Dat in bijna twee weken tijd meer dan 80.000 steunbetuigingen zijn vergaard door het burgerinitiatief ‘Uit vrije wil’ is een echte gebeurtenis. De initiatiefgroep met de politici Hedy D’Ancona, Frits Bolkestein en Jan Terlouw en de juristen Eugène Sutorius en Jit Peters bepleit ‘legalisatie van stervenshulp aan ouderen die hun leven voltooid achten; dit op hun uitdrukkelijk verzoek en onder voorwaarden van zorgvuldigheid en toetsbaarheid’. Deze liberale gedachte wordt vooral onderbouwd met de overweging dat mensen de vrijheid moeten hebben zelf te beslissen wanneer ze uit het leven willen stappen. Herinnerd wordt aan Huib Drion. Diens ideaal was ‘dat oude mensen die op zichzelf zijn aangewezen naar een arts kunnen lopen – hetzij hun huisarts, hetzij een daartoe aangewezen arts – om de middelen te verkrijgen waarmee zij op het moment dat hun dat zelf aangewezen voorkomt, een eind aan hun leven kunnen maken op een manier die voor henzelf en voor hun omgeving aanvaardbaar is’ (NRC 19 oktober 1991).
Ik heb grote sympathie voor het initiatief, maar voel een huivering. Net als de initiatief-groep leg ik intuïtief een verband tussen de vrijheid om zelfmoord te plegen en het verlangen om daarbij, indien gewenst, geholpen te kunnen worden. Dat verband spreekt echter niet vanzelf. Drions pil suggereert zelfstandig handelen. Klopt dat op het moment supreme? Praktisch stuit zelfmoord in eenzaamheid ons tegen de borst. En in de huidige euthanasiepraktijk maakt de dokter er in 2300 gevallen een eind aan en de patiënt 100 keer. Soms omdat de patiënt het niet meer zelf kan, maar vaak ook omdat de dokter controle wil houden.1
Met de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding van 2002 heeft de wetgever uitzonderingen op de strafbaarheid van hulp bij zelfmoord aanvaard. Uitdrukkelijk is ingegaan op de vraag of dokters ook mogen helpen in gevallen van toenemende afhankelijkheid, ontluistering en levensmoeheid. De minister onderkende het nut van maatschappelijke discussie dienaangaande, maar wilde niet verder gaan dan straffeloosheid in gevallen van uitzichtloos en ondragelijk lijden als gevolg van een ziekte of aandoening. Kort daarna besliste de Hoge Raad in de zaak Brongersma dat ondragelijk lijden wel kan bestaan als gevolg van een psychische, medisch kwalificeerbare ziekte, maar niet in louter levensmoeheid (HR 24 december 2002, NJ 2003, 167 m.n Sch). In de juridische kern is de vraag dus of een medisch oordeel of de zelfbeschikking de doorslag moet geven.
Feitelijk komen vervolgingen erg weinig voor, maar ze zijn er nog steeds en dat illustreert dat zelfmoordconsulenten e.d. op hun tellen moeten passen. In Rechtbank Almelo 29 mei 2009, BI5890 en 5891 ging het om een oude dame die rustig is overleden, in haar eigen bed en na afscheid te hebben genomen van haar kinderen. Uit de stukken blijkt dat zij dit heel graag wilde, en dat ze er lang en goed over had nagedacht. Het leverde een straf van 10 maanden waarvan 8 voorwaardelijk op voor de hulpverlener. Het is overigens niet zo dat mensen die anderen willen bijstaan bij de uitvoering van hun beslissing helemaal niets kunnen. Een zelfmoordconsulent mag wel algemene informatie en morele steun verlenen, zolang hij maar niet door instructies en concrete handelingen of vaardigheden behulpzaam is (verg. Rb. Amsterdam 22 januari 2007 LJN AZ6713).
De liberale wens om de wil van degene die hulp vraagt de doorslag te laten geven vindt veel weerklank in de samenleving. Kennelijk spreekt de reden waarom hulp bij zelfmoord destijds is strafbaar gesteld velen niet meer aan. De idee was dat beschermwaardigheid van het leven een belangrijke gemeenschapswaarde is, waaraan een hogere waarde wordt toegekend dan aan het individuele zelfbeschikkingsrecht. Menig liberaal zal hierin een echo horen van de heiligheid van het leven waar gelovige mensen aan hechten. Vermoedelijk hebben velen daar geen oor meer voor. Bescherming van de kwetsbaren is echter ook een gemeenschapswaarde.
Achter het verzoek om hulp bij zelfmoord in geval van beweerde levensmoeheid kunnen vragen om aandacht of hulp schuil gaan. Willen we collectief de kans aanvaarden dat in dergelijke gevallen iemand ten onrechte wordt ‘geholpen’? Ik denk aan het geval van Hof Amsterdam 31 augustus 2006, LJN AY7270. De verdachte gaf absolute voorrang aan het zelfbeschikkingsrecht van de mensen die zich met een doodswens voor hulp tot hem wenden. Hij heeft het slachtoffer geïnstrueerd over de wijze waarop zij een einde aan haar leven zou kunnen maken en haar daartoe actief een deel van de middelen verschaft. Onderzoek naar de ernst en duurzaamheid van de door het slachtoffer geuite wens zichzelf van het leven te beroven, deed hij niet. Feitelijk leek het er achteraf sterk op dat de vrouw in kwestie geen stabiel doodsverlangen had.
Nu zou men dit voorbeeld als een kunstfout kunnen beschouwen. Een nog ernstiger probleem is evenwel voorspelbaar. Hoe voorkomen we dat oude mensen eigenlijk naar hun zelfmoord worden toe gepraat of verstoken blijven van hulp om hun leven waardig te voltooien als dat nog best mogelijk is. Dat probleem bestaat al, maar het zal groter worden als we zelfmoord vergemakkelijken. Een huisarts vertelde me ooit, hoe een ernstig zieke man zijn lijden wist te verdragen, omdat hij wilde meemaken dat zijn kleindochter zou afstuderen. Op een dag was een schoonzoon in het huis en die vroeg: ‘Dokter we willen over een week met vakantie. Zou het niet eens tijd zijn?’ Twee dagen later vroeg de oude man om euthanasie. Het hart krimpt tezamen als ik denk aan de betekenis van vrije wil en zelfbeschikking in zo’n geval. Maar het hoofd wil moedig voorwaarts. Ik zal tekenen.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/08.
Bron afbeelding: Denis Collette
- J.A.C.Rietjens & P.J.van der Maas a.o., Two Decades of Research on Euthanasia from the Netherlands, Bioethical Inquiry (2009) 6:271-283. ↩
{ 1 reactie }


{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }
Tussen recht om te leven en “recht om te mógen sterven” ligt een grote bandbreedte. Het slot van de analyse door de heer Burema geeft treffend het bezwaar weer van een “stervens-regeling”: waarom zou je iemand die tòch wil of gaat sterven, nog met veel moeite in leven houden ? Niets menselijks is ons vreemd – ook niets on-menselijks en dit geldt niet alleen voor de “kouwe kant”.
Vanwege een verdrietige ervaring met een geliefde tante die vanwege uitzichtloos aftakelen als gevolg van kanker in de jaren ‘80, zeer zorgvuldig is geholpen door (strafbare) artsen, meen ik dat meer regelgeving slechts leidt tot meer ongewenste levensbeëindigingen. Dat willen we niet.
Daarom moet actieve hulp bij levensbeëindigingen voor altijd IN de sfeer van het strafrecht blijven. Je voorkomt niets, maar zorgt wel voor een veilig klimaat om te kunnen sterven wanneer je niet langer kúnt.
Ook voor hen die wij als hinderlijk kunnen gaan beschouwen. Waarom moeten we daar via regelgeving “gemakkelijker” vanaf kunnen ?!