Het civiel effect biedt niet wat het pretendeert

door Margreet Ahsmann

op 15 februari 2011 in Artikelen

Afbeelding bij Het civiel effect biedt niet wat het pretendeert

Juridische faculteiten leveren studenten af die niet aan de wettelijk geformuleerde minimumeisen voldoen. De door faculteiten afgegeven verklaring van civiel effect waarin grondige kennis van en inzicht wordt beloofd in drie rechtsgebieden betekent slechts dat de afgestudeerde een bepaald aantal punten in een willekeurig aantal juridische vakken heeft behaald.

Universiteiten dragen zorg voor de academische vorming van de jurist: daar wordt niet alleen een solide basis gelegd voor (systeem)kennis van de positiefrechtelijke vakken, maar daar heeft de afgestudeerde ook en vooral zelfstandig leren denken. Hij kan juridische vraagstukken analyseren, problematiseren, reflecteren en aan scenario-denken doen. Hij kan de waaromvraag stellen, kan en moet het anders, en kan zijn antwoord beargumenteren. Daarbij weet hij ook sociaalmaatschappelijke, morele en ethische aspecten te betrekken. Juridische waarheid is immers discussiewaarheid omdat normen op verschillende wijzen uitgewerkt kunnen worden: ius est ars aequi et boni. Het recht is kortom een kunst die moet worden geleerd. Het ‘afnemend beroepenveld’ – advocatuur en rechterlijke macht – draagt met eigen opleidingen vervolgens zorg voor de noodzakelijke bovenbouw: de in de praktijk beginnende jurist leert daar de voor die praktijk noodzakelijke vakkennis, vaardigheden en beroepsattitude. Een zinvolle en heldere taakverdeling dus die op zichzelf, mits juist uitgevoerd, geen aanpassing behoeft.

Aan de uitvoering daarvan door de juridische faculteiten schort echter het een en ander en dat is ernstig. “De kwaliteit van de togaberoepen is een van de pijlers van de democratische rechtsstaat”, zoals advocaat en voormalig landelijk deken mr. Willem Bekkers het recent kernachtig verwoordde.1 Om die kwaliteit in de beroepsopleiding advocatuur te kunnen blijven leveren, is een adviescommissie in het leven geroepen onder leiding van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann, rector magnificus van de Radboud Universiteit Nijmegen. In het in november 2010 gepubliceerde eindrapport heeft zij verstrekkende aanbevelingen gedaan om de beroepsopleiding advocatuur in overeenstemming te brengen met de veranderende eisen die aan een advocaat worden gesteld.2 Die behoefte aan wijziging van de beroepsopleiding was mede ingegeven door de idee dat de universitaire vooropleiding niet meer zou voldoen, zonder dat de commissie terzake overigens een standpunt heeft willen innemen.

In dit artikel wil ik aantonen dat de door de faculteiten aan de togaberoepen verstrekte garantie dat zij juristen afleveren die voldoen aan de wettelijke geformuleerde beroepsvereisten niet wordt waargemaakt. Ik bespreek hier dus niet de vraag of er andere beroepsvereisten dienen te worden geformuleerd, kortom de vraag hoe een ideaal curriculum voor een togajurist eruit zou moeten zien.3

1. Voorgeschiedenis

Met zijn artikel “De ondraaglijke lichtheid van de rechtenstudie” heeft hoogleraar rechtssociologie Freek Bruinsma in 2000 de knuppel in het hoenderhoek gegooid: de rechtenstudie was geen academische opleiding maar een opleiding voor togaberoepen. Wat er ook zij van de strekking van zijn artikel,4 de discussie over de kwaliteit van de opleiding van juristen kwam (wederom) op gang, ook omdat kort nadien (2002) de Bachelor-Masterstructuur zou worden ingevoerd. Daarmee hield een min of meer uniforme landelijke opleiding Nederlands recht op te bestaan. Door de keuzemogelijkheden die het nieuwe curriculum bood, was het specifieke traject van de student voortaan bepalend geworden voor de vraag of iemand tot advocatuur of rechterlijke macht kon worden toegelaten. Strikt genomen zou ieder diploma afzonderlijk op de wettelijke toelatingsvereisten beoordeeld moeten worden hetgeen voor een buitenstaander nauwelijks te doen is.

Om de zorgen van de togaberoepsgroepen – advocatuur en rechterlijke macht – weg te nemen, heeft het Disciplineoverleg Rechtsgeleerdheid in 2005 afgesproken dat een student die “grondige kennis van en inzicht in de rechtsgebieden heeft verkregen welke worden genoemd in het Besluit beroepsvereisten advocatuur en in het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren” en in die vakken ten minste 200 studiepunten (EC’s) had behaald, waarvan ten minste 60 op WO-bachelor en 60 op WO-master-niveau, een diploma zou krijgen met daarop een verklaring van civiel effect. De beroepsgroepen konden er aldus vanuit gaan dat de instroom kwalitatief gewaarborgd zou zijn. Daarna verstomde de discussie enigszins.

Langzaamaan staat het onderwerp echter weer volop in de belangstelling. In 2009 gaf prof. mr. Steven Schuit, tevens voorzitter van de Law firm School, aan dat “de rechtenstudie beter moet en dat het KB inzake het civiel effect flink moet worden aangescherpt.” Vervolgens heeft Bekkers er bij zijn afscheid op 1 maart 2010 in niet mis te verstane bewoordingen aandacht voor gevraagd: “De vorming van de academische jurist laat te wensen over. De studie rechten is een van de simpelste studies die we kennen. Flinterdun”.5

De juridische studie en de aansluiting daarvan op de beroepspraktijk staan dus weer op de agenda. Het is dan ook niet toevallig dat zowel de rechterlijke macht als de advocatuur en het notariaat6 momenteel hun beroepsopleidingen evalueren. Daaruit lijkt een gemeenschappelijk geluid naar voren te komen dat, kort samengevat, neerkomt op zorg om de kwaliteit van de instroom. Die zorg hangt uiteraard ten nauwste samen met de wijze waarop de initiële opleiding is vorm gegeven.

2. Waar loopt de beroepspraktijk tegenaan?

Op de uitspraak van Bekkers over het dalende niveau van de afgestudeerde jurist hebben vrijwel alle rechtenfaculteiten bij monde van hun decaan verontwaardigd gereageerd. Zij vinden diens uitspraak te gemakkelijk en wijzen erop dat het geheel anders ligt. Uiteraard is de opmerking van Bekkers generalistisch; anderzijds moet niet vergeten worden dat decanen voor ‘eigen parochie’ preken en dat juristen er goed in zijn om de uitzonderingen te benoemen. Waarom wordt zo weinig nieuwsgierigheid getoond naar hetgeen Bekkers bewogen heeft om dergelijke krasse uitspraken te doen? Hij staat daarin namelijk niet alleen. Ook Schuit had, zoals gezegd, al eerder stevige kritiek geuit. En het is opmerkelijk dat de kritiek van Bruinsma die in 2000 de rechtenstudie gewogen had en te licht had bevonden omdat deze te weinig academisch was, in een belangrijk opzicht overeenkomt met de gedachte van Schuit en Bekkers; de laatste zei immers: “er is de noodzaak toekomstige advocaten een betere academische vorming te geven. De techniek van de rechtspleging zelf is van een andere orde. Dat komt later wel.”

Ik ben het met Bekkers eens dat méér aandacht zou moeten uitgaan naar een brede academische vorming van de jurist en baseer me daarbij op hetgeen ik de afgelopen jaren in de opleiding tot rechter heb geconstateerd. Raio’s (rechterlijk ambtenaren in opleiding) stromen doorgaans de opleiding in direct na het afronden van hun rechtenstudie dan wel na één of twee jaar werkervaring. De raio’s die in opleiding komen, hebben eerst een uitgebreid assessment ondergaan, waarbij op de competenties van de rechter en officier van justitie wordt getoetst en heel beperkt op juridische kennis. Verondersteld wordt namelijk dat het met dat laatste ‘wel snor zit’: de raio heeft immers zijn bul met civiel effect! De opleiding duurt maximaal zes jaar. In die periode doorloopt een raio alle sectoren van de rechtbank, achtereenvolgens de sectoren strafrecht, civiel recht, bestuursrecht en parket. Daarna wordt er verdiept in één van die sectoren. Steeds volgt aan het einde van een opleidingsperiode een beoordeling. Na de interne opleiding volgt eventueel nog een buitenstage van maximaal twee jaar. Hoewel precieze cijfers ontbreken, is de inschatting dat in de laatste jaren 25% van de raio’s gedurende de opleiding afvalt, hetgeen een drastische toename is ten opzichte van het verleden. Hét grote struikelblok is de civiele sector; bij de beoordeling van de lichting juli 2010 zijn 7 van de 30 raio’s er niet door gekomen. Maar ook in de andere sectoren worden raio’s tegenwoordig vaker negatief beoordeeld dan vroeger het geval was. Wanneer dan gekeken wordt waarom zij het niet gehaald hebben, valt op dat de volgende redenen vrijwel steeds genoemd worden (doorgaans in deze volgorde): gebrek aan kennis, onvoldoende analytisch vermogen, niet goed juridisch kunnen argumenteren, motiveren, structureren, (al dan niet in samenhang met) gebrekkige productiviteit, niet tegen de werkdruk bestand te zijn, psychische problemen.

De vraag is natuurlijk waar dat mee te maken heeft. Diverse oorzaken kunnen daarbij, al dan niet gecombineerd, een rol spelen. Is bijvoorbeeld aan het assessment een indicatie te ontlenen dat er sprake was van een zwakke raio doordat diens intelligentie (te) beperkt was? De selectiecriteria zijn echter in de loop der jaren niet gewijzigd; al jaren wordt er op dezelfde strenge wijze geselecteerd. Uiteraard slipt er wel eens iemand tussendoor waarvan je denkt: selectiefout. Maar dat verklaart niet de grote toename van het aantal uitvallers.

Het zou ook kunnen liggen aan de postinitiële opleiding. De afgelopen 10 jaar is er echter juist veel tijd en energie gestoken in professionalisering van de raio-opleiding: er is meer structuur en uniformiteit in de opleiding gebracht en er is meer aandacht voor de opleiding van opleiders. In het cursuspakket van de basisraio civiel recht waren tot voor kort geen materieelrechtelijke vakken opgenomen; er kon immers – zo werd verondersteld – worden voortgebouwd op de “grondige kennis van het privaatrecht” die al aan de universiteit was opgedaan. Het accent lag op het ontwikkelen van de vaardigheden die nodig zijn voor het werk in de civiele sector: dus een cursus communicatieve vaardigheden, enquêteren, compareren, vonnis schrijven, e.d. Recent zijn er twee cursussen vermogensrecht waarin basisstof gepresenteerd wordt aan toegevoegd omdat het kennisniveau van de raio’s nogal eens te beperkt bleek. Ik doel niet op gebrek aan parate kennis van bijvoorbeeld arresten, maar op het feit dat fundamentele begrippen van het vermogensrecht niet werden beheerst. Goed en snel kunnen analyseren wat in het dossier speelt, is moeilijk als je niet het dogmatisch kader beheerst. Wat de vereisten van artikel 3:84 BW inhouden, wanneer recht op schadevergoeding bestaat of wat bijvoorbeeld volmacht of crediteursverzuim betekent, wordt als heel lastig ervaren. Men raadpleegt dan echter niet een handboek om te achterhalen hoe het zit maar men zoekt dan vaak eerst naar een uitspraak waarin een vergelijkbaar probleem speelt als in het dossier. Aan zelfstandig, kritisch denken komt de raio dan niet toe. In de rechtbank Dordrecht wordt het probleem als volgt opgelost. Om te voorkomen dat de raio de merites van de specifieke zaak en de tijd uit het oog verliest mag hij slechts gebruik maken van Tekst & Commentaar en de Asserserie. Voor het gebruik van andere bronnen dient de raio toestemming te vragen aan de opleiders [sic].7 In de raio-opleiding moet dus kostbare tijd worden besteed aan het bijbrengen van de stof die aan de universiteit had dienen te zijn verworven, terwijl menig raio niet over de methode en de academische vaardigheden blijkt te beschikken om die kennis tijdens de opleiding zelf op te frissen.

Het lijkt daarom zinvol om te onderzoeken hoe de “grondige kennis” waarover de afgestudeerden volgens hun diploma beschikken, wordt verkregen en wat de faculteiten daaromtrent hebben afgesproken.

3. Eindkwalificaties van de opleiding

In het najaar 2010/voorjaar 2011 is/wordt een groot aantal juridische opleidingen onderworpen aan visitatie en heraccreditatie waarvoor de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (hierna: de NVAO) verantwoordelijk is. Een visitatiecommissie, bestaande uit onafhankelijke deskundigen, beoordeelt en vergelijkt het onderwijs van de juridische faculteiten teneinde inzicht te verkrijgen in een aantal kwaliteitsaspecten inzake onderwijs. De vorige visitatiecommissie rapporteerde in 2004 over de periode 1996 – 2001. Die rapportage betrof de pre BaMa-periode, derhalve het oude curriculum, en heeft dus reeds om die reden weinig actualiteitswaarde meer. Hoogste tijd dus voor een nieuwe onderwijsvisitatie gezien de veranderingen die in 2002 met grote voortvarendheid in het curriculum zijn doorgevoerd.

Het Disciplineoverleg heeft ten behoeve van de visitatiecommissie een gedeeld en uitgewerkt referentiekader met domeinspecifieke eisen voor een aantal bacheloropleidingen en de bijbehorende doorstroommasters vastgesteld. Vijf hoofddoelstellingen van de BaMa-opleidingen zijn daarbij aangegeven. Die doelstellingen zijn:

“1. Juridische opleidingen zijn gericht op de vorming van juristen. Zij bieden daartoe samenhangende bachelor- en mastercurricula aan.
2. Juristen zijn inzetbaar in traditionele juridische beroepen en voorts in uiteenlopende andere juridische functies. Voor de traditionele juridisch beroepen zoals binnen de rechterlijke macht en de advocatuur zijn postinitiële opleidingen vereist. (…)
3. Het niveau van de opleidingen is academisch in de zin dat, zoals beschreven, een kritische reflectieve en evaluatieve attitude wordt bijgebracht, naast een state of the art-kennis van inhoud en beheersing van vaardigheden.
4. De opleidingen (…) leiden via een bacheloropleiding waarin de basis academische vaardigheden en kennis wordt bijgebracht en getraind, op tot een master die verdieping, specialisatie en/of verbreding biedt. In de loop van de studie wordt het academisch gericht accent sterker.
5. Ten slotte leiden de masteropleidingen studenten op tot de kwalificaties van relevante (beroepsgerichte) postinitiële opleidingen (…)”

Deze doelstellingen zijn in het referentiekader vervolgens vertaald in “eindkwalificaties” van de opleidingen, te weten kennis en inzicht, vaardigheden en attitude. Ten aanzien van kennis en inzicht stelt het referentiekader: “De afgestudeerde jurist beheerst de juridische kernleerstukken van de hoofdonderdelen van het Nederlands recht: privaatrecht, staat- en bestuursrecht, strafrecht, en internationaal en Europees recht”. In een NB is aangegeven dat hiermee primair is gedoeld “op opleidingen die civiel effect beogen; waar dat niet het geval is kunnen er afwijkingen bestaan.”

Vergeleken met de afspraak uit 2005 valt op dat niet wordt gesproken van “grondige kennis” van de drie hoofdonderdelen maar van “beheersen.” Belangrijker is dat het Europees en internationaal recht aan de onderwerpen zijn toegevoegd, een uitermate zinvolle toevoeging overigens.

Op papier is alles in zekere zin dus prima geregeld. De vraag die evenwel aan de orde is, is of de universiteiten waar maken wat op papier wordt beloofd.

4. Hoe wordt het civiel effect verkregen?

Als voorbeeld neem ik u mee naar een student die in 2010 rechten is gaan studeren. Ik ben natuurlijk benieuwd of die student bij zijn afstuderen inderdaad die “grondige kennis” heeft verkregen van het privaat-, bestuurs- en strafrecht (met inbegrip van het procesrecht) zoals de bul met aantekening civiel effect belooft. Ik heb daartoe de bachelor- en masterprogramma’s van vier willekeurig gekozen juridische faculteiten met elkaar vergeleken: die van Amsterdam (UvA), Leiden, Rotterdam en Nijmegen.

Bacheloropleiding
Alle vier faculteiten hebben in de bachelor de drie hoofdgebieden in het curriculum opgenomen, maar de wijze waarop dit gebeurt loopt uiteen. In het oog springt allereerst dat er behoorlijke verschillen bestaan met betrekking tot de door de student vrij in te vullen keuzevakruimte. Aan de UvA kan een student in zijn derde jaar de helft van zijn studiejaar – waarin ten minste 60 EC’s dienen te worden behaald – vrij invullen: 30 EC’s dus; in Leiden en Rotterdam kan hij 15 EC’s zelf bepalen, terwijl Nijmegen daarentegen deze mogelijkheid in het geheel niet kent.

Als civilist ben ik uiteraard het meest benieuwd naar de “grondige kennis” van het burgerlijk (proces)recht. Daarom heb ik onderzocht hoeveel EC-punten een student voor de diverse privaatrechtelijke vakken heeft behaald. In mijn vergelijking heb ik niet meegenomen het vak Inleiding (of daarmee vergelijkbare vakken zoals Encyclopedie) Evenmin heb ik keuzevakken opgenomen. In Rotterdam bestaat bijvoorbeeld in het tweede jaar een keuzemogelijkheid tussen het vak Grensoverschrijdend privaatrecht en Public International law (beide 6 EC). Het gaat mij erom te weten wat een student aan verplichte privaatrechtelijke vakken in zijn bachelor heeft gedaan. Ik zie de volgende verschillen.

Allereerst verschillen tussen het moment waarop de kernvakken van het materiële burgerlijk recht wordt aangeboden: aan de UvA vooral in het eerste jaar (20 EC), in Leiden en Rotterdam vooral in het tweede jaar (35 respectievelijk 30 EC) en in Nijmegen met name in het derde jaar (44 EC). Het burgerlijk procesrecht behelst in Nijmegen een 6-punts vak en in alle overige faculteiten een 5-punts vak, maar wordt in Rotterdam al in het eerste jaar, terwijl het in Leiden, Nijmegen en Amsterdam pas in het derde jaar wordt gedoceerd.

Verder zie ik verschillen in het totale aantal EC’s dat in de bachelor voor het burgerlijk (proces)recht dient te worden behaald: aan de UvA 45 EC, in Rotterdam 54, in Leiden 55 en in Nijmegen 66. Dat betekent een verschil tussen twee faculteiten van 21 EC, hetgeen – uitgaande van een studiebelasting van 28 uur per EC – neerkomt op een verschil van 588 uur!

Voorts zie ik verschillen in grootte van de vakken: aan de UvA in de bachelor vrijwel alleen kleine vakken van 5 EC, in Nijmegen daarentegen een vak Burgerlijk recht van 11 en zelfs een van 15 EC (waarbij overigens een scriptie is inbegrepen). Door veel kleine vakken te doceren zou je kunnen denken dat er aan de UvA breder wordt opgeleid. Kleine vakken bevorderen echter niet de samenhang tussen de stof en belemmeren het overzicht van het gehele rechtsgebied waartoe het vak behoort. Als ik verder inzoom op de rechtenstudie aan de UvA zie ik dat een student twee belangrijke materieelrechtelijke vakken die in de praktijk van groot belang zijn – Aansprakelijkheidsrecht en Contractenrecht – al in zijn eerste jaar heeft gedaan, en wel direct op eindniveau. De faculteit schrijft daar in de studiegids over dat een student in zijn eerste jaar “geen inleidend onderwijs krijgt maar direct het diepe ingaat.”

De volgende vragen komen bij mij op, vragen die nauw samenhangen met hetgeen de rechtspraktijk nodig heeft. Hoe is kennis van de grondslagen verkregen? Hoe heeft deze student een overzicht van het vermogensrecht en inzicht in algemene begrippen daarin verkregen? Hoe heeft deze student met betrekking tot deze stof leren problematiseren, reflecteren? Volgens doelstelling 4 dient het academisch gericht accent in de loop van de studie sterker te worden. Is het dan wel juist om studiepunten die in het eerste bachelorjaar op eindniveau zijn behaald mee te tellen voor het civiel effect? Is er met betrekking tot die vakken eigenlijk wel academische kennis verkregen gelet op hetgeen in doelstelling 3 en 4 staat?

De invulling van de bacheloropleiding is dus diffuus. Dit klemt temeer omdat in de bachelor in elk geval op twee rechtsgebieden kennis op eindniveau dient te worden verworven. De vraag is vervolgens: wat wordt er in de master geleerd?

Masteropleiding
Het is niet eenvoudig om zicht te krijgen op het totale aantal juridische masters en de invulling daarvan omdat de presentatie van een master per universiteit verschilt. Nijmegen kent vijf juridische masters, maar binnen de master Nederlands recht (die opleidt voor het civiel effect) bestaan er nog eens vijf keuzemogelijkheden. Rotterdam telt eveneens vijf masters maar de masteropleiding Rechtsgeleerdheid – die overeenkomt met de master Nederlands recht uit Nijmegen – telt hier 10 varianten. De UvA biedt een keuze uit negen masters en met alle varianten (trajecten geheten) meegerekend zelfs een keuze uit twintig verschillende masters. Alle juridische masters geven aan de UvA recht op een diploma met aantekening civiel effect, dus ook een master European Competition Law bijvoorbeeld. Leiden is het overzichtelijkst want zij kent slechts één master, te weten Rechtsgeleerdheid, die opleidt voor het civiel effect. Binnen deze master zijn echter zeven specialisaties mogelijk en binnen één specialisatie kan vervolgens nog eens uit diverse accenten, eigenlijk profileringsvakken, worden gekozen; zo kent de specialisatie civiel recht vijf accenten.

In een master komt doorgaans slechts één rechtsgebied aan de orde. In dat geval wordt brede en diepgaande kennis verkregen van bijvoorbeeld het staats- en bestuursrecht of het straf(proces)recht. Toch is dat niet steeds het geval, want er kan soms ook verregaande specialisatie plaats vinden, zoals in een master verzekeringsrecht of een master arbeidsrecht. Dit impliceert dat slechts een beperkt deel van het privaatrecht aan bod komt. Voor zover er rechtsgebied overschrijdende masters zijn, gaat het wederom om gespecialiseerde masters: een master Recht van de gezondheidszorg of een master Omgevingsrecht geeft namelijk eveneens toegang tot de togaberoepen.

Voorts kan het gebeuren dat in een master (veel) ruimte voor eigen invulling met keuzevakken bestaat. Hoe maken de faculteiten waar dat er sprake is van “samenhangende bachelor- en mastercurricula” zoals doelstelling 1 aangeeft? En hoe worden de academische vaardigheden ontwikkeld wanneer er bijvoorbeeld sprake is van een stage van soms wel twee maanden? Ik denk aan de stage in de togamaster in Rotterdam. Hoe zinvol het voor een student ook is om te weten hoe het er in de praktijk aan toe gaat, de vraag is of dat zo’n lange periode moet zijn die van de kostbare, beperkte studietijd af gaat. De praktijk is weinig geschikt om wetenschappelijk en reflectief na te denken over wat je doet. In de beroepspraktijk gaat het om targets halen; ‘out of the box’ denken is er niet bij.

Ook doelstelling 5 uit het referentiekader – de masteropleidingen leiden studenten op tot de kwalificaties van de relevante beroepsgerichte post-initiële opleiding – is dus maar (zeer) beperkt waar: een belangrijk deel van de stof wordt immers tijdens de bachelor geleerd en komt nadien, afhankelijk van de gekozen master, niet meer aan de orde. Het is zelfs de vraag of de gekozen master wel de grondige kennis oplevert waarvan op de bul sprake is, gelet op de zeer specialistische masters.

De terminologie op de bul zegt sowieso zeer weinig. Aan de UvA brengt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid “de student op academische wijze basiskennis … op het gebied van het recht bij,” aldus het Onderwijs en Examenreglement. De Leidse faculteit besteedt in de bachelor evenveel tijd aan het privaatrecht als Rotterdam, desalniettemin levert dat in Leiden volgens de eindtermen “grondige kennis van en inzicht in” het privaatrecht op maar in Rotterdam slechts “kennis van en inzicht in”. Nog merkwaardiger wordt het wanneer men bedenkt dat de in Amsterdam en in Rotterdam tijdens de bachelor behaalde “kennis” van de drie rechtsgebieden na het behalen van een master (bijvoorbeeld de master strafrecht of bestuursrecht) van kleur verschiet en zonder enige extra inspanning op de bul plots wordt aangemerkt als “grondige kennis.” Volgens de Rotterdamse eindkwalificaties van de master wordt echter alleen “diepgaande kennis” van de gekozen specialisatie verkregen, terwijl Amsterdam aangeeft dat de masterafgestudeerde op dat vakgebied “gespecialiseerde kennis heeft verworven en in staat is dergelijke kennis op ander vakgebieden zelfstandig te verwerven.”

5. Conclusie

Het doel van de juridische opleidingen die leiden tot een bul met civiel effect dient te zijn de aanstaande togajurist vanuit een goed opgezet basisconcept een brede intellectuele en academische juridische bagage mee te geven. Daar gaat ook het laatste visiedocument van de Raad voor de Rechtspraak van uit: “De rechter in eerste aanleg is primair een breed geschoolde generalist die op meerder rechtsgebieden inzetbaar is en die in de loop van zijn carrière specialismen kan opbouwen.”8 Die generalistische solide basis is dus voor de beroepspraktijk onontbeerlijk. Net zomin als een medisch student zelf kan bepalen welke vakken hij wanneer wil volgen om arts te kunnen worden, zou dat evenzeer niet mogelijk moeten zijn voor een rechtenstudent die een togaberoep ambieert.

Voor het afnemend beroepenveld is het volstrekt onduidelijk wat de afgestudeerde togajurist aan kennis en kunde op zak heeft. Eenvormigheid in terminologie ontbreekt: ‘ kennis’ wordt op één lijn gesteld met ‘diepgaande kennis,’ ‘beheersen van kennis’ en ‘grondige kennis van en inzicht in’. Het gaat me er niet om een bureaucratisch circus op poten te zetten met eindtermen die tot in de finesses zijn geformuleerd. Evenmin is het me erom te doen een lans te breken voor een uniforme opleiding; diversiteit blijft een groot goed. Door de wijze waarop vakken echter in de bachelor worden gedoceerd – veel kleine vakken en kernvakken soms direct op eindniveau –, door de ruime keuzevakruimte die aan studenten wordt geboden, de stagemogelijkheden en de vrijwel onbeperkte vrijheid om de master naar eigen believen in te richten, biedt de verklaring van civiel effect niet de kwaliteitsgarantie die zij beoogt en belooft.9

De conclusie kan geen andere zijn dan dat de faculteiten hun eigen eindkwalificaties niet waar maken en studenten afleveren die niet aan de wettelijk geformuleerde minimumeisen voldoen. De door faculteiten afgegeven verklaring van civiel effect (waarin grondige kennis van en inzicht wordt beloofd in drie rechtsgebieden) betekent slechts dat de afgestudeerde een bepaald aantal punten (200 EC’s) in een (willekeurig) aantal juridische vakken heeft behaald. Die student voldoet dan formeel wel, maar mijns inziens in elk geval ten aanzien van twee vakgebieden materieel niet aan de wettelijk geformuleerde beroepsvereisten voor toetreding tot de rechterlijke macht!

Mr. A.J.A.M. Ahsmann is vice-president in de rechtbank Rotterdam en lector civiel recht bij SSR. Dit artikel is mede gebaseerd op haar ervaringen als opleider van raio’s (en rio’s) in de rechtbank Rotterdam en als lector civiel recht bij SSR (het opleidingsinstituut van de rechterlijke macht). Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven en is verschenen in NJB 2011/02.

  1. W.M.J. Bekkers, Herzie rechtenstudie en beroepsopleiding, in Juncto 2010, nr. 22.1.
  2. Het rapport is gepubliceerd onder de titel “Met recht advocaat”; zie www.advocatenorde.nl/algemeen/organisatie/publicaties.asp. Ik heb deel uitgemaakt van de commissie.
  3. In 2004 heb ik op een door de advocatuur georganiseerd congres gepleit voor een brede academische bachelor en een tweejarige togamaster. Zie Togamaster: een must voor een master in toga! in: Trema, (2005), p. 49-55. De handelingen van het congres zijn eerst in 2006 verschenen in een bundel onder de titel Bachelor Mastercongres 2006.
  4. In NJB, 2000, afl. 28, p. 1371-1374.
  5. Zie interview met Schuit in Mr. 2009, afl 8/9, en met Bekkers in Mr. 2010, afl.3.
  6. Zie T. Scheltema, Gildemodel of co-schappen, Beroepsopleiding op de schop? In: Notariaat Magazine, (5) 2010, p. 22-23.
  7. Zie A. Eerdhuijzen en M. de Vette, De opleiding van raio’s in de rechtbank Dordrecht, in Trema, november 2010, p. 430-433.
  8. Zie Visie op de rechtspraak (2010), p. 28.
  9. Ik ben me ervan bewust dat ik niet alle faculteiten in mijn onderzoek heb betrokken. Desalniettemin denk ik op grond van steekproeven dat het geschetste beeld ook voor de andere faculteiten opgaat.
Deel dit artikel:

{ 8 reacties }

{ 2 reacties… lees hieronder of reageer }

1 Reinier Bakels 30 augustus 2011 om 12:06

Er wordt hier naar schapen met vijf poten gezocht.
Van de opleiding tot civiel effect wordt blijkbaar vooral vakmanschap verwacht. Dat kenmerkt deze opleiding tot een HBO opleiding, niet qua niveau, maar naar aard. Het gaat om het beheersen van een métier.
Moet je meer verwachten van een advocaat dan zulk vakmanschap? Dat is maar de vraag. In deze tijd van bezuinigingen is een goedkopere advocaat en zelfs een goedkopere rechter wel wenselijk.

Een werkelijk academische opleiding betekent niet per se meer vakmanschap, maar eerder een bredere oriëntatie. Kennis van politicologie voor staatsrechtjuristen, van criminologie voor strafrechtsjuristen, en van innovatie voor octrooirechtsjuristen. Maar misschien is dat maar ballast voor een advocaat. En zo’n academisch opgeleide jurist moet natuurlijk alsnog in een beroepsopleiding (en post-academische HBO opleiding als het ware) zijn “rijbewijs” halen voor de praktijk.

2 Miriam van Aller 30 augustus 2011 om 17:54

Ik heb met belangstelling bovenstaande beschouwing gelezen. Toen ik zelf afgestudeerd was – en ik was een goede student – werd ik advocaat. Ik heb moeten vaststellen dat ik helemaal opnieuw moest beginnen. De wijze waarop ik mijn opleiding had gevolgd en de theorie tot mij had genomen, was een heel andere dan die ik moest gebruiken toen ik advocaat werd. Je moet dan het recht toepassen op een individuele situatie en inschatten of procederen kans van slagen heeft. Dat vergt een heel andere benadering en veel studeren, o.a. de jurisprudentie. Ik was een advocaat die veel procedeerde. Maar mijn liefde lag dan ook o.m. bij het procesrecht, dat ik als keuzevak heb gedaan tijdens mijn studie.

Anders gezegd, een juridische opleiding is algemeen vormend, maar voor de toga beroepen moet een aparte opleiding worden gevolgd, omdat die zo specifiek zijn Je kunt niet van een algemeen vormende opleiding verwachten specifiek te zijn. Als de RAIO opleiding al 6 jaar duurt en die van een advocaat 3 jaar, dan ligt m.i. de zaak glashelder. De juridische faculteiten doen goed werk en daarna is voor zowel de RAIO als de advocaat, de praktijk de toetssteen.

Reageren

{ 6 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: