‘Je kunt altijd zeggen: “Dat verdom ik”’. Die woorden van Willem Nagel staan in mijn geheugen gegrift. Dat komt door het verhaal dat eraan vooraf ging.
In ‘Het spoor terug’, de prachtige biografie van Kees Schuyt over verzetsman, schrijver en criminoloog J.B. Charles/W.H. Nagel, lees ik het na. ‘Ze hebben mijn broer, mijn oudste broer, uit de gevangenis gehaald en hem naar een landweggetje gebracht. Daar lieten ze hem zijn eigen graf graven. Ja, zijn eigen graf graven. En toen schoten ze hem dood. Zijn eigen graf. Dat zal mij nooit overkomen. Mijn eigen graf graven. Onvoorstelbaar’.
Als jonge student hoorde ik de boodschap. Je hebt een vrije wil. Maar ik kende het drama niet. Schuyt beschrijft het. Het begon met het veemgericht waarvan Nagel met twee andere juristen in 1944 deel uitmaakte. Het gericht moest oordelen over de vraag of het ondergrondse verzet Geessien Bleeker zou liquideren wegens verraad. De verdenking kon niet onomstotelijk worden bevestigd. Ze bleef leven. Uiteindelijk bleek ze voor en na het verblijf als gevangene van het verzet meer dan zestig mensen te hebben verraden. Onder hen was de oudste broer van Nagel. Dat de Duitsers juist hem doodschoten was pure willekeur.
Nee, als student kende ik het drama niet. Het wordt vanuit 21ste eeuws gezichtspunt nog bijzonderder. In 1951 bezoekt Nagel de vrouwengevangenis in Rotterdam waar hij oog in oog komt met Geessien Bleeker. Ze had de doodstraf gekregen, maar die straf was omgezet in levenslang. Vier jaar later volgt op initiatief van een medegevangene een briefwisseling. Geessien heeft zich onder invloed van de gevangenispredikant tot het christelijk geloofd bekeerd en betuigt spijt. In 1957 stuurt Nagel – dan een beroemdheid uit het verzet – een brief aan de minister ten gunste van een gratieverzoek. Dat wordt ingewilligd. Nagel helpt haar ook na 1960 bij haar resocialisatie.
Vergevingsgezindheid na betoond oprecht berouw paste wel bij de mentaliteit van de jaren 50. In het bijzonder de Utrechtse School van Pompe ging ervan uit dat ieder mens het min of meer in zijn macht heeft om zijn karakter ten goede en ten kwade te veranderen. Juist daarom moeten we in de ontmoeting van mens tot mens proberen de ander op het juiste pad te brengen. Vandaar ook de belangstelling voor het werk van de reclassering. Maar dat Willem Nagel zich zo opstelde jegens de vrouw die verantwoordelijk was voor de dood van zijn broer zal ook toen bijzonder zijn geweest.
Met zijn gereformeerde achtergrond had Nagel overigens een minder positief mensbeeld dan de katholiek Pompe. Hij stelde de vraag: ‘(K)an de ontmoeting ook anders dan nood lenigend zijn en mag men rekening houden met de mogelijkheid van het omgekeerde? De “boosheid van het hart” kan, in de interpersoonlijke relatie, de ander bederven’. Die vraag sluit aan bij Nagels opvattingen over het wezen van de fascist. In 1961/62 schrijft hij: ‘Er leeft namelijk een verkeerd ventje in de mens, een oude Adam, een rotzakje. Dat is de fascist avant la lettre’. Dat ventje is in de ogen van Nagel zowel erfzonde als sociale psychologie.
Mensen kunnen elkaars rotzakje versterken. ‘Fascisme is leven vanuit een superioriteitsovertuiging. Wij zijn sterk, wij zijn dus niet slecht. Wij zijn beter en dus sterker. Anderen moeten beseffen dat zij inferieur zijn en daar blijk van geven. Zij behoren zich vernederingen te laten welgevallen en rechten te laten ontnemen. Zij mogen ons haten, als ze ons maar vrezen’.
Misschien kwam de vergevingsgezindheid van Nagel jegens de berouwvolle Geessien Bleeker wel voort uit het berouw over zijn eigen beslissing in het veemgericht, of uit vrees voor de boosheid in zijn eigen hart en de fascist in hemzelf. Of misschien bewees hij zichzelf zo dat hij een vrije wil had.
Ik weet niet waar we nu in de 21ste eeuw meer moeite mee hebben. Te geloven in de verander baarheid van mensen ten goede en ten kwade. Of in het bestaan van dat rotzakje in onszelf dat in toom moet worden gehouden. In elk geval lijken deze noties niet meer van deze tijd. Inkeer en berouw zijn geen woorden uit de vocabulaire van evidence-based risicodenken noch uit die van degenen die minimumstraffen willen invoeren. En het idee dat we elkaars rotzakje niet moeten ophitsen is niet aanlokkelijk in een tijd waarin het vrije woord boven alles gaat.
Natuurlijk maken velen zich oprecht druk over het belang van de vrije meningsuiting. Het vrije woord van Wilders en de vrije pen van de Arabisch Europese Liga. Maar aan die oprechtheid doet niet af dat anderen zich de vernederingen maar moeten laten welgevallen. Het enige wat nog telt is of de sprekers in hun recht staan. Nagel polemiseerde zelf overigens op het scherp van de snede. De meeste boosheid zou bij hem zijn bovengekomen als hij had gemeend dat we niet meer echt in onze vrijheid geloven. Dat zou het ergste zijn. Als de politieman denkt dat hij de vrijheid niet heeft de hangjongere te laten lopen en dat kritiek niet erg is zolang de hangjongere maar respect voor hem heeft. Of als de rechter denkt dat hij de vrijheid niet heeft de rotzak tegenover hem te veroordelen, ondanks zijn overtuiging dat hij dat wel moet doen.
Ik weet het wel: de tijden zijn grimmig en de wet is hard. Maar zelfs aan de rand van het graf kun je nog zeggen: dat verdom ik.
Dit Vooraf is verschenen in NJB 2010/38.
Bron afbeelding: Gabriela Camerotti
{ 1 reactie }



{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }
Dit Vooraf is mooi en wel uit het hart gegrepen.