De Anglo-Amerikaanse invloed op bepaalde delen van ons recht en onze rechtspraktijk, met name op het contractenrecht en de contractspraktijk, is duidelijk – en in toenemende mate – voelbaar. De tijd dat een contract op het spreekwoordelijke bierviltje werd vastgelegd ligt, wat betreft een aanzienlijke hoeveelheid commerciële contracten, zeker die met een aanmerkelijk belang, reeds lang achter ons. Een beetje contract kent een omvang van vele pagina’s en niet zelden wordt, ook tussen puur Nederlandse partijen, gebruik gemaakt van de Engelse taal en van modellen of voorbeelden uit de Anglo-Amerikaanse rechtssfeer. Daarmee komen woorden, termen en rechtsbegrippen op ons af die een achtergrond en betekenis hebben die niet velen van ons meteen weten te plaatsen of werkelijk kunnen doorgronden. Dat leidt soms tot bedrijfsongevalletjes, waarom je bijna zou kunnen lachen, ware het niet dat er vaak zeer aanzienlijke belangen mee gemoeid zijn. Een mooi voorbeeld daarvan is de zaak die leidde tot HR 19 januari 2007, LJN: AZ3178 (Pontmeyer), waarbij het onder – veel – meer draaide om de betekenis van de woorden “as of April 1, 1998”. Betekent dat 1 april en volgende of 2 april en volgende? Wie het aan een Anglo-Amerikaanse jurist of een gewone Anglo-Amerikaanse native speaker vraagt, ziet een lichtelijk verbaasd opgetrokken wenkbrauw of ontmoet het wantrouwen dat hoort bij het vermoeden van een strikvraag. Natuurlijk, zo hoort men dan uiteindelijk, betekent het 1 april en volgende. Om mij heen heb ik dan ook nog wel wat ontsteltenis ervaren dat de Nederlandse feitenrechters dit anders zagen en dat de Hoge Raad dit in stand liet, ondanks een moedige poging van AG Timmerman om te komen tot een andere uitleg.
Niet toevallig betreft dit voorbeeld een arrest over uitleg, want uitleg is de trechter waardoor al deze (vreemde) woorden, termen, rechtsbegrippen en gebruiken als eerste worden geperst indien het gaat om een conflict over de inhoud van een contract. Nu is de Hoge Raad meestal heel voorzichtig bij uitlegjurisprudentie en beperkt zich er vaak toe om – soms meer en soms minder gemotiveerd – de feitenrechter heel veel toe te staan, mits (CAO-normgevallen even daargelaten) netjes binnen Haviltex wordt gebleven. Uitlegjurisprudentie bevat dan ook heel vaak het woordje “kan” en zelden het woordje “moet” of stellige taal die in die buurt komt. Dat geldt bij de standaardarresten die de opmars van de primair taalkundige uitleg binnen Haviltex markeren (Pontmeyer en Derksen/Homburg) als ook bij – wat lijkt op – tegenbewegingen zoals in Vodafone/ETC. Opmerkelijk is dan ook dat de Hoge Raad vrij recent een arrest heeft gewezen dat redelijk stellig is geformuleerd en dat gaat over de betekenis van de Engelse taal en de Anglo-Amerikaanse rechtstraditie in het kader van uitleg. Het betreft HR 9 april 2010, LJN: BK1610 (UPC). Daarin had het hof (in rechtsoverweging 4.11) binnen Haviltex een zware betekenis toegekend aan taalkundige uitleg omdat (1) het ging (aan de andere zijde van het contract met UPC) om een groot aantal Amerikaanse contractspartijen (het was een shareholders agreement), (2) het contract in de Engelse taal was gesteld en (3) conform de Anglo-Amerikaanse rechtstraditie de afspraken tot in detail waren vastgelegd. De Hoge Raad zegt:
“Bij de beoordeling van de onderdelen wordt vooropgesteld dat het hof terecht, en in cassatie (dan ook) onbestreden, heeft overwogen dat de Shareholders Agreement moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf, dat er geen reden is eventuele onduidelijkheden in de definitie van de IPO uit te leggen in het nadeel van UPC, en dat bij deze uitleg, gelet op de door het hof in rov. 4.11 van zijn arrest genoemde omstandigheden van het geval, een zwaar gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de in art. 1.2 van de Shareholders Agreement gebruikte bewoordingen.”
Hoewel niet meteen helder is hoe de onderlinge gewichtsverhouding tussen de drie elementen van het hof moet worden geduid, lijkt de Hoge Raad toch wel een heel duidelijk signaal af te geven aan contracterend Nederland. Als je je inlaat met Anglo-Amerikaanse wederpartijen, Engels de contractstaal is en je bovendien zo’n prettig uitgebreid model gebruikt, dan moet je rekening houden met een grotere rol voor de taalkundige uitleg. Als dat waar is, dan is het voor partijen die bijvoorbeeld minder bargaining power hebben, zaak om een kritische afweging te maken met betrekking tot het gebruik van de standaard Engelse contracten waar men nu vaak mee werkt. Ik denk niet dat heel veel praktijkjuristen zich dat reeds in voldoende mate realiseren.
Ik denk ook niet dat de opmars van de Engelse taal en de Anglo-Amerikaanse wijze van contracteren zal worden gestuit door de implicaties van uitspraken van Nederlandse rechters over Engelstalige contracten. Dat er meer en meer uitspraken ter zake zijn, is natuurlijk wel een uiting van de toenemende invloed vanuit de andere kant van de grote plas of het kanaal. Maar de werkelijke invloed zal zich niet per se vertalen in uitspraken. Die werkelijke invloed komt van de inhoud van de contracten. De typische features van het Anglo-Amerikaanse contractenrecht, zoals daar zijn beperkte mogelijkheden voor nakomingsacties, het (als hoofdregel) ontbreken van ongedaanmakingsverbintenissen bij beëindiging van de overeenkomst, de primaire rol van de schadevergoeding (met daarbij al die vormen van schade die wij simpelweg niet als zodanig kennen, zoals special of incremental damages), de onmogelijkheid voor boetes anders dan via de weg van liquidated damages, het zullen vooral deze concepten zijn die door een toenemend gebruik van Anglo-Amerikaanse contracten hun weg in ons hoofd zullen vinden. Is dat erg? Nee. Is dat iets om over na te denken? Ja.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/19.
Bron afbeelding: Luptor
{ 0 reacties }

