De verklaringswet dat de Grondwet met betrekking tot het toetsingsrecht mag worden gewijzigd, staat in het Staatsblad (Stb. 120). Recentelijk is besloten tot ontbinding van de Tweede Kamer en dus is het voorstel van wet tot wijziging van de Grondwet bij de Tweede Kamer ingediend, eveneens door Halsema. Van de samenstelling van de nieuw gekozen kamer en de opstelling van de Eerste Kamer gaat het afhangen of het voorgestelde toetsingsrecht inderdaad wordt ingevoerd. De procedure voor de herziening van de Grondwet is zo bedacht dat het betrokken onderwerp in de verkiezingsstrijd een rol kan spelen. Bij zo’n mooi rechtsstatelijk onderwerp als het toetsingsrecht zou het toch moeten lukken om daarover ten minste één verkiezingsdebat te organiseren.
Het wetsvoorstel maakt toetsing van toepassing van wetten aan enkele in de Grondwet opgenomen grondrechten mogelijk, zoals het gelijkheidsbeginsel, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting en het recht van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 120 Gw dat de toetsing van wetten aan de Grondwet verbiedt zou dus enkele uitzonderingen gaan kennen, waardoor het rechtsstatelijke aspect van de democratie wordt versterkt. Van een actuele acceptatie door de wetgever van de bescherming van grondrechten door de rechter kan een sterke signaalwerking uitgaan voor het belang van de grondrechten in een democratie.
Verbeteren van democratische legitimatie staat al jaren op de politieke agenda, maar institutioneel is er nog maar weinig veranderd. De grote voorvechter, Hans van Mierlo, veroorzaakte wel beweging, maar veranderen van machtstructuren gaat niet eenvoudig. Buiten de instituties is er echter wel veel veranderd. Via de media praat heel het volk mee en over de wijze waarop met die uitingen moet worden omgegaan wordt ook weer veel gepraat.
De brede discussies zijn vanuit een democratisch perspectief alleen maar toe te juichen, maar dwingen wel tot de vraag of het systeem van ‘checks and balances’ nog voldoende waarborgen biedt. Het mechanisme voor het evenwicht was gebaseerd op de gedachte dat de wetgever de juridische, politieke en economische perspectieven zou verenigen. Door de uitwaaiering van de besluitvorming over vooral politiek gedreven instanties kan het rechtsstatelijke perspectief er bekaaid afkomen.
De belangstelling voor de politieke thema’s vertaalt zich in grote aandacht voor de politieke merites. Politieke voors en tegens komen uitgebreid genoeg aan de orde. Politici worden daarover in de media uitvoerig aan de tand gevoeld. Het CBS helpt de regering bij het doorrekenen van de cijfers. Uiteindelijk vallen de besluiten daarover natuurlijk wel weer in de formele organen, maar het zal niet gebeuren dat die zonder grote aandacht worden genomen.
Voor de rechtsstatelijke kwaliteit van wetsvoorstellen wordt niet een vergelijkbare hoeveelheid aandacht gegenereerd. Er is zeker wel belangstelling voor, bijvoorbeeld dankzij de adviezen van de Raad van State. Zijn adviezen op juridisch gebied spelen soms een opvallende rol, maar dat is bijna alleen in die gevallen waarin de rode loper voor het advies is uitgerold doordat de regering heeft verklaard daaraan te zullen hechten. Juridische tijdschriften, en zeker het NJB, kunnen een breder publiek bereiken. Het is echter allemaal niet genoeg om het gewicht van de rechtsstatelijke argumenten verzekerd te weten. Kortom: de aandacht voor rechtsstatelijke thema’s zoals de grondrechten, moet worden versterkt om een goed evenwicht tussen de afweging van politieke en rechtsstatelijke belangen te bewaren. Invoering van het toetsingsrecht kan daarbij helpen.
Bovendien kan door het voeren van het debat over de bescherming van grondrechten het draagvlak in de samenleving voor het respect voor grondrechten groter worden. Een debat in de Tweede Kamer slaat alleen over naar het brede publiek (en dus de media) als het aansprekende punten bevat. Politieke punten lenen zich daarvoor. Invoeren van het toetsingsrecht zou kunnen bijdragen aan het verhogen van de interesse voor het waarborgen van grondrechten: een strijd tussen rechter en wetgever over mogelijke schending. Het gesprek over grondrechten moet zo scherp op de snede zijn dat de media er aandacht voor krijgen. Het punt dat grondrechten er niet zijn om ze soms uit de kast te trekken (vrijheid van meningsuiting) en ze soms in een la te stoppen (gelijkheidsbeginsel, eerlijk proces) moet duidelijk gemaakt kunnen worden.
Als het mogelijk wordt te toetsen aan de Grondwet, wordt dan de kans dat er een opwindend debat komt groter dan bij de huidige mogelijkheid tot toetsing aan een bovennationaal recht? Materieel verandert er immers nauwelijks iets. Dat doet een mens twijfelen aan het nut van de invoering van het toetsingsrecht. Toch is een positief antwoord op die vraag niet ondenkbaar. Dat Nederlandse wetten zich niet verdragen met bovennationale bepalingen leidt wel eens tot nationale sentimenten: Nederland heeft zich uitgeleverd aan ongrijpbare bovennationale instanties. Het debat kent dan een zekere machteloosheid. Natuurlijk is het mogelijk dat dit sentiment zich zonder aarzelen verplaatst naar vergelijkbare kritiek op de Grondwet. Er bestaat echter ook een kans dat het debat op de inhoud betrekking zal hebben: wie heeft er gelijk de wetgever of de rechter, in het actuele besef dat de wetgever de toetsing door de rechter uitdrukkelijk heeft gewild.
Invoering van het toetsingsrecht van wetten aan de Grondwet is een actuele erkenning van de betekenis van rechtsstatelijke beginselen. Die vraag is een breder debat waard. Bovendien kan de invoering van het toetsingsrecht tot een blijvende aandacht in het openbare debat voor de bescherming van grondrechten leiden. Dat is er dan in ieder geval veranderd en dat zou best een rol bij de verkiezingen mogen spelen.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/12.
{ 0 reacties }


