Hoare

door Coen Drion

op 12 september 2011 in Vooraf

Afbeelding bij Hoare

De kenners weten het al: dit is niet wat het lijkt: de woede-uitroep van een stripfiguur, maar de naam van een partij in een van de meest geruchtmakende zaken in het Verenigd Koninkrijk van de afgelopen decennia. Een zaak die ook voor ons van belang is, omdat die laat zien hoe nodig het kan zijn dat op basis van pregnante feiten soms het tot dan toe vigerende recht opzij of vooruit wordt geduwd, zelfs het “harde” verjaringsrecht. Hoe lagen de feiten in deze kwestie?

In 1989 wordt Iorworth Hoare (bepaald niet voor de eerste keer) veroordeeld voor een seksueel delict, in dit geval poging tot verkrachting in 1988 van een 59-jarige vrouw (mevrouw A) uit hun beider woonplaats Leeds. Hij krijgt daarvoor levenslange gevangenisstraf opgelegd. In het Verenigd Koninkrijk betekent dat echter meestal niet dat ook daadwerkelijk een heel leven achter de tralies moet worden doorgebracht en Hoare wordt na verloop van tijd in de gelegenheid gesteld langzaam weer aan een leven “buiten” te wennen. In 2004 krijgt hij dagverlof en het is op zo’n dag dat hij een lootje van de National Lottery koopt. En, wat blijkt: hij wint 7 miljoen Engelse Ponden (GBP). Dit nieuws bereikt zijn slachtoffer die al die tijd had afgezien van het instellen van een civiele vordering op Hoare omdat die toch geen cent te makken had. Zij kreeg slechts GBP 5.000 van de Criminal Injuries Compensation Board. Zij stelt Hoare uiteindelijk voor om bij wege van schikking een bedrag van GBP 25.000 te betalen. Hoare, die op 31 maart 2005 op vrije voeten komt, wijst dit voorstel af, daartoe geadviseerd door zijn advocaat op grond van Stubbings v Webb uit 1993.1 In Stubbings heeft de House of Lords op sexual abuse zaken Section 2 (tort) van de Limitation Act 1980 (exclusief) toepasselijk geacht. Die bepaling stipuleert een absolute verjaringstermijn van 6 jaren, te rekenen vanaf het moment van het ontstaan van een vorderingsmogelijkheid. Wanneer mevrouw A gaat procederen, wordt haar vordering dan ook op deze grond afgewezen (waarbij de Court of Appeals duidelijk laat blijken met de uitkomst ongelukkig te zijn, maar zich gebonden te weten aan Stubbings). Intussen heeft Hoare zich een aardige six bedroom mansion aangeschaft ter waarde van GBP 700.000.

In de loop der jaren is echter niet alleen het vermogen van Hoare, maar ook de kritiek op Stubbings toegenomen. Zo noemde de Law Commission de uitspraak in 2001 anomalous. In 2009 is de House of Lords omgegaan2 en is bepaald dat mevrouw A zich oók mag beroepen op Section 11 (personal injury) van de Limitation Act 1980, welke bepaling weliswaar een kortere verjaring voorschrijft dan Section 2, maar de rechter de mogelijkheid biedt om die periode te verlengen. En zo geschiedt dan ook uiteindelijk, waarop Hoare wordt veroordeeld tot betaling aan mevrouw A van een bedrag van GBP 50.000 plus advocatenkosten ad GBP 537.885,20, bovenop de GBP 239.583 aan eigen advocatenkosten.

Hoare wendt de steven vervolgens naar Straatsburg, alwaar het EHRM op 12 april 2011 uitspraak doet.3 Hij claimt dat hij ten onrechte, want in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM, als privépersoon deze hoge bedragen heeft moeten betalen, omdat er sprake was van een volstrekt onvoorzien(baar) en zeer ongebruikelijk omgaan door de Engelse rechter en omdat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever was om op dit punt het recht (doch dan niet met terugwerkende kracht) te veranderen. Kort gezegd zou je kunnen stellen dat Hoare vindt dat hij ten onrechte en in zijn eentje een (ongewenste) rechterlijke rechtsontwikkeling financieel heeft moeten dragen. Het hof overweegt:

“(…) courts may depart from their well-established case law provided they give good and cogent reasons for doing so. (…)4 however clearly drafted a legal provision may be, in any system of law, there is always an inevitable element of judicial interpretation. Equally, there will always be a need for elucidation of doubtful points and for adaptation to changing circumstances.”

Het hof bespreekt vervolgens (1) de uitgebreide overwegingen van de House of Lords over Stubbings en (2) de eigen beslissing van het hof in Stubbings van 22 oktober 1996 over het bestaan van een margin of appreciation bij de nationale staat en concludeert dat de uitspraak tegen Hoare “constituted no more than a reasonably foreseeable development of the law in sexual abuse cases.” Over de advocatenkosten overweegt het hof dat die weliswaar hoog waren, maar niet onredelijk in het licht van onder meer het afwijzen van de schikking door Hoare, en dat de Engelse rechter terecht het principe “costs follow the event” heeft toegepast.5

Remarkable cases make remarkable law is het minste dat je over deze zaak kunt zeggen. Daaraan zou ik alleen nog – bij wege van anagram – de volgende uitroep willen toevoegen: hoera voor de feiten én het recht!

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2011/31.

  1. AC 498, S v W (1995) FLR 862.
  2. Enigszins gechargeerd wordt daarover in Engelse bronnen wel gezegd dat de kans daarop bijna even klein was als de winkans van Hoare bij de loterij.
  3. Zaak nr. 16261/08, gepubliceerd in European Human Rights Cases van 4 augustus 2011, onder nr. 116, en in NJB 2 september 2011/29, p. 1540.
  4. Hier verwijst het hof naar EHRM 22 november 1995, C.R. / Verenigd Koninkrijk, nr. 20190/92.
  5. Oftewel: wie ongelijk krijgt, betaalt. Het hof hint dat het zich ook matiging had kunnen voorstellen omdat Hoare eerst gelijk had gekregen. Strijd met art. 6 EVRM was “manifestly ill-founded”, juist door het fortuin dat Hoare had verworven.
Deel dit artikel:

{ 0 reacties }

Reageren

Vorige post:

Volgende post: