Tien jaar geleden waren de ambities hoog. Irreëel hoog, zo was temidden van het enthousiasme te horen. Toch: met het ondertekenen van Millennium Development Goals deed de wereld zichzelf onder meer de belofte om in 2015 de extreme armoede op mondiaal niveau gehalveerd te hebben. VN secretaris-generaal Ban Ki-moon toonde zich afgelopen juni bij de presentatie van de jaarrapportage nog altijd optimistisch. Maar zijn woorden zeggen genoeg: “At the same time, it is clear that improvements in the lives of the poor have been unacceptably slow, and some hard-won gains are being eroded by the climate, food and economic crises.” In tijden van ongekende overstromingen en katoen- en graanoogstverlies in Pakistan, extreme droogte en graanoogstverlies in Rusland, een verre van overwonnen mondiale economische crisis en gereduceerd politiek draagvlak voor ontwikkelingshulp, organiseert de VN deze maand in New York een topontmoeting om de beloften van een nieuwe impuls te voorzien.
Dat zal geen eenvoudige klus worden. Niet alleen omdat de “vrijgevigheid” aan arme landen zowel hier als elders politiek en maatschappelijk ter discussie staat. Ook omdat ontwikkelingshulp de afgelopen 10 jaar fors ingewikkelder is geworden. Meer en meer beïnvloeden problematische omstandigheden in verre landen het leven dicht bij huis. Bovendien wordt de effectiviteit van ons eigen handelen bij bijvoorbeeld de aanpak van klimaatverandering en de met deze verandering verband houdende risico’s op schaarste van voedsel, water en andere natuurlijke bronnen, mede bepaald door de mate waarin arme landen in staat zijn hun bijdrage te leveren. Zo is het ogenschijnlijk eenvoudig van arme landen te verlangen dat ook zij de CO2–uitstoot reduceren. Maar in de praktijk van alledag impliceert het wel dat ze te maken krijgen met technologiebeleid, kennisoverdracht, financieringsconstructies voorzien van allerhande contractuele arrangementen, intellectuele eigendomsrechten en een berg aan andere voorwaarden. Niet verrassend, dat veel ontwikkelingslanden niet of nauwelijks in staat zijn met de ambities over CO2–uitstoot om te gaan.
De VN heeft de afgelopen jaren diverse malen betoogd dat ontwikkelingshulp meer is dan een morele opdracht, maar gebaseerd op een universeel rechtvaardigheidsbegrip. Daarmee is het fundament voor ontwikkelingshulp heel concreet terug te vinden in de universele rechten van de mens. De neiging is echter dit mensenrechtenfundament vervolgens primair te concretiseren in termen van burgerrechten en politieke rechten, zoals vrijheid van meningsuiting en verbod op martelen. Minder aandacht gaat uit naar de betekenis van dit fundament voor economische, sociale en culturele rechten (ESC-rechten). Wie het werk van de VN-Raad voor de Rechten van de Mens kent, stelt vast dat de Raad sinds de eerste zitting, in juni 2006, een enkele keer thema’s als recht op voedsel of aanpak van klimaatverandering agendeert, maar zich primair richt op (acute) mensenrechtenschendingen. En weliswaar gaat in ons buitenlandbeleid de aandacht vanuit het mensenrechtenperspectief wel explicieter uit naar economische, sociale en culturele rechten, de strategie uit 2007 redeneert nog primair vanuit een lokaal perspectief op het recht op arbeid, op onderwijs en een minimum levensstandaard. Niet vanuit de betekenis van het recht op ontwikkeling met het oog op opkomende mondiale interdependenties.
Natuurlijk is het, zoals in de literatuur vaker betoogd, alles behalve eenvoudig om vanuit een rechtendiscours tot een verdelingsperspectief tussen (aandacht voor) politieke rechten enerzijds en economische rechten anderzijds te komen. Dat laat onverlet dat – nu de wereld van de ontwikkelingshulp sterk aan verandering onderhevig is – de vraag ter tafel ligt hoe ontwikkelingsrechten in te vullen bij het adresseren van grensoverschrijdende problemen en vervlochten afhankelijkheden. Welke juridische instrumenten zijn vereist om ontwikkelingslanden daadwerkelijk in staat te stellen hier hun bijdrage te leveren? Wie het ontbreken van samenhang ziet tussen de eindeloze reeks onderscheidende juridische voorwaarden en instrumenten waarmee ontwikkelingslanden worden geconfronteerd wanneer zij een poging doen hun bijdrage te leveren, weet dat er nog bergen werk te verzetten valt. Kortom, welke juridische instrumenten zijn aan de orde wanneer we meer invulling willen geven aan coherentiebeleid? En meer fundamenteel: wat is de betekenis van “het recht op ontwikkeling” als het gaat om mondiale publieke goederen als drinkwater, voedsel, energie, klimaat en veiligheid?
In de publieke discussie en berichtgeving over de coalitieonderhandelingen wordt ontwikkelingshulp vaak gereduceerd tot de vraag of het met wat minder kan dan de huidige 0,7 procent van ons BNP. Maar het gaat natuurlijk allang niet meer uitsluitend om een “x bedrag aan geld”. Het recht speelt al jaren evenzeer een rol. Maar dat impliceert dat wanneer de ontwikkelingsagenda verandert, ook de opdracht voor het recht herijkt moet worden. Een rechtsorde die passend is voor een sterk vervlochten samenleving met nieuwe mondiale uitdagingen en publieke belangen noodzaakt tot een doordenking op de consequenties voor het internationale recht. Of meer concreet: wanneer duurzaamheid hoog op de agenda staat, hebben we ons in te zetten voor meer dan alleen het – dicht bij huis – verkleinen van onze voetafdruk. Het verlangt een discussie over de al dan niet verankering van dit publieke belang in het internationale recht.
Artikel 90 van onze Grondwet kent een grondwettelijke taakopdracht aan de regering om de ontwikkeling van een internationale rechtsorde te bevorderen. De discussie over dit grondwetsartikel gaat veelal over kwesties die raken aan de vraag hoe onze nationale rechter de internationale regels of besluiten die strijdig zijn met onze eigen rechtsorde heeft te benaderen. Maar constitutioneel gaat het om de wederzijdse versterking van rechtsordes, de Nederlandse en de mondiale. Dat verlangt dat (ook) de Nederlandse regering zich sterk maakt voor een rechtsorde die passend is voor de ontwikkelingsagenda van deze tijd.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/29.
Bron afbeelding: World Economic Forum
{ 0 reacties }


