Uitleg van uitleg

door Coen Drion

op 1 februari 2010 in Vooraf

Afbeelding bij Uitleg van uitleg

Het is in ieder geval onder juristen reeds lang van algemene bekendheid dat de rechter in een overeenkomst, die naar zijn oordeel onredelijk is, mag veranderen zoveel hij wil, zonder dat zijn beslissing deswege in cassatie vernietigd zal worden, als hij zijn wijzigen maar niet wijzigen noemt, maar uitleggen.” Het is dit citaat van Ph.A.N. Houwing in zijn noot onder HR 20 mei 1949, NJ 1950, 72 (Rederij Koppe), dat een misschien wat straf en ongenuanceerd geformuleerde, maar daarom toch niet in zijn algemeenheid onjuist te noemen, samenvatting geeft van de uitlegjurisprudentie van de Hoge Raad, die tot op de dag van vandaag betekenis heeft. De praktijkjurist, contractenmaker, die voorspelbaarheid en rechtszekerheid nastreeft, als ook degene die primair taalkundige uitleg predikt, zal ervan gruwen. De wetenschapper die de leer van de normatieve uitleg aanhangt, als ook degene die langs andere wegen de billijkheid voorop stelt, zal de juistheid ervan triomfantelijk willen onderstrepen, zelfs al bedoelde Houwing het als kritiek.

Als er één civielrechtelijk leerstuk is, waarbij de knapste koppen des lands er reeds vele decennia in slagen om het met elkaar oneens te zijn en te blijven, dan is dat het knoestige leerstuk der uitleg. Bij die onenigheid lopen de emoties niet zelden hoog op. De koene ridders aan beide zijden proberen intussen verwoed de jonkvrouwe aan de Kazernestraat in hun kamp te krijgen, maar die weet als geen ander het spelletje “hard to get” te spelen – en vol te houden. En dat leidt tot jurisprudentie die niet eenvoudig is te duiden. Wil de Hoge Raad nu wel1 of niet2 dat een vaststellingsovereenkomst tussen professionele partijen binnen Haviltex primair taalkundig wordt uitgelegd? Incorporeert de Hoge Raad nu wel3 of niet4 de aanvullende, of misschien zelfs ook de derogerende5, werking van de redelijkheid en billijkheid in de uitlegtoets? Of kiest de Hoge Raad in feite niet echt, doch staat hij slechts ruimhartig de feitenrechter toe om die instrumenten te hanteren die hem in de procedure voor handen staan, mits maar de juiste mantra wordt gehanteerd en de redenering niet onbegrijpelijk is? Is dat dan de verklaring voor het instandlaten van, stevig gezegd, onbegrijpelijke oordelen van Hoven, zoals dat “as of April 1, 1998” 2 april en volgende zou betekenen6 of dat het begrip “documentatie” in een softwarelicentieovereenkomst ook broncode zou omvatten7? Zit zo’n respect voor de moeilijke taak van de feitenrechter, als dat het is, ook achter het toestaan van verrasssingsuitleg?8

Voor de praktijkjurist, met zijn eeuwige honger naar duidelijkheid, is het een tikje teleurstellend dat we bijna 30 jaren na Haviltex de antwoorden op al dit soort vragen niet weten, temeer omdat de Hoge Raad ons reeds eerder andere handvatten uit handen heeft geslagen door te bepalen dat de wettelijke regels van de artikelen 1378 tot en met 1387 BW (oud) slechts vingerwijzingen voor de rechter betroffen. Interessant is overigens dat mensen als Hartkamp of Van Dunné, wanneer zij pogen om het rechtersrecht van de Hoge Raad in (vuist)regels om te zetten, toch weer dicht uitkomen bij diezelfde oude wetsartikelen.9

Nu kan men ook zeggen dat de Hoge Raad er, gezien de permanente onenigheid in de literatuur (en, zij het minder, in de praktijk), juist heel verstandig aan doet om zo casuïstisch mogelijk recht te spreken in plaats van (te) vroegtijdig de richtingaanwijzende hand uit te steken. Hoe waar dit misschien ook is, het gaat voorbij aan het gegeven dat die onenigheid ook weer steeds gevoed wordt door het uitblijven van duidelijke keuzes. En is het bovendien niet zo dat er naast onenigheid ook best veel eenstemmigheid bestaat? Wie bestrijdt er serieus de Haviltex-formule (zelfs al is die uniek in de wereld)? Wie is tegen uitleg als toepassingsvorm van de redelijkheid en billijkheid? Wie is tegen de mogelijkheid om de bewoordingen van een gedetailleerde commerciële transactie een belangrijke plaats te geven?

Waarheid blijft intussen dat in algemene zin niet valt te kiezen tussen rechtszekerheid en billijkheid: beide zijn centraal te stellen. De tegenstelling kan niet overbrugd worden, maar wel verklaard en dus verbonden. Daarmee bedoel ik dat de Hoge Raad zelf nog beter zou kunnen motiveren en aan de motivering van de feitenrechter ook nog hogere eisen zou kunnen stellen. Belangrijk is dan wel om het dogmatisch instrumentarium zuiver en onderscheidend te houden. Dat betekent dat de rol van de R&B bij uitleg onderscheiden moet (blijven) worden van de aanvullende en derogerende werking van diezelfde R&B. Zoals De Bondt het in België zegt: interpretatie stopt en aanvulling begint, waar de wilsverklaring van partijen eindigt. Anders wordt Haviltex een black box.10 Dat is niet een keuze tegen de redelijkheid en billijkheid, o beste normatieven, maar een keuze voor fijnmazigheid en voor openheid en uitleg van de rechtsvindende, intuïtieve sprong van algemene R&B naar een concrete beslissing. Dan behoudt ons recht de rechtvaardige uitkomst van het individuele geval én wordt de voorspelbaarheid gediend. Anders, zo ben ik bang, wordt uitleg nooit veel meer dan het juridisch equivalent van het ‘hocus pocus pilatus pas’, waarmee de goochelaar uit zijn hoed tovert, wat hij er tevoren zelf al in had verstopt.11

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/05.

  1. HR 29 juni 2007, C05/285HR, LJN BA4909.
  2. HR 11 september 2009, LJN BI5915, 07/12738.
  3. HR 20 mei 1994, RvdW 1994, 113.
  4. HR 19 oktober 2007, C06/123HR. Of toch weer wel? Zie de conclusie van AG Huydecoper bij HR 13 november 2009, C08/01080, LJN: BJ8724.
  5. Zie het genoemde arrest van 20 mei 1949.
  6. HR 19 januari 2007, C05-266HR, LJN AZ3178.
  7. HR 21 juni 1996, RvdW 1996, 145.
  8. HR 20 januari 1984, NJ 1987, 25, HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566, en het al genoemde arrest HR 21 juni 1996, RvdW 1996, 145. Zie ook HR 5 september 2008, LJN: BD2984 en HR 9 mei 2008, LJN: BC1255.
  9. Asser-Hartkamp 4 II, nr. 287. Van Dunné in Verbintenissenrecht, deel 1.
  10. In die zin ben ik het niet eens met Huydecoper in zijn in noot 4 genoemde conclusie.
  11. In dezelfde bewoordingen over risicoaanvaarding, H. Drion, preadvies NJV 1957, p. 195.
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: