Mag een invalide vrouw haar eigen man aansprakelijk stellen omdat ze samen verzekerd zijn tegen de schade die zij leed doordat een deel van hun gezamenlijke woning instortte?
De zaak. Een jonge vrouw bevestigt in de tuin van hun nieuwe huis een hangmat aan de gemetselde pilaar waar ook de tuinpoort tegen dichtslaat. Door haar gewicht breekt de pilaar bij de grond af en valt over haar heen. Zij raakt zeer ernstig gewond. Door een hoge dwarslaesie belandt zij verlamd in een invalidenwagen. Zij is voortaan afhankelijk van de hulp van anderen.
Welke rechtsvragen zijn er?
Waarom viel de pilaar om? Is dat iemand aan te rekenen? Moet diegene ook de schade van het omvallen betalen? Draagt het slachtoffer zelf schuld?
Wat zegt de wet?
In boek 6 artikel 174 Burgerlijk Wetboek staat dat de bezitter van een gebouw een risicoaansprakelijkheid heeft voor een gebouw dat niet „voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert”.
Welke conclusie trekt het slachtoffer hieruit? Zij meent dat haar man als mede-eigenaar van het gebouw ook medeaansprakelijk is als er iets instort. Die verzekering hebben ze destijds samen gesloten ten behoeve van hen beiden. Zij eist vergoeding van alle huidige en toekomstige schade. Het stel heeft twee jonge kinderen en is vijf weken na het ongeluk getrouwd, in het ziekenhuis. Haar opname duurde ruim een jaar.
Deugde die pilaar inderdaad niet?
Nee, stelden deskundigen vast. De pilaar stond ‘solitair’ naast de poort, die vooral aan het huis hing. Door het dichtslaan van de poort en de invloeden van het weer was de pilaar gammel. Het metselwerk was broos. De pilaar bleek bovendien hol en gevuld met puin.
Hoe verweert de verzekeraar zich?
Die zegt dat de ene medebezitter van een gebouw niet de andere medebezitter aansprakelijk kan stellen voor eigen schade. Dit is pech door eigen schuld. Verder vindt de verzekeraar dat de schade mede aan haar kan worden toegerekend. Het was immers ook haar pilaar. Zij had ook voor onderhoud moeten zorgen om instorten te voorkomen. En als de rechter al tot schadevergoeding besluit dan moet dat beperkt ‘in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen’. De héle schade afwentelen op de medebezitter is zéker niet fair.
Wat zegt de rechtbank?
De rechtbank vindt het redelijk om mede eigenaren hun eigen schade te laten dragen ‘naar ratio van hun medebezit’. Stel dat in een appartementsgebouw met honderd mede-eigenaren door slecht onderhoud de waterleiding springt. Daardoor wordt één flat geruïneerd – dan zou het unfair zijn om alle andere medebezitters van schadevergoeding vrij te stellen. Terwijl iedereen wel zou moeten betalen als het water schade aanrichtte buiten de flat. In deze wet staat de bescherming van de benadeelde voorop. Dat moet hier dus ook zo zijn. De vrouw krijgt een vergoeding van vijftig procent. De verzekeraar vraagt daarop spoed hoger beroep. Vrijdag doet de Hoge Raad uitspraak.
Commentaar op deze uitspraak door NJB-redacteur Ton Hartlief, hoogleraar burgerlijk recht in Maastricht, is hier te vinden.
Lees hier de uitspraak (LJN BH0728). Er kan ook worden gereageerd op Recht en Bestuur. Reacties verschijnen op beide sites.
Bron afbeelding: shutupyourface
{ 13 reacties }



{ 13 reacties… lees hieronder of reageer }
Was die pilaar wel geschikt als paal voor een hangmat?
Doet mij denken aan de zaak in Amerika, waar de fabrikant van een magnetron werd aangesproken, omdat de kat een droogbeurt in de magnetron niet overleefde.
Liudger,
Volgens het artikel deugde de pilaar niet, volgens deskundigen. In dat geval valt de vrouw niet te verwijten dat zij haar hangmat aan deze pilaar bevestigde.
Maar dat is niet wat deze zaak interessant maakt: het interessante zit hem in de aansprakelijkheid van een mede-eigenaar.
Overigens vermoed ik dat het doel van vrouw niet is haar mede-eigenaar armer te maken, wel om schade van de verzekering vergoed te krijgen.
Op het moment dat het voorval plaatshad, waren de eigenaren geen echtgenoten. Ieder, zo moet aangenomen worden, was eigenaar van de ongedeelde helft van het pand. Als ik samen met een ander een bezit deel, bijvoorbeeld een boot, en die ander vernielt dat bezit, omdat hij in een dronken bui tegen en brug opvaart, dan kan ik als medebezitter de ander op zijn onrechtmatig handelen aanspreken. En in elk geval vergoeding van de helft van de waarde van de boot, het gedeelte van de schade die ik lijd, van hem vorderen.
Als ik, bij die aanvaring, onwetend van de dronkenschap van mijn medebezitter, want slapend in de kajuit, letsel oploop, zal de ander echter mijn gehele medische schade moeten vergoeden.
Bij onroerend goed geldt dat de bezitter als verantwoordelijke geldt. Als er dus een dakpan van mijn vakantiehuis waait, en die komt op de auto van mijn buurman terecht, dan zal ik de schade aan die auto aan mijn buurman moeten vergoeden.
Ben ik samen met een ander eigenaar van het vakantiehuis, dan kan de buurman elk van ons aanspreken. Samen zullen wij de schade moeten betalen. Als ik betaal, kan ik de helft op mijn mede-eigenaar verhalen. We kunnen ook elk de helft betalen.
We gaan weer een stap verder: Niet de auto van de buurman werd getroffen door de dakpan, maar de mijne. Ik denk dat niemand er raar van opkijkt als de mede-eigenaar zegt: “voor het wegwaaien van die dakpan zijn wij beiden aansprakelijk, dus ik draag de helft van de schade aan jouw auto”.
Ik durf echter niet te voorspellen wat de Hoge Raad zal doen. Ik had de bouwer van die pilaar eerst maar eens aansprakelijk gesteld. En wel voor de gehele schade.
Een kleine aanvulling als gevolg van nog iets langer doorspelen met gedachten: Ik gok er op dat de Hoge Raad wat zal gaan sollen met het begrip hoofdelijkheid, en in dat verband speciaal met de rechtsfiguur van de verbintenis in solidum.
Wat is de actualiteit van dit vonnis van 21 januari 2009, dat twee dagen later gepubliceerd is?
Redactie NRC:
A.s. vrijdag doet de Hoge Raad uitspraak in cassatie.
Met belangstelling artikel gelezen. In de laatste zin wordt opgemerkt dat een spoed hoger beroep is aangevraagd en terwijl vrijdag de Hoge Raad uitspraak doet. Is er al een hoger beroep uitspraak gedaan of doet het Hof vrijdag uitspraak. Met andere woorden is er een “spoed” procedure überhaupt mogelijk bij de Hoge Raad?
@ Michiel Palthe
Ik denk dat het hier een geval van sprongcassatie betreft. Partijen zijn dan overeengekomen dat niet eerst hoger beroep zal worden ingesteld, maar dat de (vaak principiele) zaak in één stap wordt voorgelegd aan de Hoge Raad. Ik heb inderdaad ook gen arrest van het Hof kunnen vinden, dus ik vermoed dat dat de achtergrond is.
Het blijkt dus – blijkens het arrest van de Hoge Raad van vandaag – inderdaad zo te gaan (zie 3) als in het geval van de dakpan die op mijn auto terecht komt.
Ben van mening dat de gedupeerde(n) in dit geval de hand in eigen boezem moet steken. Men had op voorhand moeten uitzoeken of de pilaar wel in een goede staat verkeert. Nu is het leed geschied en dient een verzekering de kosten te vergoeden?! Door toewijzing van een rechterlijk besluit zorgt dit voor hogere verzekeringspremies op de lange termijn, met als eindresultaat een niet te betalen premie. Men dient eerst te controleren of het wel geschikt was.
Ik vind het een merkwaardige uitspraak. Ik begrijp het verhaal van de dakpan wel, maar hier is toch sprake van mensen die hun belangen verenigd hebben: samen hebben ze een relatie, een huis, een verzekeringspolis, en samen zullen ze de lasten van de invaliditeit delen (financiëel en anderszins). Zonder verzekering zou de schade dus door beiden gezamenlijk gedragen worden, en zonder verzekering zou er dus waarschijnlijk geen claim van vrouw op man zijn geweest. Hier is dus mijns inziens sprake van (een speciaal geval van) ‘moral hazard’, aangezien het gedrag wezenlijk beïnvoloed wordt door het hebben van een verzekering. Een ander voorbeeld: mijn zoontje breekt een antieke vaas van mijn vrouw; wij zijn WA verzekerd voor de kinderen, dus mijn vrouw stelt ons samen aansprakelijk, en ik dien een claim in bij de verzekering. Op basis van dit arrest verwacht ik dan de helft van de schade vergoed te krijgen. Of wellicht zelfs de gehele schade, als mijn vrouw en ik gezamenlijk ons zoontje aansprakelijk stellen. Nee, natuurlijk zouden we nooit zijn spaarpot plunderen, maar als de verzekering betaalt dan is pech toch niet pech…? Is dit wezenlijk anders dan het hier besproken geval?
De “hangmat zaak”, een Pyrrhus overwinning?
Op 8 oktober 2010 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de “hangmat” zaak. Een vrouw bevestigde een hangmat aan een betonnen pilaar van haar woonhuis, dat voor de helft mede-eigendom was van haar man. Toen zij in de hangmat lag, viel de pilaar over haar heen, waardoor zij ernstig invalide werd. Het echtpaar had een verzekering tegen de risicoaansprakelijkheid die eigenaren van gebouwen volgens de wet hebben.
De vrouw stelde haar man aansprakelijk voor de schade. De rechtbank Den Bosch oordeelde vorig jaar dat de man voor vijftig procent aansprakelijk was voor haar schade, omdat hij voor de helft mede-eigenaar van het huis en van de pilaar was. De Hoge Raad is het daar nu mee eens. Volgens de Hoge Raad is het het ‘meest redelijk’ om aansprakelijkheid voor medebezitters onderling te aanvaarden. De gedachte achter een risicoaansprakelijkheid is juist het beschermen van benadeelden, en niet het risico op hen af te wentelen dat een aansprakelijke partij moeilijk te bepalen is. Er is bovendien voor eigenaren van gebouwen een eenvoudige mogelijkheid om zich te verzekeren, aldus de Hoge Raad.
De zaak trok belangstelling omdat sommige juristen vonden dat medebezitters van een gebouw wat hun aansprakelijkheid betreft eigenlijk dezelfde persoon vormen. Hun aansprakelijkheid is bedoeld voor de schade van derden, niet van henzelf. Een opstalverzekering zou anders veranderen in een ongevallenverzekering.
De gevolgen van deze uitspraak zijn nog niet geheel te overzien, maar de mogelijkheid bestaat, dat de verzekeraars tegen aansprakelijkheid nu een clausule in de polis zullen opnemen, waarbij schade jegens mede-eigenaren wordt uitgesloten.
De vergelijking dringt zich op met de uitspraak van het Court of Appeal in de zaak Adler versus Dickson, ook bekend als de “Himalaya case”.
Mevrouw Adler stapte in 1952 aan boord van het schip “Himalaya”. Halverwege de loopplank gekomen, schoot deze los, waardoor mevrouw Adler ernstig gewond raakte. De rederij had volgens de vervoersvoorwaarden elke aansprakelijkheid uitgesloten. Zij sprak daarom niet de rederij aan, maar de bootsman, door wiens fout de loopplank was losgeschoten.
Het Engelse Hof dat deze zaak behandelde, werd voorgezeten door Lord Denning, een bekende Engelse jurist. Deze maakte veel werk van de zaak, met als resultaat, dat de vordering tegen de bootsman werd toegewezen. De rederij kon als werkgever van de boortman niet anders doen, dan namens hem de schade vergoeden.
Een week na de uitspraak ging lord Denning naar zijn vakantiehuisje in Ierland. Toen hij zijn passagebiljet bekeek, zag hij, dat er een gloednieuw stempel op stond, met de zogenaamde “Himalaya clause”. Hierin werd bepaald, dat de rederij behalve haar eigen aansprakelijkheid, tevens de aansprakelijkheid voor al haar ondergeschikten uitsloot.
De praktijk pleegt zich aan te passen aan verrassende uitspraken van rechters.
Boddaert heeft gelijk als hij de vrees uitspreekt dat verzekeraars ook deze zaak zullen aangrijpen om het de goedgelovige verzekerden te doen voorkomen dat de jurisprudentie een verzwarend risico inhoudt. Ik wees daar al op in alinea 2 van 11.
Technisch gezien is daar geen reden voor, omdat de uitspraak bevestigd dat slechts de helft van de schade hoeft te worden vergoed. En dus niet de gehele schade welke het object heeft veroorzaakt. Bij hun kansberekeningen gaan de verzekeraars immers uit van het object (het huis) en niet van personen, zodat in statistische zin sprake is van een meevaller: de verzekeraar is slechts gehouden tot vergoeding van de helft van de schade indien er sprake is van mede-eigendom.
Er is dus geen enkele materiele noodzaak om over te gaan tot enige poliswijziging. Iets anders is dat verzekeraars, gelet op de ingeslopen praktijken (zie wederom: 11) bij het afhandelen van schade, de uitspraak ongetwijfeld zullen aangrijpen om hun weer een notitie toe te voegen aan hun losbladig handboek “Moeilijk doen voor Verzekeringsjuristen”.
” Naar ratio zal niet de bedoeling zijn. Bedoeld wordt naar rato.
Stel we nemen een gebouw/flat met 100 mede-bezitters . U bent ook mede-bezitter. Iets van dat gebouw schiet los en brengt U letsel toe. U bent slechts voor 1% mede-bezitter. Toch onredelijk wanneer U geen schadevergoeding zou krijgen enkel omdat U voor 1% mede-bezitter bent?
Terecht dat U dan 99% vergoeding van Uw schade krijgt. Iedereen weet nu waar hij/zij aan toe is.
De premie voor dergelijke polissen is erg laag. Verzekeraars verdienen er toch heel erg goed aan omdat op het totaal aan premies veel minder aan schade is. De nieuwe koers door dit arrest zal niet bepaald tot een vreselijk veel hogere schadelast leiden. Wijziging van polisvoorwaarden zou dan ook schandalig zijn. In en om huis gebeuren veel ongelukken. Maar die worden sporadisch veroorzaakt door gebreken aan de opstal. En veelal zijn niet de bezitters maar anderen slachtoffer. Kortom, waar hebben we het over. En te verwaarlozen risicoverzwaring die geen premieverhoging laat staan uitsluitingen rechtvaardigt.