De rechtenopleiding opnieuw de maat genomen?

door Adriaan Dorresteijn

op 15 februari 2011 in Artikelen

Afbeelding bij De rechtenopleiding opnieuw de maat genomen?

De hartenkreet van Margreet Ahsmann in NJB 2011/02 getuigt van oprechte betrokkenheid bij de kwaliteit van de rechtenopleidingen in Nederland. Het is echter betreurenswaardig dat dit uitmondt in een betoog dat absoluut geen recht doet aan de huidige stand van zaken bij de rechtenopleidingen, vindt Adriaan Dorresteijn.

Op gezette tijden wordt de rechtenopleiding in Nederland publiekelijk de maat genomen, meest recent door Margreet Ahsmann in het Nederlands Juristenblad.1 Zij concludeert, mede op basis van haar ervaring als raio-opleider, dat de faculteiten ‘hun eigen eindkwalificaties niet waarmaken en studenten afleveren die niet aan de wettelijk geformuleerde minimumeisen voldoen.’ Een ernstige aantijging, maar is zij wel terecht? Prijzenswaardig is dat Ahsmann de opleidingen vanuit het civiel effect aan de orde stelt en daarbij, anders dan bijvoorbeeld Bekkers, te rade is gegaan bij wat de opleidingen daarover zelf schrijven.2 Niettemin geeft ook Ahsmann blijk van misverstanden over aard en niveau van de rechtenopleidingen. Toegegeven, faculteiten worstelen al geruime tijd met een goede inrichting van de opleidingen. Een opgave die steeds lastiger wordt, niet alleen omdat de nominale studieduur al langer geleden is teruggedrongen van vijf naar vier jaar maar ook door tal van overheidsmaatregelen die de feitelijke studieduur verkorten, terwijl tegelijkertijd de potentieel te behandelen stof explosief is toegenomen.3 Daarom is het op zichzelf goed dat faculteiten en beroepenveld met elkaar in discussie blijven over de afstemming tussen beider belangen en visies. Tegen die achtergrond plaats ik navolgende kanttekeningen bij het betoog van Ahsmann om uiteindelijk te concluderen dat haar conclusie niet houdbaar is.

De rechtenopleiding te licht?

Ahsmann verwijst merkwaardigerwijs naar Bruinsma die met zijn artikel over de ‘ondraaglijke lichtheid van de rechtenstudie’ de knuppel in het hoenderhok zou hebben gegooid. Ja, maar dan wel in een hoenderhok waar weinig juristen te vinden zijn. Wie Bruinsma’s boutades kent, weet dat niemand verder afstaat van de rechtenopleiding die Ahsmann voorstaat.4 Bruinsma ziet het civiel effect als een ‘loden last’ en verwijt de faculteiten juist dat zij opleiden voor de togaberoepen!5

Voorts is volgens Ahsmann met de bachelor-masterstructuur in 2002 een einde gekomen aan ‘een min of meer uniforme landelijke opleiding Nederlands recht’. Dat is gechargeerd, want ook voor die tijd dekte de ‘mr.’ titel al een bonte verzameling afgestudeerden, variërend van juridische toppers tot halve economen en bestuurskundigen die voorheen ‘slechts’ de titel ‘drs’ kregen. Of aan de vereisten voor het civiel effect was voldaan, moest de praktijk maar uitzoeken.

Ahsmann wijst met kennelijke instemming op de kritiek van Bekkers die de studie rechten ‘een van de simpelste studies’ acht. Zoals Ahsmann opmerkt, is op het standpunt van Bekkers al afwijzend gereageerd door de gezamenlijke decanen.6 Ook mijn ervaring wijst uit dat Bekkers er naast zit. Al jaren vraag ik in het Utrechtse eerstejaarsonderwijs aan overstappers uit andere WO-studies naar hetgeen ze opvalt aan de rechtenopleiding. Nooit krijg ik als antwoord dat de rechtenstudie lichter is dan de studie die ze hebben opgegeven. Ook de studenten die een minor of opleiding elders volgen, komen niet terug met de boodschap dat rechten verhoudingsgewijs gemakkelijker is. Sceptici verwijs ik naar een artikel van Niels Pannevis, die de studies theoretische natuurkunde en rechtsgeleerdheid vergelijkenderwijs tegen het licht houdt.7

Ahsmann zoekt de oorzaak van de volgens haar dalende kwaliteit van de raio-instroom in een te lage kwaliteit van de rechtenopleiding. Daaraan ligt het echter niet. Aan de kwaliteit werd en wordt naar mijn waarneming door alle faculteiten voortdurend en op allerlei manieren gewerkt. Het echte probleem is ook voor de faculteiten de kwaliteit van de instroom. Een deel van de eerstejaars is niet wezenlijk geïnteresseerd in rechten of mist de ambitie om op hoog niveau te studeren. Voor zover deze studenten toch de eindstreep halen – door het bindend studieadvies wordt die kans geringer – voldoen ze, wellicht minimaal, aan door de faculteit gestelde criteria. Het wordt wel eens vergeten, maar een zes is echt een voldoende. Gelukkig beschikt een ander deel van de studenten over de bagage en belangstelling om zich ruimschoots te bekwamen in de juridische discipline en om daarnaast op metajuridisch niveau te leren analyseren en argumenteren en relevante inhoudelijke nevenactiviteiten te ondernemen.

Bij de juridische opleidingen is derhalve niet alleen de instroom heterogeen maar ook de uitstroom, variërend van de ‘zesjes’ tot de echte hoogvliegers. Al deze afgestudeerden kunnen instromen in de togaberoepen als ze aan de eisen van het civiel effect voldoen. Maar het is aan de werkgevers om nader te selecteren. Advocatenkantoren testen daarom de juridische kennis en analytisch vermogen van sollicitanten. Als dat bij de werving van raio’s ook zou zijn gedaan, had Ahsmann haar bijdrage niet hoeven te schrijven.

Waarvoor staat de verklaring civiel effect?

De faculteiten hebben, na overleg met de Orde en de NVvR, onderling afgestemd dat een verklaring dat aan de vereisten voor het civiel effect is voldaan slechts wordt afgegeven als grondige kennis van en inzicht in de rechtsgebieden is verkregen genoemd in het Besluit beroepsvereisten advocatuur en in het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren. Bovendien moeten in totaal 200 studiepunten in juridische vakken zijn behaald waarvan 60 op WO-masterniveau (een studiejaar telt 60 punten). Een dergelijke verklaring kan niet meer dan een minimumniveau garanderen want begrippen als ‘grondige kennis en inzicht’ zijn te weinig operationeel. Faculteiten geven dan ook traditiegetrouw een eigen invulling aan die begrippen. En dat is goed want uniformering zou tot verstarring leiden en profilering en innovatie blokkeren.8 En een opleiding zonder keuzemogelijkheden, zoals door Ahsmann gesuggereerd, staat per definitie op gespannen voet met de ‘brede academische vorming’ die zij ook bepleit. Overigens zal men bij de opleidingen toch nog veel gemeenschappelijks aantreffen! Weinig zinvol is echter Ahsmanns vergelijking van de studiepunten die aan privaatrechtelijke vakken worden besteed. Het gaat niet om de punten maar om het niveau waarop gestudeerd wordt en – gemakkelijker meetbaar – om het niveau dat met toetsen, tentamens en werkstukken wordt gehaald. En studenten die minder punten aan privaatrecht besteden moeten meer punten halen via andere juridische vakken die ook nuttige kennis en inzicht opleveren.

Oorzaken van toeneming raio-uitval?

Ahsmanns bijdrage is ingegeven door een toeneming van de uitval van raio’s wegens gebrek aan onder andere kennis en analytisch vermogen. Aangezien selectiecriteria en assessment niet zijn gewijzigd, moet dat aan de kwaliteit van de instroom liggen, zo constateert zij. Maar er zijn meer variabelen ter verklaring van de uitval. Zo is de vraag of het cijfergemiddelde van de afgestudeerden die worden geselecteerd in de loop van de jaren gelijk gebleven is. En zelfs als dat zo is, kunnen de eisen die men op de werkvloer aan de raio stelt, zijn aangescherpt.9 Ook kan aard en intensiteit van de begeleiding van raio’s zijn gewijzigd. En ook moet de verklaring wellicht worden gezocht in een afnemende belangstelling van de goede studenten voor een magistratelijke functie. Het is geen geheim dat commerciële werkgevers al in de collegebanken jacht (laten) maken op die categorie studenten. Is in vergelijking daarmee het raio-traject en het daaraan verbonden beroepsperspectief wel voldoende in beeld?10

Ahsmann besteedt nauwelijks aandacht aan de sterk toegenomen eisen die aan de afgestudeerde jurist worden gesteld – en evenmin aan de sterk gestegen verwachtingen ten aanzien van bijvoorbeeld de raio’s. De verhouding tussen algemene kennis en specialistische kennis is veel meer onder druk komen te staan door toegenomen complexiteit van het rechtssysteem, zowel van het nationale recht als van het recht in het algemeen (inclusief Europees en internationaal publiek- en privaatrecht).

Tot besluit

De hartenkreet van Ahsmann, want zo mogen we haar bijdrage toch wel noemen, getuigt van oprechte betrokkenheid bij de kwaliteit van de rechtenopleidingen in Nederland. Het is echter betreurenswaardig dat dit uitmondt in een betoog dat absoluut geen recht doet aan de huidige stand van zaken bij de rechtenopleidingen. Haar aantijging dat de faculteiten niet waarmaken wat ze beloven, is niet terecht.

Genuanceerder is hetgeen de Commissie Kortmann noteert over de universitaire rechtenopleiding en de aansluiting van de beroepsopleiding daarop.11 De grondtoon is weliswaar kritisch maar tegelijkertijd wordt geconstateerd dat gegeven de beperkte duur van de opleiding – vrijwel altijd vier jaren – moet worden gewaakt voor ‘overvragen’. De door deze commissie voorgestelde aanscherping van de civiel effect vereisten geeft blijk van inzicht in wat van een brede academisch-juridische opleiding mag worden verwacht.

De waarschuwing van de Commissie Kortmann tegen ‘overvragen’ benadrukt het gemeenschappelijk belang van universiteiten en afnemend beroepenveld bij een vijfjarige opleiding. Daarmee wordt ook beter aangesloten op de opleiding in diverse andere Europese landen. Overigens is verlenging al sluipenderwijs aan de gang, doordat studenten zelf kiezen voor twee masterprogramma’s en doordat universiteiten overwegen anderhalfjarige of tweejarige masterprogramma’s in te gaan voeren, al dan niet in een ‘joint’ constructie met een buitenlandse universiteit.

Prof. mr. Adriaan F.M. Dorresteijn is hoogleraar internationaal ondernemingsrecht aan de Universiteit Utrecht. Deze reactie is verschenen in NJB 2011/07.

  1. Het civiel effect biedt niet wat het pretendeert, NJB 2011/28, afl. 2, p. 66.
  2. Interview met Willem Bekkers in Mr. 3/2010.
  3. De dilemma’s – voor wat betreft keuzes in verband met internationalisering van het recht en gerichtheid op het positieve recht dan wel op de methode van het recht – zijn bondig geschetst door Jan Smits, Omstreden rechtswetenschap. Over aard, methode en organisatie van de juridische discipline, Boom Juridische uitgevers, Den Haag 2009, nr. 62.
  4. F. Bruinsma, NJB, Afl. 2000/28, zie ook de reactie van J.W. Zwemmer, NJB, Afl. 2000/37.
  5. Zie ook F. Bruinsma, De verborgen agenda van de rechtenstudie, In: W.M.J. Bekkers, R.H. Koning, N.J. Vette (red.), Rechten in Utrecht. De academische studie in verleden, heden en toekomst, Kluwer, Deventer 2002, p. 143-170. Voorts, in reactie op Bruisnma, diverse auteurs in NJB 2000/37, p. 1831 e.v.
  6. Rechtenstudie niet flinterdun, Mr., Website voor juristen, 20 april 2010 (http://www.mr-online.nl/nieuws/juridisch-nieuws/rechtenstudie-niet-flinterdun.html). Interessant is ook de reactie van R.B. Bakels op dezelfde webpagina: “Wat mij vooral opviel – en opvalt, is dat veel rechtenopleidingen vooral “technische” vakopleidingen zijn voor advocaten (en andere togaberoepen). Misschien is dat ook wel goed: een advocaat moet vooral kunnen procederen. Maar om aanspraak te maken op academisch niveau zou veel meer aandacht moeten worden besteed aan allerlei gerelateerde vakken, van economie tot politicologie.”
  7. Niels Pannevis, De eenogige koning ziet nog steeds het meest, Oprecht. Magazine van Studievereniging Sirius, februari-maart 2009, p. 13-16 Pannevis behaalde voor beide opleidingen het bachelordiploma cum laude.
  8. Per saldo is de verklaring niet meer dan een interpretatie van de wettelijke vereisten. Mij zijn gevallen bekend waarin afgestudeerden ook zonder verklaring van de faculteit zijn toegelaten tot een togafunctie.
  9. Zie echter ook Ernestine Köhne-Hoegen, De raio-opleiding als socialisatieproces: uittreders aan het woord, Recht der Werkelijkheid, 29e jrg. nr. 1, 2008, p. 11-34.
  10. Aantekening verdient dat het door de rechterlijke macht recent genomen initiatief tot ‘topstages’ bij rechtbanken in dit licht bezien een positieve ontwikkeling is.
  11. Met recht advocaat. Een nieuwe opleiding: de Stagiaire-Opleiding, Advies van de Commissie Stagiaire-Opleiding, Nijmegen, 20 oktober 2010, hoofdstuk 5 verkrijgbaar via http://www.advocatenorde.nl.
Deel dit artikel:

{ 1 reactie }

Reageren

{ 1 trackback }

Vorige post:

Volgende post: