Kun je een religieuze schenking terugdraaien wegens misleiding?

door Folkert Jensma

op 22 juni 2010 in De Uitspraak

Afbeelding bij Kun je een religieuze schenking terugdraaien wegens misleiding?

Kun je een schenking aan een sekte terugdraaien als het voorspelde einde van de wereld zich toch niet voordeed?

De zaak. Een voormalig lid van een religieuze sekte wil het geld terug dat hij, naar eigen zeggen, onder druk heeft geschonken. Hij heeft destijds al zijn eigendommen verkocht en ruim zes ton weggegeven.

Wat waren de omstandigheden?

Het zogeheten Efraïm-genootschap vormt een groep die ‘tot de bruid van Jezus Christus is toegetreden’, maar overigens ontkent een kerk te vormen. Eind 2001 zouden de uitverkoren leden ervan in de hemel worden opgenomen. Mits zij ‘los waren gekomen’ van hun ‘aardse bezittingen, mensen en dieren’. Die zouden zij ook niet meer nodig hebben. Het einde van de wereld werd namelijk begin 2002 verwacht.

De leider noemde zich de ‘profeet Elia’ en zei ‘namens God’ op te treden en de Bijbel te volgen. Hij spoorde de leden aan ‘volledig’ van alles afstand te doen om zo de ‘opname’ van andere leden niet te verhinderen. Wie aarzelde of regels overtrad, moest voor een tribunaal verschijnen, werd de ‘eeuwige duisternis’ aangezegd of kreeg huisbezoek van de ‘profeet’. Het slachtoffer werd diverse keren gebeld door de sekteleider met de vraag of hij zijn bedrijf en onroerend goed al had verkocht en of het geld binnen was.

Wat is de rechtsvraag?

Heeft de sekteleider onrechtmatig gehandeld door misbruik te maken van de omstandigheden? Is er sprake geweest van een noodtoestand of afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid? Deze criteria komen uit artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek: een rechtshandeling is vernietigbaar wanneer zij door bedreiging, door bedrog of door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.

Wat is het verweer van de sekteleider?

Ik trad op namens God. En: ik geloofde het zelf ook, dus ik hoefde helemaal niet te begrijpen dat ik de schenker had moeten weerhouden. Ook zegt hij de schenker nooit te hebben gedwongen en dat de leer van het genootschap alleen inhoudt dat men geestelijk loskomt van aards bezit. Verder zat de schenker zelf (ook) in de leiding van het genootschap. Hij had dus zelf controle over het geld. Het geld ging niet naar hem persoonlijk, maar naar het genootschap. De schenker kwam uit vrije wil en bij z’n volle verstand bij het genootschap.

Wat zegt het gerechtshof?

Die vindt, mede op basis van getuigenverklaringen, dat de sekteleider zichzelf gezag wist te verlenen, angst inboezemde en druk uitoefende. Dat de schenker in een ‘abnormale geestestoestand’ verkeerde, lijkt het hof ook aannemelijk. De schenker vreesde te moeten achterblijven op aarde, als ‘verdoemde’. Dat had genoeg moeten zijn om hem te weerhouden van de schenking. Vooral omdat die ruim zes ton de totale opbrengst van zijn eigendom was.

Verder had de schenker geen toegang tot de bankrekeningen van het genootschap. Hij had dus geen financiële controle, maar net als de rechtbank vindt het hof dat de schenker ook zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen. Een vermindering met 25 procent vindt het hof billijk. In totaal moet de sekteleider ruim 227.000 euro terugstorten.

Lees de volledige uitspraak hier (LJ-nummer BL0403).

Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur. Reacties verschijnen op beide sites.

Bron afbeelding: Ko_An

  • email
  • del.icio.us
  • Facebook
  • Hyves
  • Google Bookmarks
  • NuJIJ
  • eKudos
  • LinkedIn
  • MSN Reporter
  • Twitter
  • Reddit

{ 6 reacties }

{ 6 reacties… lees hieronder of reageer }

3 F. Cochius 22 juni 2010 om 17:22

Mr Schoordijk schrijft: “De gift aan de ”profeet” kan ik alleen maar kwalificeren als “gebakken lucht”. Zij mag rechtens niet gehonoreerd worden evenmin als de naar Nederlands en Engels recht rechtens niet relevante gelofte van armoede van de kloosterling. Vanuit deze gezichtshoek hadden rechtbank en hof de gemaakte afspraak nooit mogen honoreren.”

In het licht van het – vermoedelijk geparafraseerde – verweer van de sekteleider: “ik trad op namens God”. En: “ik geloofde het zelf ook, dus ik hoefde helemaal niet te begrijpen dat ik de schenker had moeten weerhouden”, rijst echter de vraag of “rechtbank of hof” de zaak wel “vanuit deze gezichtshoek” mochten bezien, laat staan “honoreren”. De opvatting van mr. Schoordijk lijkt zich niet te verdragen met de uitspraak van de Hoge Raad van 15 fe-br. 1957, NJ ‘57-201, onder meer inhoudende:
” (…) dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier (godsdienstige) gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leer-stellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat”. (Zie ook de conclusie van de AG mr. Mok bij Hoge Raad 22 januari 1988, Maimonides-Brucker.)

4 Johan van Schaik 24 juni 2010 om 08:59

Nu het Hof overweegt dat geen sprake is van een kerkgenootschap, dringt de vergelijking met het handelen van verzekeraars, en daarmee het verzekeringsrecht, zich bij mij op. Ik vraag mij dan ook af of in gevallen waar het onheil zich niet voltrekt, onverschillig of dit ziekte, een brand in mijn huis of een auto-ongeluk betreft, dit arrest niet tenminste een voet tussen de deur kan betekenen wanneer ik mijn goedgelovig betaalde premie wil terugvorderen. Ook een polis is tenslotte geen notariële akte, en aan naïeve goedgelovigheid mankeert het menig verzekerde die angst is aangepraat voor donkere tijden of andere rampspoed ook niet.

5 M.J. Hoogendoorn 24 juni 2010 om 12:44

Schoordijk stelt, dat sprake is van een overeenkomst, waarbij een prestatie gekocht wordt. Hij stelt, dat de tegenprestatie een plaats onder de uitverkorenen is. Daarmee is m.i. weinig opgelost.

Bovendien zie ik niet geheel in hoe dat gezichtspunt leidt tot Schoordijks uiteindelijke opvatting, namelijk dat in het geheel geen sprake is van een rechtens relevante handeling. Bij een rechtshandeling om niet is nog te verdedigen dat het recht daaraan geen consequenties verbindt. Bij een wederkerige overeenkomst wordt dat moeilijker, alleen al omdat er -Haviltex- wederzijdse belangen en verwachtingen spelen en, indien men wil ontbinden, de exacte inhoud van de overeenkomst bepaald moet worden.

Dat laatste is nog niet zo eenvoudig. Allereerst is natuurlijk de vraag: een plaats onder welke uitverkorenen is hier gekocht? Die op aarde of de uiteindelijk uitverkorenen? Is hier wel sprake van een plaatsbewijs? Is niet eerder sprake van een vervoersbewijs, waarbij slechts een recht bestaat op vervoer van Alfa naar Omega met het daartoe bestemde vehikel (de sekte), zonder garantie van een zitplaats? Is de vervoerder aansprakelijk voor vertraging of uitval of, gelijk in casu, afval van de passagier? Is het einde der tijden een essentieel onderdeel van de overeenkomst en zo ja, bestaat er een rechtsvordering tot aflevering van het ontbrekende? Is een ingebrekestelling nodig, indien het einde der tijden uitblijft? Kortom: een keur aan problemen.

Het BW mag over het algemeen niet meer het oorzaakvereiste stellen, maar de oorzaak van een betaling is nog wel aan de orde bij de onverschuldigde betaling. Wellicht zou deze rechtsfiguur de door Schoordijk beoogde werking hebben.

6 R. Kroes 26 juni 2010 om 08:01

Geachte heer Van Schaik,

Met uw vergelijking naar verzekeringsrecht ben ik het niet eens. De verzekeringsovereenkomst is wettelijk (art. 7:925 BW) als volgt gedefinieerd:

“Verzekering is een overeenkomst waarbij de ene partij, de verzekeraar, zich tegen genot van premie jegens haar wederpartij, de verzekeringnemer, verbindt tot het doen van een of meer uitkeringen, en bij het sluiten der overeenkomst voor partijen geen zekerheid bestaat, dat, wanneer of tot welk bedrag enige uitkering moet worden gedaan, of ook hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren. Zij is hetzij een schadeverzekering, hetzij een sommenverzekering”

Kenmerkend verschil met bovengenoemde casus is dat beide partijen zich bij het aangaan van een verzekeringsovereenkomst bewust zijn van de onzekerheid dat een uitkering volgt.

In bovengenoemde rechtzaak is echter een overeenkomst aangegaan met een als zekere voorgespiegeld gevolg. Dit zekere gevolg heeft zich niet voorgedaan en dus is in deze casus sprake van dwaling/misleiding.

In antwoord op de lezersvraag die de heer Tjong Tjin Tai in zijn commentaar stelt de volgende overweging: in mijn optiek zou een beroep van de nabestaanden geen kans maken. De reden hiervoor is gelegen in de stelplicht van de nabestaanden. Zoals u zelf terecht opmerkt kan de overledene pas na de dood vaststellen of hij wel of niet in de hemel is gekomen. De nabestaanden kunnen dus niet aantonen dat overledene niet is uitverkoren. Daarnaast, even doorfilosoferend, zelfs al zouden de nabestaanden dit wel kunnen stellen vormt dit m.i. nog geen basis om de schenking van de overledene terug te vorderen. De uitverkorenheid zou de overledende immers kunnen zijn onthouden op redenen die buiten de invloedssfeer van de kerk liggen, bijvoorbeeld een levenspatroon van overledene dat strijdig is met de religieuze voorschriften.

Reageren

Vorige post:

Volgende post: