# Twitter als rechtsobject

door Corien Prins

op 19 januari 2012 in Vooraf

Afbeelding bij # Twitter als rechtsobject

Wie twittert loopt het risico te worden geconfronteerd met juridische perikelen. Recente voorvallen in zowel ons land als het buitenland, tonen dat dit populaire communicatiemiddel van maximaal 140 tekens tot interessante juridische kwesties aanleiding geeft.

Allereerst maakten dagbladen melding van personen die, evenals leden van uw redactie, slachtoffer werden van nep-tweets: iemand geeft zich via een nep-account voor een ander uit en twittert in naam van deze laatste onschuldige, maar soms ook tot misverstanden en ergernis leidende berichten de digitale wereld in. Natuurlijk kan twitter worden verzocht de nep-account af te sluiten. Maar daarmee is de ellendeling niet in de kraag gegrepen. Vaste jurisprudentie (o.a. Hoge Raad in 2005: Lycos-Pessers, LJN: AU4019) biedt gedupeerden ruimte om providers de gegevens van fraudeur af te laten geven, om daarmee een verbods- en schadevergoedingsprocedure te starten. Maar deze twitter-kwestie toont in navolging van andere vormen van digitale identiteitsfraude dat andersoortige gevolgen aan de orde zijn dan bij traditionele vormen van identiteitsfraude. Specifieke gevolgen, die gedupeerden vaak met een gevoel van onmacht laten zitten. Gevolgen die ook reden zijn om toch nog eens te kijken naar de noodzaak te komen tot een meer eenduidige strafrechtelijke sanctionering dan nu het geval is. Al eerder heb ik betoogd dat de huidige diversiteit aan mogelijk relevante strafrechtbepalingen voor digitale identiteitsfraude onvoldoende effectief is en noodzaakt tot een afzonderlijke strafbaarstelling.

In de VS speelt nog een heel andere kwestie. Daar is Noah Kravitz door zijn voormalige werkgever Phonedog aangeklaagd omdat hij, nadat zijn dienstverband was beëindigd, zijn twitter-account bleef gebruiken. Kravitz was populair bij 17.000 volgers (met de kwestie zijn dat er inmiddels duizenden meer). Volgens Phonedog behoort de lijst met volgers het bedrijf toe en moet Kravitz daarom 370.000 dollar betalen (2,50 dollar per volger per maand). De vragen liggen voor het oprapen: wie is rechthebbende van een twitter-account en hoe stellen we de waarde van een twitter-volger vast? Het argument van Phonedog is dat de lijst met volgers valt aan te merken als bedrijfsgegevens, zoals klantenlijsten dat ook zijn. Maar is niet veeleer sprake van een verzameling namen van geïnteresseerden in het bedrijf, en wellicht nog wel meer, geïnteresseerden in de betreffende medewerker? In ons land geldt als algemeen uitgangspunt dat ervaringen, ‘persoonlijke’ goodwill en knowhow in principe aan werknemers toebehoren en de verdere inzet daarvan de betrokkene niet kan worden ontzegd, uitsluitend en alleen omdat dit profiteren van bedrijfsbelangen zou opleveren. Bovendien blijkt uit het blijven volgen van Kravitz na zijn vertrek dat de volgers geïnteresseerd zijn in Kravitz en niet in de laatste nieuwtjes van zijn ex-werkgever. Wat een twitter-lijst en zeker een LinkedIn-account – waar in de VS een soortgelijke procedure over loopt (Eagle v. SISCOM) – hierin bovendien nog bijzonder maakt, is dat privé en werk in de contacten en communicatie door elkaar lopen en verweven raken.

Redenerend vanuit het standpunt van de werkgever, zou naar Nederlands recht sprake moeten zijn van gegevens die onafhankelijk van de onderneming een zelfstandige commerciële waarde vertegenwoordigen, zodat ze daarmee als bedrijfsgegevens een vermogensrecht in de zin van art. 3:6 BW vertegenwoordigen. Internationaal vindt de bescherming van bedrijfsgegevens onder meer een grondslag in art. 39 van het TRIPs-Verdrag. Ons land is partij bij dit Verdrag. Alhoewel de regeling niet expliciet is terug te vinden in ons privaatrecht (wel in art. 273 Sr.), wordt algemeen aangenomen dat art. 3:6 BW de regeling afdekt. Aldus biedt het de mogelijkheid om niet-openbaar gemaakte informatie (undisclosed information) te beschermen tegen oneerlijke concurrentie. Maar wie deze redenering volgt ziet zich wel geconfronteerd met het probleem dat bij de twitter-lijst geen sprake is van niet-openbaar gemaakte informatie. De grondslag voor de verbods- of schadevergoedingsactie zal dus veeleer gevonden moeten worden in schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm ex art. 6:162 BW of in het feit dat de twitter-account niet langer door de werknemer mocht worden benut op grond van een daartoe strekkende contractuele bepaling, bijvoorbeeld omdat de arbeidsovereenkomst een concurrentiebeding van die strekking bevat. Indien een dergelijke contractuele beperking echter ontbreekt, zal het toekomstig gebruik van de lijst met volgers veelal vrij zijn. Het ontbreken van een dergelijke bepaling wettigt immers een weerlegbaar vermoeden dat de voormalige werkgever de aan de ex-werknemer gedurende het dienstverband toevertrouwde gegevens onvoldoende belangrijk achtte. Overigens zou bij gebrek aan een contractuele bepaling wel nog kunnen worden gedacht aan toetsing aan de post-contractuele goede trouw als gekwalificeerde vorm van onrechtmatig handelen.

Interessant is het natuurlijk ook, om nog stil te staan bij de verwachtingen en rechten van de volgers. Want wie volgt op internet nu eigenlijk wie? En hebben volgers wel rechten? Het voelt toch wat ongemakkelijk als het enkele feit dat ik een persoon volg – die toevallig ook nog werknemer van bedrijf X blijkt te zijn – ertoe leidt dat dit bedrijf een soort van eigendomsrecht richting mij kan claimen. Zeker nu veel van de volgers veel eerder belangstelling hebben voor de individu (de medewerker) dan in het bedrijf. Redenerend vanuit het belang van volgers zou een bedrijf dat een twitter-account van een ex-werknemer opeist en onder diens naam (maar door een ander gepersonificeerd) voortzet, daarom op z’n minst volgers hiervan op de hoogte moeten stellen. Wanneer dat niet gebeurt, zou eventueel sprake kunnen zijn van misleiding van consumenten.

Wie z’n gedachten laat gaan, komt op vele andere vragen en juridische scenario’s. Te veel voor de maximaal 900 woorden op deze bladzijde. En dat voor een rechtsobject van maximaal 140 tekens.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/03.

Bron afbeelding: Shovelling Son

{ 3 reacties }

{ 1 reactie… lees hieronder of reageer }

1 Wilma van de Meerakker 20 januari 2012 om 17:27

Interessante aanvulling op alles wat al eerder is geschreven en geblogd over deze beide zaken!
Juist in verband met die andere vragen en juridische scenario’s van social media ben ik op LinkedIn een groep Recht & Social media gestart waarop we kennis delen over de juridische aspecten van dergelijke social media. Eigenlijk komen hierbij dezelfde vragen terug als tijdens het laatste jaar van de studie “Recht & Informatisering” (en dat was 1996) : zijn de bestaande regels voldoende of is aanpassing/aanvulling van die regels noodzakelijk/wenselijk?

Reageren

{ 2 trackbacks }

Vorige post:

Volgende post: