De ethische en morele maatstaven waaraan journalisten in Nederland politici, bankiers, chirurgen, paters, rechters en officieren willen houden, worden zelden op hen toegepast. In ieder geval niet door hen zelf.
De President van de Rb. Middelburg werd op 11 maart jl. geïnterviewd in NOVA. Een gezinsruzie in Zierikzee had enkele dagen daarvoor tot drie doden geleid. De raadkamer van de Zeeuwse rechtbank had de voorlopige hechtenis geschorst. Hoe de rechtbank zoiets waanzinnig stoms kon doen?, hoorde en zag je de interviewer denken. De president legde geduldig uit hoe zo’n procedure gaat en welke stukken wel en welke niet in het strafdossier zaten. ‘U blijft achter de beslissing van de raadkamer staan ondanks het feit dat er nu twee kinderen vermoord zijn?’
Ruim een maand daarvoor lag het Openbaar Ministerie onder vuur in Zembla. In het programma werd een aantal strafzaken besproken waarin volgens Zembla fouten zouden zijn gemaakt die sommige mensen onschuldig in de gevangenis deden belanden en anderen ten onrechte vrij lieten rondlopen. De betrokken officieren van justitie werden steeds met naam, toenaam en soms beeld vermeld en Zembla stelde steevast de vraag of en hoe hij of zij was ‘gestraft’ voor de gemaakte fouten. ‘Mevrouw R. is nu rechter’, ‘Meneer Z. is nu advocaat-generaal’.
Weeralarm
In de continuing story van ‘Strafzaken in het nieuws’, zoals in NJB 2010, 545, afl. 11, p. 660 beschreven door mr. Lonneke Stevens, zijn dit tekenende voorbeelden van hoe de media met justitie omspringen. De benadering van het drama in Zierikzee is daarbij symbolisch voor de eis van media en meehollende Kamerleden tot een maatschappij zonder risico’s, een maatschappij waar een tragisch uit de klauw gelopen familieruzie altijd en overal voorkomen wordt en bij elk zuchtje wind het Weeralarm over de Twaalf Provinciën waakt. Een cultuur die door Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar Veiligheid en Burgerschap aan de VU, inzichtelijk werd beschreven in zijn boek De Veiligheidsutopie.
Als er iets misgaat – familieruzie, vermissing, omgevallen boom, vergaan zeiljacht –, is er een schuldige en die vindt men meestal bij de overheid. Voor ‘Zierikzee’ viel het lot mede op de rechtbank en de president reisde met gezwinde spoed af om zich in NOVA hard aan de tand te laten voelen. Dat is een mooi voorbeeld van de nieuwe openheid waarmee de rechterlijke macht zich aan de obsessieve media-aandacht voor het strafrecht heeft aangepast – geen president van een rechtbank zou er twintig jaar terug over gedacht hebben van Middelburg naar Hilversum te reizen om tekst en uitleg te geven.
Usual suspects
De Zembla-uitzending over het Openbaar Ministerie stond model voor de meeste producties van de mediastrafrechtindustrie. Vrij Nederland had in augustus een vergelijkbaar verhaal gepubliceerd onder de kop ‘Beloning voor blunderende officieren van justitie’. In dergelijk journalistiek werk behoren de termen ‘Justitie-blunders’, ‘Gerechtelijke dwalingen’, ‘Schiedammer Parkmoord’ en ‘Tunnelvisie’ tot de vaste woordenschat. De beperkte eigen kennis van het strafrecht bij de journalisten wordt door hen meestal onvoldoende gecompenseerd door te rade te gaan bij onafhankelijke strafrechtdeskundigen; meestal treden er usual suspects op, bekende strafpleiters met hun eigen belangen en een beperkte kring van rechtspsychologen en sociologen.
De Zembla-uitzending was – net als het Vrij Nederland-stuk – ook tekenend voor de personificatie van anonieme, maatschappelijke instellingen – de Rechtbank, het Openbaar Ministerie – tot mensen van vlees en bloed, die niet meer als functionaris worden aangesproken maar als persoon. Het wordt daarmee de persoonlijke fout van de Middelburgse rechtbankpresident dat een man in Zierikzee zijn kinderen vermoordt en zichzelf doodschiet. Het is, zo lijken Zembla en Vrij Nederland te willen zeggen, de individuele en persoonlijk verwijtbare fout van in naam genoemde officieren van Justitie dat – naar het oordeel van die media – bewijsmateriaal niet klopte, geheimhoudersgesprekken ten onrechte werden bewaard, ontlastende stukken werden achtergehouden of andere zondes van het strafprocesrecht werden begaan. Vandaar ook dat van die officieren persoonlijk is nageplozen waar hun carrière hen, zoveel jaren na ‘de blunder’, beroepsmatig heeft gebracht (zie de lange, geanonimiseerde lijst op internet). Binnen de magistratuur zijn officieren van justitie hierbij een extra populair doelwit. Achter en boven hen staat immers de politiek verantwoordelijke minister, en die kan door gewillige Kamerleden voor een spoeddebat naar de Kamer worden ontboden. Nog meer nieuws. Hang them high!
Bevallige pose
Het proces van personificatie doet zich niet alleen in justitiële kringen voor. Ministers beperken zich in interviews al lang niet meer tot hun beleidsdaden en politieke plannen, maar willen graag kwijt dat ze zo goed Coquilles St. Jacques maken, laten zich in bevallige poses in de gangen van de Kamer fotograferen of vertellen dat ze de liefde van hun leven hebben gevonden. Menig rechter of officier van justitie heeft de afgelopen decennia zijn of haar ijdelheid niet kunnen onderdrukken en heeft zich als ‘crime-fighter’ of ogenschijnlijk bescheidener – ‘ik ben geen scherprechter’ –met naam en toenaam als Bekende Nederlander weten te vestigen. Ooit begon het onschuldig met van rijkswege verstrekte bordjes in de rechtszaal waardoor duidelijk moest worden dat de voorzitter van de zitting mr. A.A. de Vries heette en niet de president. Sommige rechters waren en zijn er voorstander van om tijdens de zitting de toga aan de kapstok te laten hangen, zo’n jurk met bef schept maar afstand tot de rechtzoekende. Aan die ogenschijnlijk onbenullige voorbeelden is te zien hoe ook de magistratuur zelf af en toe de blinddoek heeft afgedaan en heeft bijgedragen aan de blootstelling van rechters en officieren aan de soms weldadig frisse maar meestal kille, onbarmhartige wind van de mediabelangstelling.
Die belangstelling heeft, het moet gezegd worden, behalve in sensatielust, kijkcijferdrang en populisme, een voedzame bodem gevonden in een aantal justitiële missers in grotere zaken – Puttense moordzaak, Deventer moordzaak, Lucia de Berk-zaak e.a. – waarbij het OM of de zittende magistratuur of beiden hun kritische vermogens op zijn minst tijdelijk hadden uitgeschakeld. Dat heeft het Gezag van de Agent, de Officier en de Rechter geen goed gedaan.
Beteugelen
Ter bestrijding van de ontsporende media pleit Stevens voor grotere terughoudendheid van het Openbaar Ministerie. De media willen volgens haar namelijk nog wel eens ontsporen ná de mededelingen van het parket. De neiging van het Openbaar Ministerie om het volk en de pers te behagen door hoog van de toren te blazen, vooral als er veel ‘publieke onrust’ is, valt hem niet te ontzeggen. Stevens gaat nog een stap verder: het OM moet de media ‘in toom houden’, wellicht via convenant of mediacode, en ze geeft in overweging ‘zelfs wellicht om de pers aan banden te leggen.’ Hoe dit alles juridisch in elkaar gezet moet worden, wordt door haar helaas niet uitgelegd.
Het is gelukkig een onbegaanbare en heilloze weg. Met enige regelmaat mompelen Haagse ambtenaren en bewindslieden achter hun hand iets over ‘pers een beetje beteugelen’, ‘het gaat soms wel erg ver’. De meesten zijn onkundig van het feit dat Den Haag daar niet meer over gaat en de rechtelijke macht in zijn uitspraken en arresten vooral refereert aan het Europese Hof in Straatsburg en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens.
De enige partij die directe invloed heeft op de ontsporingen op dit vlak en de media wat korter aan het bit kan laten rijden, zijn de media zelf. De journalistiek die de journalistiek kritiseert, is in Nederland weinig ontwikkeld – het tv-programma De Leugen Regeert is inmiddels een zachte dood gestorven en vakbond NVJ is geen echte stimulans –, maar na ‘Dordrecht’ was er toch een klein stroompje dat minder lovende woorden over had voor de overweldigende, alle privacy wegspoelende mediahype. Maar de ethische en morele maatstaven waaraan journalisten in Nederland politici, bankiers, chirurgen, paters, rechters en officieren willen houden, worden zelden op hen toegepast. In ieder geval niet door hen zelf.
Raad voor de Journalistiek
Openbaar Ministerie en rechtbanken zullen het moeten doen met geduldig en rustig blijven uitleggen, open kaart spelen als het kan, zwijgen als het moet en vooral niet ‘economisch’ omspringen met de waarheid. Om persoonsgerichte kritiek tegen te gaan, is het misschien wijs als rechters of officieren de verleiding weerstaan zelf in de media te figureren: de rechter spreekt ouderwets via zijn vonnis, de rechtbank (persrechter of president) legt zo nodig uit; de officier brengt de zaak aan, het Openbaar Ministerie (persofficier of hoger) mag het uitleggen. Saai maar simpel.
Misschien, nu juristen bij de meeste kranten en televisieprogramma’s vrijwel verdwenen zijn, moet de rechterlijke macht samen met de Orde eens een bijscholingsprogramma ‘Recht voor Journalisten’ in elkaar zetten. Dat mag ook wel over meer gaan dan strafrecht, de gemiddelde journalist weet van andere rechtsgebieden nog minder.
Het Openbaar Ministerie zelf is ondertussen in september 2009 een nieuwe, en tot zover succesvolle, weg ingeslagen: het diende bij de Raad voor de Journalistiek een klacht in tegen Vrij Nederland wegens onjuiste berichtgeving en beschadiging van het OM zelf en van enkele individuele officieren van justitie. De klacht werd door de raad gegrond verklaard.
Hugo Arlman is journalist en voorzitter van het Hans Melchersfonds. Dit artikel is verschenen in NJB 2010/19.
{ 2 reacties }


{ 2 reacties… lees hieronder of reageer }
Ik snap niet wat precies het probleem is van de auteur van dit stuk. Er is sprake van zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep journalist. Het is mogelijk om een klacht in te dienen. Hier wordt op gereageerd en de klacht is ook nog eens gegrond verklaard. Wat wil je nog meer? Of is er geen probleem en is deze column een voorbeeld van humor? De auteur van het stuk noemt zichzelf journalist en geeft direct een mooi voorbeeld van het niet-controleren van gepresenteerde feiten. Zo snap ik niet waar de zinsnede ‘Misschien, nu juristen bij de meeste kranten en televisieprogramma’s vrijwel verdwenen zijn’ op is gebaseerd. En ik vind het buitengewoon knap dat de auteur van dit stuk een verslaggever kan ‘horen en zien’ denken. Je moet altijd de optie openhouden dat Hugo Arlman gedachten kan lezen en daarbij buitengewoon visueel is ingesteld, maar het ligt meer in de lijn der verwachting dat Arlman zelf dacht: ‘hoe kon de rechtbank zoiets waanzinnigs stoms doen?’
De toon van het artikel is inderdaad wat verwijtend, maar je kunt dit ook zien als het uitlokken van een discussie. Journalisten en met hen, het EHRM weten als geen ander dat je soms moet provoceren om je standpunt duidelijk te maken.
Het Nederlandse volk, vooral opgehitst door de media, regaeert inderdaad vaak nogal overspannen op wat men noemt ‘ fouten van justitie’. Wat men niet realiseert is dat het gaat om mensenwerk en er altijd fouten kunnen worden gemaakt. Bovendien was er een tijd dat bijvoorbeeld niet elke onstapte tbs-er of gevangene op verlof nieuws was en eigenlijk niemand zich hier druk om maakte. Maar toen de media besloot om er wel een punt van te maken, had je de poppen aan het dansen. Vaak gaat de in het strafrecht ontzettend belangrijke context verloren in de berichtgeving.
De media beschikt over veel macht, maar inderdaad niet altijd over voldoende kennis om een onderwerp op de juiste manier te belichten. Maar het is wel erg overtrokken om je als magistraat (staand of zittend) niet meer met de media bezig te houden. Dat is niet meer van deze tijd. Er moet juist een betere relatie komen tussen magistratuur en media, zodat de informatievoorziening naar het publiek toe verbeterd wordt. Dat het OM een klacht bij de Raad voor de Journalistiek heeft ingediend en deze klacht gegrond is verklaard, wil nog niet zeggen dat je iets hebt gewonnen als OM. Je hebt pas iets gewonnen als journalisten het met de uitspraak eens zijn of zich hier in ieder geval iets van aantrekken. Echter veel aanzien geniet de RvdJ niet in de wereld van de journalisten.