De onstuitbare opmars van de derde in ons recht

door Coen Drion

op 29 maart 2010 in Vooraf

Afbeelding bij De onstuitbare opmars van de derde in ons recht

Onder ons bevindt zich steels, zonder dat wij ons daarvan bewust plegen te zijn, een (spreekwoordelijk) persoon die er, zo lijkt het, – bijna per definitie – niet primair toe doet, die hoogstens zijdelings relevant is en als het ware permanent in de coulissen van ons recht blijft schuilen. Het is de derde. Hij of zij is als het ware de personificatie van de uitzondering die de regel bevestigt, de regel dat een contract slechts geldt tussen partijen, de regel dat een procedure slechts gaat tussen eiser en gedaagde of verweerder, de regel dat in het strafrecht alleen de verdachte en het Openbaar Ministerie tegenover elkaar staan, de regel dat bij een onrechtmatige daad het relativiteitsbeginsel geldt. Je zou het ook zo kunnen zeggen: ons recht heeft als uitgangspunt de bilaterale verhouding. En die is op zichzelf al vaak moeilijk eenduidig te bepalen.

Echt ingewikkeld wordt het wanneer de derde in beeld komt. Dan worden de discussies op het scherpst van de snede gevoerd, dan begint het recht, gechargeerd gezegd, een beetje op zijn grondvesten te schudden. Is denkbaar dat ook een derde zich kan beroepen op afspraken – bijvoorbeeld een exoneratieclausule – die tussen twee anderen zijn gemaakt? Kan de betrokkenheid van een derde meebrengen dat een contractuele afspraak zo wordt uitgelegd als het belang van die derde zou indiceren, zelfs tegen de belangen van (één van) de primair betrokken partijen in? Kan een derdenbeding in een overeenkomst worden aangenomen als de oorspronkelijke partijen dat niet bedoeld hebben? Kan zelfs het niet- (of onbedoeld juist wel) bestaan van een derde, bijvoorbeeld een kind dat door een medische fout niet of juist wel wordt geboren, leiden tot aanspraken tussen twee andere partijen? Moet het slachtoffer een zelfstandige rol krijgen in het strafproces? Kan een arbitrageclausule tussen twee partijen onder omstandigheden meebrengen dat een derde van de gang naar de overheidsrechter wordt weggetrokken? Waar begint en waar eindigt de betrokkenheid van de derde-belanghebbende in bestuursrechtelijke verhoudingen? Staan wij toe, en zo ja, onder welke voorwaarden, dat aandeelhouders hun schade kunnen claimen van partijen die de vennootschap schade berokkenen? Wanneer komen toezichthouders of andere op grond van de wet, contract of anderszins, in beeld wanneer het goed mis gaat in de rechtsverhouding tussen anderen? Wanneer mag iemand de procesrechtelijke rust van de tweepartijenruzie komen verstoren door tussen te komen of voeging te vragen?

Het zijn bepaald niet allemaal nieuwe vragen en dat is ook logisch omdat de positie van de derde in ons recht al geruime tijd een hot issue is, al wordt het vraagstuk niet vaak in een meer alomvattende context geplaatst. De vraag die ik – heel kort – zou willen adresseren is of dat wél zou moeten en, zo ja, welke implicaties dat zou kunnen hebben.

Zou het mogelijk zijn om in de huidige samenleving, of zo men wil: netwerkeconomie, waarin zoveel betrokkenheden, afhankelijkheden en ketenrelaties bestaan, te concluderen dat het niet meer logisch is om in het recht uit te gaan van bilaterale verhoudingen als uitgangspunt of denkkader. Met andere woorden, om te zeggen dat de derde er juist wel bij hoort of kan horen, als hoofdregel en niet als uitzondering. Zo’n paradigmawisseling werpt natuurlijk enorme vragen op. Want waar zijn dan nog afgrenzingen te vinden? We kunnen niet bij ieder juridisch geschil met een schier oneindig aantal relevante rechtsverhoudingen rekening houden. En is het niet een gruwelijk idee om in potentie aansprakelijk te zijn jegens niet één of meer zeer bepaalbare andere rechtssubjecten, maar mogelijk jegens zeer vele anderen? Nu is een en ander misschien vooral een theoretisch probleem, omdat in procedures vanzelf duidelijk wordt welke derden in concreto relevant zijn (zij worden opgevoerd in argumentaties van de primaire procespartijen of melden zich eigener beweging). En ook bij adviezen tekent het plaatje zich toch ook goeddeels vanzelf. Als dat zo is, dan is het wellicht denkbaar om te pogen een rechtssysteem te doordenken dat in beginsel bij iedere juridische vraag van een mate van betrokkenheid van relevante derden uitgaat in plaats van van het huidige uitgangspunt, de huidige dichotomie, van het niet betrokken zijn, tenzij. Een systeem dat niet de afgrenzing zoekt in zwart of wit, maar in de nuance: is deze derde in rechtens voldoende mate betrokken bij deze andere rechtssubjecten en, zo ja, in welke mate hebben zijn belangen dan mee te wegen. Maar is het een vruchtbare exercitie, leidt het ook ergens toe?

In alle eerlijkheid: ik zou het op dit moment niet weten. Enerzijds zou ik bepaald opzien tegen een rechtssysteem dat, als ware iedere rechterlijke procedure een kort geding, de oplossing van een geschil zoekt in de belangenafweging, in die uiterste vaagheid van het weinig normatieve dat daar toch een beetje mee samenhangt. En we moeten natuurlijk geen oude schoeisels aan de dijk zetten terwijl de nieuwe nog ontbreken. Anderzijds zou ik wel de voorspelling aandurven dat, in het geval wij ons systeem blijven grondvesten op bilaterale verhoudingen, de derden van deze wereld permanent op de deur zullen blijven beuken of zullen proberen door de kieren binnen te glippen. En dat we dan steeds, en misschien wel in snel toenemende mate, moeilijke beslissingen zullen moeten nemen, waar een zekere willekeur niet of moeilijk aan kan ontbreken en waar de dogmatiek sowieso heftig op de proef wordt gesteld. The third party is here to stay. We kunnen niet meer om hem of haar heen, of we dat nu willen of niet. De derde vormt misschien wel voor de komende jaren het belangrijkste thema voor ons recht.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/13.

Bron afbeelding: Martin_Heigan

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 J.H. Ritsema 13 april 2010 om 18:20

Prima aan het denken zettende vragen geformuleerd! De term is een generaal en dus in essentie te vaag begrip. Per geval dient de juridische merite van een derdenbeding te worden geïnterpreteerd.
Is er door een bepaling in een koopovereenkomst over verhuur via de organisatie met wie de vereniging een overeenkomst is aangegaan sprake van een derdenbeding? M.i. kan een bepaling van zo’n zwaar gewicht alleen in een aparte akte – per verhuurbemiddelaar en door beiden ondertekend – worden vastgelegd.

Reageren

Vorige post:

Volgende post: