had genoemd, was het College van mening dat er dus überhaupt geen termijn gold voor het nieuwe besluit. Ook na diepgaande studie en langdurige voorbereiding lijkt het niet eenvoudig een betere manier te verzinnen om een reeds vier jaar procederende burger tegen je in het harnas te jagen.

Is € 100 per dag en maximaal € 15.000 eigenlijk veel, althans genoeg? Er is nog een hogere standaardcategorie afgesproken: € 250 per dag tot maximaal € 37.500. Maar ook dat is aanzienlijk minder dan wat de fiscus (die zelf geen dwangsom kan opleggen) in civiele procedures eist (en toegewezen krijgt) tegen burgers die niet antwoorden op de vraag of ze een KB-Lux-bankrekening hadden. Bedragen van € 1.000 per dag met een maximum van € 100.000 zijn daar geen uitzondering.4 Bovendien begint de teller daar niet pas na twee weken, maar al na zeven dagen te lopen.

Als de dwangsom bij niet-beslissen in een echt grote behoefte blijkt te voorzien, kunnen er twee dingen gebeuren: (i) het bestuur krijgt zijn afhandeltermijnen door deze financiële dreiging op orde (al dan niet door blind af te wijzen; dan zien we in bezwaar wel weer verder): er worden weinig dwangsommen verbeurd zodat er weinig budgettaire gevolgen zijn; (ii) er worden veel dwangsommen verbeurd, er worden veel beroepen ingesteld en er worden veel “nadere” dwangsommen opgelegd en verbeurd. Er gaat daardoor een significante hoeveelheid geld van het bestuur naar burgers en bedrijven. En daarom worden de belastingen, met name de gemeentelijke, verhoogd.

Hoe dan ook: voor beroepsquerulanten wordt het leven financieel hoopvoller.

Peter Wattel

Zie over de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen uitgebreid het artikel van Rogier Stijnen in NJB 2009/02.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/04.

Bron afbeelding: jekemp

Deel dit artikel:

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: