Dokters, maak in het buitenland je beroep niet bekend

door Renée Barge & Aart Hendriks

op 17 maart 2010 in Gastposts

Afbeelding bij Dokters, maak in het buitenland je beroep niet bekend

Onlangs heeft de Nederlandse medische tuchtrechter een internist gewaarschuwd, omdat hij in Nepal had geweigerd in te gaan op de hulpvraag van een vakantiegangster met polsklachten. De auteurs achten deze uitspraak onhoudbaar. De tuchtrechter is immers niet bevoegd te oordelen over de beroepsuitoefening in het buitenland. Als Nederlandse tuchtrechters menen dit wel te kunnen doen, luidt het devies aan artsen: maak in het buitenland je beroep niet bekend.

Vorige zomer was ik (RB) met mijn gezin op vakantie in Azië. We hadden gekozen voor een groepsreis. Zoals gebruikelijk stelde iedereen zich de eerste dag aan elkaar voor en vertelde iets over zijn dagelijkse bezigheden. Ik bespeurde bij mezelf enige weerzin te onthullen dat ik arts ben, omdat ik opzag tegen mijn rol als praatpaal voor alle 20 groepsgenoten. Zij zouden vast allemaal last krijgen van diarree en buikkrampen. In de loop van de drie weken ontkwam ik er niet aan mijn beroep (internist) bekend te maken. Het was vervolgens onvermijdelijk sommige medereizigers medisch advies te geven. Of ik daartoe wel altijd ‘bekwaam’ was – zoals de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vereist – durf ik naar eer en geweten niet bevestigend te beantwoorden. Mijn kennis van de geneeskunde zal daarentegen niet onder hebben gedaan bij die van veel van de lokale artsen.

Min of meer toevallig viel mijn oog onlangs op een oordeel van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (RTG) te Eindhoven (nr. 08179). Na lezing hiervan bekroop mij het gevoel dat mijn (opgedrongen) vakantiewerk in strijd was met de Eed van Hippocrates en de eisen van de Wet BIG.

In deze Eindhovense zaak ging het om het volgende. Een Nederlands internist op groepsreis in Nepal komt na een wandeling van acht uur aan op de overnachtingsplek. Zijn medische achtergrond was hem kennelijk vooruit gesneld. Terwijl hij zich staat op te frissen wordt hij aangesproken door een drager en een gids van een andere groep. Een van de groepsleden, een Nederlandse vrouw, was tijdens het wandelen ten val gekomen en had pijn aan haar pols. Zij vreesde voor een breuk. De internist legt daarop uit dat hij niets van botten wist en adviseerde een andere arts te zoeken. Aldus gebeurde. Een Franse arts spalkte met behulp van bamboestokjes de pols van de vrouw, die gebroken bleek. Aldus is de vrouw, nagenoeg pijnvrij, vertrokken. De echtgenoot van de vrouw heeft de internist nog wel toegevoegd een klacht tegen hem te zullen indienen, hetgeen gebeurde.

De Eindhovense tuchtrechter heeft de internist op 4 augustus jl. een waarschuwing opgelegd. De tuchtrechter gaat over tot deze maatregel omdat het voor dit college ‘buiten kijf [staat] dat de internist in de hem betamende zorg1 is tekortgeschoten.’ Voor wat betreft deze zorgplicht verwijst het college naar de ‘gedragsregels voor artsen’ van de KNMG. Op grond hiervan moet een arts aan een ieder die zich tot hem wendt noodzakelijke behandeling, begeleiding en adviezen verlenen. Bij noodsituaties en calamiteiten moet ongevraagd hulp worden geboden. Het college meent dat tevens sprake is van strijd het de normen en waarden van de ‘Nederlandse artseneed’. De internist kwam er met een waarschuwing nog genadig van af; het tuchtcollege legt deze maatregel op ‘met de overweging dat de internist ter zitting ervan blijk heeft gegeven dat hij uit deze ervaring lering heeft getrokken.’

Betekent deze uitspraak nu dat artsen bij het weigeren van hulp aan zieke, bedelende kinderen in het buitenland altijd voor de tuchtrechter kunnen worden gesleept? En hoe zit het nu met de eerder genoemde eis van bekwaamheid? En wat als in andere landen andere eisen aan de medische beroepsuitoefening worden gesteld? Deze twijfels besprak ik met collega Aart Hendriks, gezondheidsjurist. Samen kwamen we tot de volgende conclusie.

Het oordeel van het RTG Eindhoven is onhoudbaar. De Wet BIG, de wet waarvan het medisch tuchtrecht onderdeel uitmaakt, bevat normen voor artsen en andere beroepsbeoefenaren die werkzaam zijn binnen Nederland. Als zij in andere landen beroeps- of bedrijfsmatig handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg verrichten, moeten zij zich daarvoor, zo nodig, voor de nationale (tucht)rechter verantwoorden. Anders gezegd, de Eindhovense tuchtrechter was in het geheel niet bevoegd om te oordelen over de klacht van de Nederlandse vrouw met gebroken pols. Het enkele feit dat de KNMG gedragsregels voor artsen heeft opgesteld maakt dit niet anders; aan deze regels ontleent de publiekrechtelijke tuchtrechter niet de bevoegdheid het handelen en nalaten van artsen in den vreemde te toetsen. Het verenigingstuchtrecht van de KNMG biedt in dit opzicht meer mogelijkheden tot toetsing. Indien de publiekrechtelijke tuchtrechter wel dusdanig ruime bevoegdheden had, dan komt het ons voor dat hij zich eerst moet ontfermen over de wijze waarop sommige Nederlandse artsen in andere landen hun beroep uitoefenen, variërend van neuroloog J.S. in Duitsland tot diverse artsen die praktijk voeren aan de Costa’s. De situatie van een internist in Nepal, die na een lange wandeling door twee wildvreemden wordt aangesproken over polsklachten, is hiermee volstrekt onvergelijkbaar. Natuurlijk gold ook voor onze internist dat het gepast was geweest naar de vrouw te komen kijken en anderszins blijk te geven van belangstelling. Dit zijn evenwel fatsoensnormen, geen tuchtrechtelijke normen waarop een arts die twijfelt over het eigen kunnen ver buiten onze landsgrenzen kan worden aangesproken door de tuchtrechter.

Wij hadden ons kunnen voorstellen dat onze internist niet meer de puf had in beroep te gaan tegen deze uitspraak. Dat blijkt echter niet het geval. De zaak is door hem voorgelegd aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, dat de zaak op 8 april 2010 op een openbare zitting behandelt. Uitspraak volgt twee maanden later. Als het oordeel van de Eindhovense tuchtrechter door het Centraal Tuchtcollege wordt bevestigd doen artsen er verstandig aan hun beroep tijdens vakanties in het buitenland vooral niet bekend te maken.

Renée Barge is voormalig directeur medische zaken van het LUMC en Aart Hendriks is gezondheidsrechtjurist bij het LUMC/Universiteit Leiden.

Bron afbeelding: nubui

  1. Waarschijnlijk is bedoeld: ‘zorgplicht’.
Deel dit artikel:

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 J Gaertner 30 maart 2010 om 11:21

Reeds 25 jaar werk ik als gespecialiseerd verpleegkundige en docent.Ik ben het eens met de stelling dat de uitspraak onhoudbaar is.In het buitenland is het strafbaar om medische assistentie te verlenen vanuit de professie.Ik verleen nooit assistentie,help wel om naar betrouwbare kliniek te gaan,dat soort informatie heb ik altijd bij me,zoek ik van te voren uit.
Komt de tuchtraad je ook redden uit een stinkend nepalees cachot als je wel assistentie verleent zoals zij willen?
Hier heb ik mijn twijfels bij.In het vrijkopen van iemand zijn ze vast niet zo goed.
Ik ben er niet bij het incident geweest dus in hoeverre fatsoensnormen met voeten getreden zijn weet ik niet,ik denk altijd waar twee kijven hebben twee schuld dus ze zullen allebei wel niet zo voorkomend zijn geweest.
Om nu panisch te gaan lopen gillen van maak je beroep niet bekend vind ik een wat kinderlijke anti reactie.Ik doe altijd het volgende; Goh wat akelig.Helaas is het strafbaar voor mij om hulp te verlenen maar ik heb wel een betrouwbaar adres waar je heen kunt.Adres geven.Heb je hulp nodig om erheen te gaan?Taxi bellen of vervoer regelen.Daag, ik ben heel benieuwd of het goed met je gaat.Laat je het nog even weten? Nooit problemen gehad altijd blij die mensen.
Klaar,kind kan de was doen.Toch?

Reageren

Vorige post:

Volgende post: