Leren van het asbestdossier: terugkijken en vooruitzien

door Ton Hartlief

op 21 juni 2010 in Vooraf

Afbeelding bij Leren van het asbestdossier: terugkijken en vooruitzien

Dit jaar ‘viert’ het Instituut Asbestslachtoffers, een met steun van de overheid geïntroduceerde instantie die bemiddelt tussen werkgevers en asbestslachtoffers over vergoeding van de door hen geleden schade, zijn tweede lustrum. Het IAS was er nooit gekomen wanneer het aansprakelijkheidsrecht geen scherpe kanten had. Omdat er in het aansprakelijkheidsrecht meer op het spel staat dan in andere vergoedingssystemen, is de strijd ook heftiger dan elders. Lastig is bovendien het ‘ex post-perspectief’: in het aansprakelijkheidsrecht is het vrijwel altijd achteraf praten, in geval van asbestclaims veelal over gebeurtenissen die in een ver verleden liggen. Hoe werkgevers in zo’n geval de maat te nemen? De Hoge Raad heeft belangrijke piketpalen geslagen. Aan het ongeschreven recht onttrok hij een plicht voor werkgevers ook tientallen jaren al onderzoek te doen naar gevaren verbonden aan het werk.1 Verder heeft hij korte metten gemaakt met enkele standaardverweren van bedrijfsleven en industrie (‘iedereen deed het zo’, ‘de overheid deed ook niets’).2 Ondanks deze bijdrage van de Hoge Raad bleef een procedure voor asbestslachtoffers echter belastend en tijdrovend en tijd is het laatste wat zij in overvloed hebben.

Het gedroomde Asbestfonds dat buiten het aansprakelijkheidsrecht om en zonder strijd een snelle en adequate vergoeding zou opleveren, bleek rond de millenniumwisseling geen haalbare kaart: mogelijke precedentwerking en financieringsvragen – wie zou het fonds moeten vullen? – stonden in de weg. Er kwam naar aanleiding van een rapport van Job de Ruiter wel een overheidsregeling die een bedrag uitkeert aan mesothelioomslachtoffers die stuklopen op de muren van het aansprakelijkheidsrecht (werkgever is onvindbaar of biedt geen verhaal; aansprakelijkheid is niet te bewijzen of de vordering verjaard), doch zij is niet meer dan een ‘uiting van maatschappelijke betrokkenheid’.3 Voor méér bleven getroffenen aangewezen op het aansprakelijkheidsrecht. Om aan dit front toch enige verlichting te brengen werd in 2000 op initiatief van werkgevers- en werknemersorganisaties, Comité Asbestslachtoffers, Verbond van Verzekeraars en overheid het IAS opgericht. Als belangrijkste opdracht kreeg het te bemiddelen tussen werknemers met mesothelioom en werkgevers of hun verzekeraars over het betalen van een schadevergoeding. Hoewel het IAS zwakke kanten heeft, zo geschiedt bemiddeling op basis van vrijwilligheid, wordt het geprezen vanwege zijn laagdrempelige procedure, vast stramien voor intake en onderzoek en het werken met vaste bedragen.

Voor de hand ligt dan de vraag of dit IAS-model toepassing verdient op andere beroepsziekten. Ook voor degenen die lijden onder RSI, stress, OPS of rugklachten is de weg van het aansprakelijkheidsrecht immers met voetangels en klemmen bezaaid. Het goede nieuws is hier meteen ook het slechte: deze beroepsziekten zijn geen van alle asbestziekten. Hoe cru dat ook klinkt, het asbestdossier kent een aantal ‘succesfactoren’: de lange incubatietijd in combinatie met de sterk verkorte levensduur wanneer men eenmaal ziek blijkt, de nadruk die daardoor op smartengeld en veel minder op vergoeding van inkomensschade ligt, het gegeven dat de zaak juridisch na een reeks arresten redelijk is uitgekristalliseerd en de omstandigheid dat men rond 2000 vond dat de prijs van vooruitgang niet alleen door getroffenen zou moeten worden betaald; ‘er moest iets gebeuren’. Bij de ‘nieuwe’ beroepsziekten ligt dit alles duidelijk anders. Een cruciale factor bij asbest is dat we juridisch weten waar we aan toe zijn, nadat de Hoge Raad met enkele standaardarresten de weg heeft geplaveid. Dat stadium is bij andere beroepsziekten niet in zicht. Anders dan bij asbest mijdt de Hoge Raad bij RSI, stress en rugklachten algemene uitspraken en zoekt hij zijn toevlucht al snel in art. 81 RO.4 Een op IAS-leest geschoeid ‘algemeen’ Instituut Slachtoffers Beroepsziekten ligt daarmee ver achter de horizon.

Eén les wil iedereen wel trekken uit het ‘asbestdossier’: een vergelijkbaar debacle moet worden voorkomen. Bij de gelegenheid van ‘10 jaar IAS’5 prees Rinnooy Kan de wijze waarop we tegenwoordig omgaan met nanotechnologie aan; hij suggereerde daarbij dat de asbestproblematiek bij een benadering langs de lijnen van SER-advies Veilig omgaan met nanodeeltjes op de werkplek veel minder ernstig zou zijn geworden. Cruciaal is dat we nu geld zetten op het voorzorgsbeginsel:6: het ex post-perspectief van het aansprakelijkheidsrecht is ingeruild voor een ex ante-perspectief. Vooruitzien in plaats van terugkijken is het devies. Inzetten op het voorzorgsbeginsel moet voorkomen dat overheid en bedrijfsleven achterover leunen of naar elkaar wijzen tot er voldoende zekerheid over mogelijke ongewenste effecten is. Zo willen we uiteindelijk een nieuw asbestdebacle voor zijn.

Ik zeg niet dat we geen geld moeten zetten op het voorzorgsbeginsel, maar vertrouwt u erop dat we het niet nog eens zover zullen laten komen? Er is reden voor twijfel: hoe vager de regels en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, des te minder heil kan ervan worden verwacht. Nadere beschouwing van het betoog van Rinnooy Kan voert langs vaststelling van een Landelijke richtlijn ‘omgaan met’, het onderzoeken van de mogelijkheden van een ‘early warning’-systeem, een meldingssysteem ‘in de keten’, een blootstellingsregistratie en tot het opnemen van standaardinformatie in de Veiligheidsinformatiebladen. Het is niet enkel daadkracht dat hier de klok slaat, men vreest eerder ellendige bureaucratie. En wanneer dan ook nog grote economische belangen en dus veel geld op het spel staan – Nederland zou een hoofdrol spelen bij de nanotechnologie – weet ik niet of we de rug recht houden wanneer zich daadwerkelijk indicaties voor problemen aandienen. Is niet gebleken dat we een hoge mate van zekerheid verlangen en misschien zelfs wel meer dan dat voordat we echt in beweging komen? Geven de ervaringen rond asbest, mobieltjes, roken en klimaat werkelijk grond voor de idee dat als het serieus wordt overheid en bedrijfsleven uit zich zelf en in ons aller belang tijdig ingrijpen en desnoods pijnlijke maatregelen zullen treffen? Als het asbestdossier iets leert is het dat terugkijken makkelijker is dan vooruitzien.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/24.

Bron afbeelding: Matt Niemi

  1. HR 6 april 1990, NJ 1990, 573 (PAS).
  2. HR 2 oktober 1998, NJ 1999, 682 en 683 (JBMV).
  3. Regeling Tegemoetkoming Asbestslachtoffers.
  4. Zie Castermans & Den Hollander in Het zwijgen van de Hoge Raad, Deventer 2009, p. 161 e.v..
  5. Zie Verslag lustrumcongres (PDF) op www.asbestslachtoffers.nl.
  6. Zo ook Gezondheidsraad (Voorzorg met rede, 2008) en WRR (Onzekere veiligheid, 2008).
  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 1 reactie }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 nellie martens 22 juni 2010 om 12:24

Goedemiddag Ton,

Mooi stuk. De opdracht van het IAS is : het zorgvuldig en snel verkorten van de juridische lijdensweg van mesothelioomslachtoffers.

Vriendelijke groeten,
Nellie

Reageren

Vorige post:

Volgende post: